25e zondag door het jaar C

C-cyclus · Tijd door het jaar · 25e zondag · groen

Evangelie 25° zondag door het jaar – C (Lucas 16,1-13)

1 Jezus sprak tot zijn leerlingen: `Een rijk man had een rentmeester, maar hij kreeg klachten dat die zijn bezit verkwistte. 2 Hij riep hem bij zich en zei: “Wat hoor ik daar over u? Ik wil dat u rekenschap aflegt, want zo kunt u geen rentmeester blijven.” 3 De rentmeester zei bij zichzelf: “Wat moet ik doen? Mijn heer ontneemt mij het beheer. Spitten kan ik niet, en bedelen, daar schaam ik me voor. 4 Ik weet al wat ik moet doen om te zorgen dat ze me, na mijn ontslag als rentmeester, in hun huis ontvangen.” 5 Een voor een liet hij de pachters van zijn heer bij zich komen. Tot de eerste zei hij: “Hoeveel ben je mijn heer schuldig?” 6 Die antwoordde: “Honderd vaten olijfolie.” Hij zei: “Hier is het contract, ga zitten en maak er vlug vijftig van.” 7 De volgende vroeg hij: “En jij, hoeveel ben jij hem schuldig?” Die antwoordde: “Honderd zakken tarwe.” De rentmeester zei tegen hem: “Hier is je contract, maak er tachtig van.” 8 De heer prees de gewiekste aanpak van de onrechtvaardige rentmeester. De kinderen van deze wereld gaan onderling immers handiger te werk dan de kinderen van het licht. 9 Ook Ik zeg jullie: maak je vrienden met behulp van de geldduivel; als die je dan ontvalt, zullen ze je ontvangen in de eeuwige tenten. 10 Wie betrouwbaar is, is betrouwbaar in het klein en in het groot, en wie in het klein onrecht doet, doet het ook in het groot. 11 Als jullie met de geldduivel onbetrouwbaar zijn geweest, wie zal jullie dan het ware goed toevertrouwen? 12 En als jullie niet te vertrouwen zijn geweest met andermans goed, wie zal jullie dan toevertrouwen wat jezelf toebehoort? 13 Geen knecht kan twee heren dienen, want hij zal of de een verfoeien en van de ander houden, of zich hechten aan de eerste en de ander verachten. Je kunt niet tegelijk God dienen en de geldduivel.'

VIER LEESSLEUTELS

om deze moeilijke en verwarrende parabel open en toegankelijk te maken

Hoe moeilijker je binnen geraakt in een (schrift)tekst, hoe moeilijker zo’n tekst zich laat ontsluiten, hoe meer lees-sleutels je nodig hebt om er in binnen te geraken, om die tekst met ‘inter-esse’ te kunnen lezen (ik kan er in komen, zeg je dan tenslotte; ik heb het begrepen – terwijl je eigenlijk bedoelt: het heeft me (aan)gegrepen, het heeft mij gepakt…)

Een parabel wordt gebuikt als een *stap opzij *wanneer een gesprek verzandt in een kortsluiting, een ruzie of conflict waar alleen pro of contra, ja en neen de gesprekspartners tenslotte nog verbindt of scheidt. In het evangelie vertelt Jezus zijn voornaamste parabels in een context van ruzie, een strikvraag, een beproeving, een list. Hier, met deze parabel van de ‘onrechtvaardige rentmeester’, bevinden we ons tenvolle in de discussie tussen Jezus en de Farizeeën en schriftgeleerden, bijvoorbeeld over het soort mensen met wie Hij omgaat, aan tafel gaat. En over het feit dat Hij vindt dat het Rijk Gods voor iedereen bedoeld is: inclusief ipv. exclusief – dus ook voor de zogenaamde ‘heidenen’… Een thema dat Lukas en zijn kerkgemeenschap natuurlijk nauw aan het hart ligt, omdat zij precies tot dat uitgebreide ‘doelpubliek’ van het Rijk Gods behoorden en Lukas voor hen zijn evangelie schrijft. Een parabel vertrekt altijd vanuit de (herkenbare) REALITEIT (in de parabool: het éne reële brandpunt): een vader had twee zonen. En de ene, de oudste, blijft braafjes thuis en doet getrouw zijn alledaagse werk, terwijl de andere, de jongste, er op uit trekt om zijn eigen weg te gaan… Ja, zeg je dan als lezer of hoorder: tegen wie zeg je ‘t! Zo gaat dat, we hebben dat ook al meegemaakt of in de krant gelezen. C’est la vie. Zo gaat het nu eenmaal onder de mensen. Wie geleefd heeft, weet daar alles van. Zo ook hier: een rijk man heeft een huisbeheerder aan wie hij roekeloos heel zijn bezit toevertrouwt. En die twee doen dat jarenlang goed met elkaar, zonder enig probleem. Maar ja – het moest er van komen: er komt een aanklacht tegen die huisbeheerder, wegens verspilling van de goederen van zijn heer. Een anonieme aanklacht, die snel door de media en de goegemeente wordt overgenomen. En voilà: ’t spel zit op de wagen… Op dat moment verandert de verteller ineens van spoor, en brengt plotseling een stuk UTOPIE binnen in het verhaal, om een ander licht te laten schijnen op die moeilijke situatie (in de parabool: het andere brandpunt-op-oneindig): de goede vader sluit zich niet op in wrok of in ontgoocheling, maar gaat dag na dag op de uitkijk staan, en ontvangt zijn verloren zoon bij zijn terugkomst met open armen, aanvaardt geen enkele verontschuldiging of enige uitleg over waarom en hoe – hij kust hem, geeft hem een ring, richt een feestmaal aan… Welke vader uit de realiteit zou dit doen, kan dat aan..? Dit is een manier van doen die letterlijk uit een andere wereld komt, van ver, van elders, vanuit het gedroomde Rijk Gods, vanuit God zelf… In onze parabel hier: die huisbeheerder blijft ook na zijn ontslag maar verder de goederen van zijn heer ‘verkwisten’, scheldt schulden kwijt, maakt zich (als rijke) tot vriend van de armen. En de heer van het huis looft en prijst zijn huisbeheerder dan ook nog uitvoerig omwille van deze houding en dit gedrag… Dat plotselinge binnenbrengen van die utopische component in het verhaal werkt vervreemdend: wat daarna gebeurt is verre van vanzelfsprekend, wekt ergernis, verontwaardiging op bij de luisteraars of lezers. Zij worden eerst door de verteller binnengetrokken in het verhaal, geraken mee verwikkeld in het gebeuren van het realistische feitenrelaas, en krijgen dan ineens die parabolische spiegel voorgehouden. Vaak eindigt de parabel namelijk met een open vraag, die de luisteraar of lezer zelf mag beantwoorden: en jij, wat zou jij doen in die situatie? En wat vind je van deze utopische manier van reageren op de vertelde feiten ..? Wat denk je over die goede vader, en over die oudste zoon, over de jongste zoon? En over die ‘heer van het huis’, en over die huisbeheerder, en over die armen die als schuldenaars van zijn kwijtschelding profiteren..? Vandaar dat een parabel wacht op een herkenning, en dat is bijna altijd een uitgestelde herkenning. Aanvankelijk sla je het bijbelboek dicht, of loopt kwaad weg van de verteller: hoe is het godsmogelijk? Hoe naïef, hoe gefantaseerd, hoe onrealistisch is dat nu toch! Er wordt gereageerd met onbegrip, ergernis, onbehagen. Slechts dagen, nachten, weken later ‘valt de frank’ – of valt hij niet… De afkomst, de identiteit, de psychologie van de personages zijn in een parabel bewust niet uitgewerkt, zodat wij ons in elk van de personages kunnen herkennen. Ieder personage is in principe ‘Elcerlyc’, Jan-en-alleman. Wij worden uitgenodigd/uitgedaagd door de verteller om ons in hen te verplaatsen, en te proberen te ‘ver-staan’ – dat betekent letterlijk: ons eigengereide, vanzelfsprekende stand-punt te verlaten en bij de utopische component of zijn vertegenwoordiger in het verhaal te gaan staan… Parabels zijn bij uitstek het (taal)instrument van de profeet – precies omdat een profeet altijd in de weer is met die twee componenten: in zijn handen de krant van de dag en in zijn ogen een vlijmscherpe analyse van de feiten, de realiteit (zie eerste lezing: Amos!) en in zijn hoofd en hart die onmogelijke droom van de Tora en van het Rijk Gods… Soms denken mensen in een betere positie (koning, rechter, priester, oudste zoon, rijke…) iets te gemakkelijk te weten hoe de wereld in elkaar zit. Het onrecht dat ze mee bevorderen ‘zien’ ze zelf niet. Hun geweten is daarbij ook niet aangetast. Daarom moet hen een spiegel voorgehouden worden. Dat is de ’truc’ van een parabel: hun en onze wereld open te trekken. Het speciale bijbels genre van de parabels is een verrassende manier om ‘het Koninkrijk omgekeerd’ te ontdekken en zo je eigen positie duidelijk te krijgen. Parabels zijn blik-openers, parabolische spiegels. Ze bieden een verrassende kijk op het Koninkrijk Gods. Parabels zijn verhalen die iets openbaren van wat in het dagdagelijkse meestal verborgen blijft. Verhalen die als kleine broodkruimels een weg helpen te vinden naar gerechtigheid. Verhalen die ons wakker en warm houden.

Leessleutel 2

Altijd oppassen met de titeltjes boven een schriftpericope! Die getuigen heel vaak van een zeer eenzijdige (vaak zeer moraliserende) lezing van de tekst die zal volgen. Als boven deze parabel in onze Bijbel of in onze homiletische suggesties staat: ‘De onrechtvaardige rentmeester’, dan is die huisbeheerder uiteraard reeds bij voorbaat veroordeeld, natuurlijk, en is de bril waarmee je dit verhaal zult lezen uiteraard reeds zeer subjectief gekleurd… Het is met die titeltjes in de Bijbel zoals met de titels in de krant of de ‘headlines’ waarmee het televisienieuws wordt aangekondigd: ze zijn zo kort, zo flitsend, zo beperkt, dat ze er enkel op uit zijn om ons te doen lezen of kijken naar wat komt – maar onbewust zetten ze reeds de toon voor onze beoordeling van de feiten en mensen die in beeld zullen komen… De meeste hoorders of lezers van deze parabel geloven vanaf de eerste zinnen, of zelfs alleen maar door het titeltje te lezen dat een vrome redacteur daar boven heeft gezet, reeds blindelings in de schuld van die huisbeheerder. Waarom? Vanwaar die lichtgelovigheid?

Leessleutel 3

Ook hier, zoals bijvoorbeeld bij de parabel van de barmhartige samaritaan, is de cruciale vraag niet zozeer: ‘Wàt lees je daar?’, wat wordt er verteld, hoe zit het verhaaltje in mekaar… Maar wel:** ‘Hoe lees je dit?**’ (Lk. 10, 26). Lees je dit bijvoorbeeld als een rijke of veeleer als een arme of partijganger van de armen? Hoor je, lees je deze parabel als een rijke, dan vind je het godgeklaagd en totaal onverantwoord wat hier gebeurt en wat daarover (door de heer van het huis) achteraf gezegd wordt. Maar lees je dit als een arme, dan heb je voortdurend binnenpretjes, en geef je groot applaus op het einde voor die huisbeheerder, omdat hij zo wijs en als een medestander van de armen handelde…

Leessleutel 4

Alles wat in de Schriften gezegd wordt over de huisbeheerder‘ en over de heer van het huis’ – dat is de God van Israël – in casu zijn liefdevolle betrokkenheid bij de misdeelden, is, volgens een correct bijbels inzicht, meteen ook een programma (letterlijk: wat voor(op)geschreven staat) en een agenda (wat te doen staat) voor ons, mensen. Hoe je de parabel van de onrechtvaardige rentmeester ook uitlegt, één ding is zeker: het Eerste Testament en het Tweede, het evangelie, zijn unaniem in hun oordeel dat economie en politiek, dat geld en geldzaken rechtstreeks te maken hebben met spiritualiteit, met het komen van het Rijk Gods, met de dienst aan God (de zogenaamde godsdienst) èn de dienst aan de mensen – met name aan de kleinsten en zwaksten (de zogenaamde mensendienst). Ja, ze hangen zelfs onlosmakelijk samen met en worden finaal genormeerd door Gods liefdevolle voorkeur voor de armen.

Wat aantekeningen, her en der opgeraapt of zelf bedacht…

Er is een aanklacht ingediend tegen de huisbeheerder. Door wie? We komen het niet te weten. Zulke aanklachten zijn haast per definitie anoniem. Het zal alleszins wel geen arme zijn die deze aanklacht bij de heer van het huis heeft ingediend. Het zal hoogstwaarschijnlijk een ander ‘rijk man’ zijn, zo mogen we veronderstellen. Want armen kwamen bij de rijke baas van de huisbeheerder nooit over de vloer – ze kenden alleszins de juiste weg niet om zo’n aanklacht in te dienen, wisten niet van de geijkte procedures, hadden geen relaties of connecties in de wereld van de justitie, en ook niet in de media om aan die aanklacht de nodige ruchtbaarheid te geven. En is dit een terechte aanklacht of niet? Die vraag wordt blijkbaar door niemand gesteld.

De aanklacht luidt kort gezegd, dat die huisbeheerder ‘kwistig’, mild en vrijgevig met het geld en bezit van zijn rijke heer omspringt. De roddel voegt daar gemakkelijk en snel een lettergreep aan toe: ‘kwistig’ wordt ‘verkwistend’ – want dat spreekt aan, zo’n subtiel verdachtmakend en veroordelend trekje in wat je schijnbaar zomaar langs je neus weg vertelt…

Bemerk dat de heer van het huis die aanklacht gehoord heeft – maar zelf niet heeft vastgesteld of onderzocht. Hij heeft het via-via vernomen, ‘uit doorgaans goed ingelichte bron’. En zijn buren en familie bevestigen het, want ze hebben het in de krant gelezen, op televisie gezien. Dus is het waar. Of zal er toch minstens iets van aan zijn…

*Hij verkwistte zijn goederen’… * Wat is in de ogen van de rijken en machtigen in deze wereld ‘geld en goederen verkwisten’? Ontwikkelingshulp? Armoede proberen uit te sluiten? De Tobintaks invoeren? Het leefloon verhogen..? Zorgen dat de energiefactuur kan betaald worden..?

Het ‘kwisten’ is in de ogen van de aanklagers ‘ver-kwisten’ geworden – dat wil zeggen: grondig verkèèrd uitdelen, van het goede veel te veel en dan nog aan de verkeerde personen die er geen recht op hadden. Zomaar weggeven zelfs, zonder berekening, zonder interest. Niet aan de juiste mensen, niet langs de geijkte kanalen, niet in de juiste proporties, niet volgens de algemeen geldende economische en politieke afspraken en conventies, niet één keer per jaar omdat ze op de televisie weer van die graatmagere zwarte kindjes hadden laten zien…

Hij ‘verkwistte’ de goederen van de heer van het huis. Tom Naastepad vertaalt hier: hij ‘verstrooide’ de goederen… Tiens, doet dat ‘verstrooien’ ons ook niet meteen denken aan de zaaier uit die andere gelijkenis die Lukas al eerder heeft verteld in zijn evangelie? (Lk. 8, 4-15) Die ‘verstrooit’ toch ook het zaad over de aarde, en strooit het kwistig in het rond, zonder te kijken waar het precies terecht komt, en zonder zich af te vragen of al dat uitgestrooide zaad wel zeker vruchten zal opleveren.. Ja toch, een zaaier is toch per definitie een ‘verkwister’, die het zaad dat hij in zijn zaaizak heeft rustig her-verdeelt over alle soorten grond.? Omdat hij gelooft dat er toch gegarandeerd zeker een deel in de goede aarde valt (dat is: ‘erets tova’ – klein proefperceeltje Beloofde Land!) Omdat hij ook gelooft in een ander soort ‘groei’ dan die van de politieke, financiële en economische grootmachten van deze wereld: de groei van de graankorrel in het verborgene, al over de opschietende halm en de volle aar, tot in het breken en (herver)delen van het brood toe…

Die aanklagers waren zonder twijfel òòk rijken. Een arme zal het feit dat een econoom-van-een-rijke de goederen van het huis waarover hij het beheer heeft, uitdeelt aan wie niets heeft, natuurlijk nooit aanklagen…

‘Hij werd aangeklaagd als een die de goederen van zijn heer verkwistte…’ (Lk 16,1). Zou dat in Gods ogen per definitie een fout zijn? (en wie zegt dat met die ‘heer van het huis’ niet zondermeer God bedoeld is..?) Is een ‘econoom’ in Gods ogen niet precies iemand die de goederen van de wereld moèt ‘verkwisten’ – bijvoorbeeld door ze uit te delen aan de armen? Precies omdat die goederen aan de heer van het huis, aan God toebehoren – en dus nooit van iemand persoonlijk bezit? Wie heeft in godsnaam het woord ‘eigendom’ in onze samenleving ingevoerd of binnengesmokkeld? In elk geval: dat die huisbeheerder bijvoorbeeld op grote schaal aan herverdeling zou doen van geld en bezit – dàt vinden de rijken, de collega’s en verwanten van die rijke man pas écht nutteloze ‘verkwisting’!

Let wel: het gaat hier om een aanklacht en nu moeten we er voor oppassen dat we die aanklacht niet onmiddellijk bijvallen alsof het al een uitgemaakte zaak is dat die man fout zit. Volgens die aanklacht zou de rentmeester de goederen van zijn Heer ‘verkwisten’. Die vertaling is niet helemaal verkeerd, maar wél klinkt er de afkeuring duidelijk in door. Want dat gaat natuurlijk niet: de goederen van je Heer verkwisten. Daarvoor heeft niemand een rentmeester in dienst. Maar je kunt ook vertalen: ‘verstrooien’ ‘er kwistig mee omspringen’. Dat klinkt al een beetje anders. Niettemin staan de gezichten op zuinig, want het zullen je goederen maar wezen waar zo kwistig mee rondgestrooid wordt!

De reactie van de heer van het huis getuigt van veel mensenkennis, van de ervaring van het normale gedrag dat een ‘bende’ altijd laat zien: tegen een valse aanklacht kan je niets beginnen. Dus: helaas – na al wat over jou verteld is, kan jij geen rentmeester blijven. Je moet stante pede ontslag nemen, om uit de schijnwerpers te verdwijnen en niet nog meer schade te berokkenen… Pilatus zal tegen de joelende meute van ‘het volk’ Jezus niet kunnen redden, zelfs niet met een geseling. De Bijbel is zeer streng voor valse aanklachten en noemt dit ‘doodzonde’, zonde ten dode. Er worden ook altijd meerdere getuigen van het delict opgeroepen, om zeker te zijn dat een aanklacht niet vals is. In die zin is de Bijbel illusieloos: tegen valse aanklachten kan je niets beginnen. Onze media zouden vaker iets van die voorzichtigheid moeten overnemen…

De huisbeheerder wordt op staande voet ontslagen. Zonder serieus onderzoek van de aanklacht, zonder enige vorm van proces, zonder ook maar een kans op verdediging. Zou hij een riante ontslagpremie gekregen hebben van zijn baas? Een stevige gouden handdruk? Was die van te voren in zijn aanwervingscontract opgenomen? En hoeveel zou die dan bedragen?

Wat doet die ontslagen huisbeheerder nu na zijn ontslag? Laten we even onze verbeelding gebruiken. Wat had hij allemaal niet kunnen doen? Het huis van de eigenaar in brand steken. Een aanslag plegen op het huis en bezit van een andere rijke in de buurt, van wie hij vermoedde dat die de aanklacht had ingediend. De bankrekening van zijn baas plunderen nu hij de code nog kende. Of snel, snel de kluis in het bankkantoor leegmaken, nu hij de sleutel nog had (hij moet toch wel alle bankcodes, rekeninguittreksels en wachtwoorden in zijn bezit gehad hebben, vermits de heer des huizes bij zijn aanwerving had gezegd: ‘al het mijne is het uwe…’) Of voorgoed uitwijken naar een ander land en daar een nieuw bestaan proberen uit te bouwen… Maar nee, niets van dit alles! Hij gaat maatregelen nemen om de schuld van de armen te verlichten of als het kan kwijt te schelden – stel je voor!. Misschien had hij in zijn vrije tijd teveel in de Bijbel gelezen? Of tijdens de kerkdienst op zondag nog maar net horen voorlezen uit en preken over Leviticus 25 en Deuteronomium 15, over het sabbatjaar en jubeljaar dat ooit in Israël was ingesteld?

Deze parabel van Lukas over de huisbeheerder die zogenaamd knoeit met het bezit van zijn meester, wordt ineens een stuk inzichtelijker, van zodra men de vraag stelt: wie is het slachtoffer in deze parabel, en hoe ervaart hij die anonieme aanklacht en zijn ontslag dat prompt daarop volgt? In elk geval: de parabel denkt mee met het slachtoffer van de aanklacht. Wat kan hij doen? Bondgenoten zoeken misschien, die hem hun huis zullen aanbieden als hij heel alleen, als zondebok, zonder bestaansmiddelen, zonder eer, eenzaam zal achterblijven.

De ‘middenstander’ of welgestelde burger in ons roept moord en brand omdat die huisbeheerder tot twee keer toe zonder blikken of blozen een schuldbrief vervalst. Maar wat met het feit dat die ‘econoom’ zo vals beschuldigd wordt? Die is pas te beklagen! De meeste vrome lezers luisteren niet langer naar deze parabel, zeker als op die frauduleuze transacties en manipulaties nog het bericht volgt dat de heer van het huis de aanpak van zijn huisbeheerder hoog prijst – Magnificat! Is die heer dan helemaal op zijn kop gevallen? Ja, onze God is anders dan wij Hem indenken. Dit is alvast één boodschap van deze parabel.

Sinds die al of niet terechte aanklacht wordt de naam van de huisbeheerder niet meer onbevooroordeeld gehoord of uitgesproken. De media hebben bij het vernemen van de aanklacht (het ‘lek’ is uiteraard goed georganiseerd) direct hun werk gedaan en hebben Jan en alleman bestookt met beschuldigingen, insinuaties, getuigenissen… Wij herkennen dit als lezers van het evangelie zeer goed. Want vanaf zijn openbaar leven was dit ook het lot van Jezus van Nazareth tot op het einde: de moord op een onschuldig slachtoffer dat als zondebok voor de goegemeente moest dienen…

Bemerk dat Lukas deze parabel in zijn evangelie plaatst, onmiddellijk na de mededeling van de goede vader aan zijn oudste zoon waarom hij niet ‘in zijn huis’, het ‘huis van de heer’ wil zijn. Want ‘al het mijne is toch van jou.?’ (Lk. 15,32) Waarom wil je dan als oudste zoon mijn goede huisbeheerder niet zijn..?

‘Wijs’ is het in deze materie van niet meer alleen te wedden op geld en goederen, maar op relaties, niet meer op fortuin maar op vrienden. Een rabbijnse uitspraak zegt: ‘De rijken helpen de armen in deze wereld, maar de armen helpen de rijken in de komende wereld.’ Nu hij zijn broodwinning dreigt te verliezen, gaat de huisbeheerder opeens ‘netwerken’, investeren in mènsen ‘opdat’, zoals hij bij zichzelf zegt, ‘ik na mijn ontslag als huisbeheerder onderdak vind…’ Daar prijst de heer van het huis hem om, dat hij uiteindelijk toch de meest wijze partij kiest: tegen het geld en de macht, en vóór mensen, tegen het materiële en voor het menselijke. En daarom zegt Jezus in zijn commentaar op de parabel die hij zojuist vertelde – en deze woorden zijn ook tot ons gericht: ‘Maak u vrienden door middel van de onrechtvaardige mammon, opdat zij – wanneer die u komt te ontvallen – u opnemen in de eeuwige tenten.’ Met andere woorden: gebruik je geld, je talenten en je tijd zo dat je vrienden maakt die je opnemen in de ‘eeuwige tenten’. Het zal duidelijk zijn dat met die tenten niet alleen een tijdelijk onderdak, maar vooral onze uiteindelijke bestemming bedoeld wordt. Omkoperij dus, vriendjespolitiek, jezelf de hemel in kopen? Nee, gerechtigheid doen en dààrdoor gered worden. Een interessante vraag is hierbij natuurlijk: wie zijn dan wel die vrienden die ons kunnen opnemen in de ‘eeuwige tenten’? Welke mensen moeten we te vriend houden om ons leven te redden? Daarover laat het evangelie ons niet in het ongewisse. Want niet Petrus zit aan de hemelpoort, zoals de vrome legende ons wil doen geloven of zoals we elkaar in moppen vertellen, maar een selectie uit het welbekende gezelschap van Matteus’ hoofdstuk 25 fungeert er als toelatingscommissie: de hongerigen en de dorstigen, de naakten en de gevangenen, de zieken en de gebrekkigen. Zij zijn het, die beslissen over onze toelating tot de ‘eeuwige tenten’…

Schulden kwijtschelden in het groot en in het klein, armoede halveren: dàt is gelovige slimheid en wijsheid! Kijk maar eens hoe de kinderen van het duister een aantal moeilijke en ingewikkelde vraagstukken aanpakken en oplossen: geld beleggen, aandelen kopen en verkopen, investeren in vastgoed, creatief boekhouden, belasting ontduiken enz… Als goochelaars weten ze overal munt uit te slaan, hun winsten exponentieel te laten groeien. Als wij als gelovigen zo slim waren… De heer van het huis wil dat wij al onze talenten inzetten om dat Rijk Gods, waar Hij van droomt, van de grond te krijgen. Hij wil dat wij slim zijn, behendig worden om recht en vrede voor iedereen bereikbaar te maken. Veel gelegenheid om achterover te leunen wordt ons door het evangelie niet geboden. Geloven is geen slaapmiddel, maar een uitdaging, een werkwoord…

We lezen hier misschien wel Jezus’ meest verwarrende parabel. Die is spoedig verteld: een man wordt door zijn bedrieglijke praktijken bij zijn heer aangeklaagd wegens kwade trouw. Hij kan makkelijk nagaan dat zijn heer hem na een onderzoek van de stand van zaken de laan uit zal sturen; in deze situatie ziet de rentmeester nog maar één uitkomst: de vlucht naar voren! Hij laat de schuldenaars van zijn heer komen en biedt hen een zeer royale verlaging van schulden aan, doordat hij de te betalen rekeningen gewoonweg gunstiger voor hen laat overschrijven. Al dit creatieve boekhouden is gebaseerd op zijn eigenlijke berekening: de schuldenaars zullen hem, als hij bij zijn heer in ongenade gevallen is, nog dankbaar zijn voor zijn late genade! Hij zal nog precies op tijd ‘goede’ vrienden met hen worden! Het is zijn laatste mogelijkheid, dat is duidelijk voor hem; en des te minder scrupuleus gebruikt hij haar… Men ziet: Jezus geeft hier een bedriegerskomedie ten beste! En zelfs een oplichtersverhaal als parabel…

Weliswaar is een dergelijke handelswijze strijdig met het principe van gerechtigheid! Doordat de rentmeester de schulden van de anderen vermindert, benadeelt hij zijn heer voor de tweede keer. Maar dit ‘bezwaar’ geldt alleen zolang men zich de ‘heer’ van de huisbeheerder voorstelt als een gewone werkgever. Het ligt daarentegen heel anders als men zich afvraagt hoe *God *tegenover zo’n gedrag staat. Jezus eindigt dit verhaal met: ‘De heer prees de gewiekste aanpak van de onrechtvaardige rentmeester.’ God ondervindt er blijkbaar geen nadeel van, als mensen leren elke schuldeis tegenover elkaar te laten varen. Integendeel, dit soort nieuwe ‘wijsheid’ is de enige wijsheid die Hij nastreeft. Zo ziet Jezus het tenminste…

Dit evangelie wordt meestal de parabel van de ‘onrechtvaardige rentmeester’ genoemd. Ik geloof echter niet dat de tekst daar over gaat. Ten eerste spreekt de tekst wel over de ‘onrechtvaardige mammon’ ‘Lk. 16,11) en over de ‘rentmeester van de onrechtvaardigheid’ (Lk. 16,9), maar de tekst zegt nu juist niet wat onze titel al eeuwenlang suggereert. Want, ten tweede, het gaat helemaal niet om het zogenaamde onrecht dat door een rentmeester-dienaar aan zijn heer wordt gedaan, maar veeleer om het recht dat eindelijk dankzij hem aan arme boerenfamilies die bij de heer in de schuld staan, geschiedt. En zo, ten derde, ben ik er voor om deze rentmeester op één lijn te stellen, ja als vervulling te zien van Jezus’ antwoord aan Petrus enkele hoofdstukken eerder: ‘Wie is dan de betrouwbare en verstandige rentmeester, die de heer over zijn knechten zal aanstellen om op hun tijd de maat tarwe te geven die hen toekomt? Gelukkig de dienaar die zijn heer bij zijn komst zó doende vindt…’ (Lk. 12, 42-43)

Als dat eens waar was, dat arme kinderen in de wereld niet langer op vuilnishopen hun kostje bij elkaar hoefden te scharrelen. Als dat eens waar was, dat allen die ten einde raad zijn vanwege hun schulden, uitzicht werd geboden op een nieuw begin. Misschien denkt u: wat kan ik daaraan doen? Ik zit niet in commissies die daarover gaan. Nee, maar hoevelen van ons zitten niet in een of andere commissie of een bestuur, kleinschaliger en dichter bij huis, al is het maar de leerlingenraad van een school, het bestuur van een sportvereniging of de bewonerscommissie van een tehuis. Welke ziel, welke geestelijke achtergrond brengen we daar binnen? Door welke idealen laten we ons daarbij leiden? Stellen we daar de belangen van de mensen hoger dan de belangen van het geld? Durven we ons, wanneer er beslissingen genomen moeten worden die betrekking hebben op het al of niet erbij horen van zwakken en vreemdelingen, dan te laten leiden door wat we vandaag hoorden van Amos, van Mozes en van Jezus van Nazaret? We mogen elkaar toewensen dat we in die posities altijd, gedreven door de Geest van God, een taal van hoop, van recht en vrede spreken.

Op een cruciaal crisismoment beslist de rentmeester radicaal van handelwijze te veranderen. Het geld dat hem was toevertrouwd gaat hij op dat moment niet meer aanwenden zoals een hebberige eigenaar spontaan doet - geld bijwinnen, kleintjes laten krijgen, van de geldmacht gebruik maken om interest en commissieloon te eisen - maar hij gaat het gebruiken als een middel om zijn menselijke verhoudingen te verbeteren. Een echte bekering dus. Een relatie van macht, woeker en oneerlijke winst, buigt hij om tot een vriendschapsrelatie gebaseerd op strikte rechtvaardigheid.

Er zijn geen meer verontrustende verhalen dan de parabels van Jezus. Wie oren heeft, die hore. En wie het schoentje past, die trekke het aan…

Als iemand nu eens de moed had om voor het aangedane kwaad geen vergelding meer te vragen. Als iemand nu eens de moed had om de schulden van mensen en van landen onvoorwaardelijk te schrappen. Als iemand nu eens de moed had om vertrouwen te geven aan wie op het eerste gezicht niet zomaar te vertrouwen is, om te luisteren naar wie het niet goed kan zeggen, om te kijken naar wie altijd over het hoofd wordt gezien. Is het naïef? Misschien. Maar zeg eens: is er nog een andere weg dan deze naïviteit om de spiraal van honger, onrecht en geweld te doorbreken? Als wij nu eens de moed hadden… Eén stap is genoeg om het leven te doen openbreken tot één groot feest.

*naar C. Desoete *

samenstelling: geert dedecker

Zoeken in Preken Online