De ongerechte rentmeester (2010)

C-cyclus · Tijd door het jaar · 25e zondag · groen

* De parabel van de ongerechte rentmeester wekt toch enige verbazing. Hoe kan de (H)eer het sluwe beraad prijzen van iemand die onrechtmatig gehandeld heeft ? De klemtoon ligt wel op de pointe dat de man met overleg had gehandeld. Maar dit vernuftig overleg kan je toch niet zomaar losweken van zijn onverantwoord beleid waarmee het is bevlekt. Is dat evangelische boodschap ?

* Die parabel moeten we hertalen vanuit de oosterse achtergrond waarin hij verteld werd, en ook vanuit de precieze Griekse tekst waarin hij naar ons toegekomen is (J.M.F. Van Reeth, Een dading met de naaste. Over het wijze beleid van een ongerechte rentmeester, Communio Nr 5 - 2009).

1. Laten we even de parabel trouw navertellen, maar in termen van onze tijd.

Een kapitaalkrachtig man beheert een holding. Een bank van hem is toevertrouwd aan een bankier die bij ondernemers overgeïnvesteerd heeft. Heel het vermogen van zijn bank verdeelde hij in deelkapitalen zonder de nodige reserves aan te leggen. Wanneer nu een aantal beleggers hun deposito terug vragen, kan hij aan hun vraag niet onmiddellijk voldoen. De bank wordt met faling bedreigd. De schuldeisers gaan nu klagen bij de grote baas van de investeringsbank, die aanstonds het neerleggen van de boeken eist. Tussen dit afgeven van de boekhouding en de uitspraak van het faillissement verloopt nog enige tijd, die de slimme bankier weet te gebruiken om intussen te komen tot een gerechtelijk akkoord. Dit betekent: tot een herschikking van de schuld. Hij probeert schuldenaars en schuldeisers met elkaar te verzoenen. Mocht hij mislukken, dan hoopt hij in dienst te mogen gaan in een van hun bedrijven. Hij roept de schuldenaars aan wie hij zoveel uitgeleend heeft bij zich. Sommigen lossen aanstonds hun schulden af mits een toegestane schuldenverlaging. De kwijtschelding verschilt al naar gelang van hun financiële draagkracht. Zo komt geld vrij waardoor ondanks een financiële aderlating voor de bank, de schuldeisers kunnen worden vergoed en waardoor de bank van faling wordt gered. Echt onrechtvaardig was zulke handelwijze niet, maar ze was niet volgens de gangbare regels van het spel. Daarom spreekt men eerder van de ‘ongerechte rentmeester’ of bankier (Gr. ‘adikos’, eerste betekenis) dan van de ‘onrechtvaardige rentmeester’. Wanneer nu die bankier verslag gaat uitbrengen bij zijn grote baas, prijst deze hem om zijn vernuftig beleid, daar hij op die wijze de bank voor faling heeft behoed. Wat wij vandaag vertellen onder vorm van financiën was in die tijd een zaak van leveren in natura.

***2.***Kunnen wij dit verhaal zijn plaats geven in Jezus’ evangelie ?

  • Allen zijn we afgedaald in een zondige wereld. De ideale rechtvaardigheid is niet van hier. We leven naast het schathuis van de Mamon, beeld van rijkdom en winst. Onopvallend besmet zijn giftgeur ook onze woning. Zo lopen de schulden van de ene vast op de schulden van de andere, ook van mij: beeld van wat we gewoon de erfzonde noemen, onze solidariteit in zonde en schuld. Onze moraal wil daarom een betrokkenheid van wederzijdse kwijtschelding. Het evangelie steunt vergeving, verzoening, minnelijke schikking. In die zin lezen we elders nog: “Haast u het eens te worden met uw tegenpartij, zolang ge nog met hem onderweg (in onderhandeling) zijt; anders zou uw tegenpartij u wel eens aan de rechter kunnen overleveren… die u in de gevangenis zal werpen tot wanneer ge de laatste penning zult hebben betaald” (Mt 5,25-26). Juist in die geest van mild overleg, die ook de woestijnbewoners van Qumrân deelden, kwam Jezus nu in aanvaring met de rechtlijnigheid van farizeeën, die meedogenloos alle dading afketsten om genadeloos alle schuld onverminderd op te eisen, “belust op geld als ze waren” (Lc 16,14). De parabel lijkt een bezinning op wijsheidspsalm 36/37, 21: “De boze leent en geeft niets terug; de rechtvaardige is vrijgevig en barmhartig”. Lucas is de evangelist van Gods barmhartigheid. De opdracht “Wees barmhartig zoals uw hemelde Vader barmhartig is” (Lc 6,36) draait hij om in Jezus’ bede: “Vergeef ons onze zonden want ook wij vergeven aan ieder die ons iets schuldig is”. Uiteindelijk kunnen mensen elkaars schulden nooit ten volle vergeven. De schuldenlast komt ten slotte bij de Heer terecht, de grote Baas van de holding. De menselijke bankier vraagt Hem kwijtschelding op grond van de kwijtschelding die hij aan zijn debiteurs verleende. God is de ultieme haven van barmhartigheid.

  • Maar er is meer. Indien die ongerechte bankier zich bevindt bij de kinderen van de duisternis, dan moeten de kinderen van het licht op een hoger niveau zijn heilzame list toepassen door in liefde hun geld te besteden ten goede van anderen. De christen weet hoe de geldhonger het hart van de mens versteent. Hij kent de vele duistere ruzies omwille van het geld, de eindeloze twisten tussen families om erfenissen, die verzanden in processen en in een blijvende haat die geen barmhartigheid kent. Maar als arme van Jahweh weet hij zich solidair. Hij is mild en deelt met hen die niets bezitten of met hen van wie het leven door rampen is verwoest. Hij vertrouwt op God die het laatste woord zal uitspreken over hem en de anderen. Daarom wordt hij zalig geprezen: Zalig de armen want hun behoort het Rijk der hemelen. (Mt 5,3; Lc 6,20). Met die anderen wordt hij opgenomen in Gods eeuwige tenten. Hij zoekt immers zijn schat in de hemel, waar geen worm die opvreet en geen dief komt om te stelen. Waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn (Mt 6,19-21).

Zoeken in Preken Online