23ste zondag C (2007)

C-cyclus · Tijd door het jaar · 23e zondag · groen

OPENINGSWOORD

Broeders en zusters, wij, mensen, trekken vaker onze eigen plannetjes. Buitenstaanders kunnen ze niet altijd begrijpen. Soms komt dat later, wanneer ze zijn uitgevoerd. Soms worden wij door andere mensen niet begrepen. Soms begrijpen wij van onszelf niet waarom wij iets hebben gezegd of gedaan.

Als onze menselijke plannen soms al zo onbegrijpelijk zijn, hoeveel te meer geldt dit dan niet voor Gods plannen. Gods mogelijkheden zijn oneindig veel groter dan die van ons. God kan vooruitzien. Zien hoe iets zal aflopen. Hij voorziet allerlei moeilijkheden, problemen, soms ook grote strijd. Maar Hij weet al van te voren of iets wel of niet goed zal aflopen. God begint soms aan bepaalde dingen waarvan wij zouden zeggen: Daar ga je toch niet aan beginnen. Maar God weet zal verlopen.

Het is heel belangrijk dat wij ons toevertrouwen aan de goddelijke voorzienigheid, de wijsheid van God. Hij weet, dat wij soms heel moeilijke wegen moeten gaan, maar Hij weet ook dat het goed zal aflopen … àls wij ons maar aan Hem durven toevertrouwen.

Wijden wij onszelf en alles wat ons dierbaar is aan God toe. Hij is een goede bankier. Niemand kan ons leven zo goed beleggen als Hij. Hij weet winst te maken uit goed èn kwaad.

Voor de keren dat wij niet op Hem hebben vertrouwd, vragen wij samen om vergeving.

Laat ons bidden. Heer onze God, wie van ons kan uw plan doorgronden, wie ontdekken wat Gij wilt, als wij, gejaagd door het leven, geen stilte meer vinden, geen tijd voor bezinning. Breng Gij ons tot rust. Zend ons uw Geest van wijsheid die inzicht geeft en ons leert rechte wegen te gaan; maak ons tot volgelingen van Jezus, uw Zoon. Die met U leeft en heerst … . Amen.\

KINDERWOORDDIENST

PREEK

Het lijken harde woorden, wat Jezus in het evangelie zegt. Je moet je familie haten, ook je eigen leven. Je moet je kruis dragen. Doe je dat alles niet, dan kun je niet een leerling van Jezus zijn. Dan komt er nog een strenge aansporing in tweevoud: bezint, eer ge begint. Ga niet een toren bouwen voordat je zeker weet dat je hem kunt afmaken. Anders ga je af. Ga niet met een klein legertje optrekken tegen een groot leger. Willen jullie mijn leerlingen zijn, zo besluit Jezus, dan moeten jullie je losmaken van al wat jullie bezitten.

Het is inderdaad een enorme opdracht, die Jezus ons vandaag geeft. Maar ik hoop, dat wij er allemaal van overtuigd zijn, dat Jezus Christus - en ook zijn en onze Vader en de heilige Geest - altijd het beste met ons voorhebben. Zoals ouders weleens heel ernstige gesprekken met hun kinderen hebben over bijvoorbeeld het gebruik van drank en drugs, zo heeft God nu een ernstig gesprek met ons over de mensen en de dingen van deze wereld met het oog op ons eeuwig leven. Als je drugs gebruikt of te veel drank, schaad je je leven en misschien ook je medemensen. Als je niet goed omgaat met de mensen en de dingen van deze wereld, beschadig je je eigen leven en soms ook het leven van mensen met wie je omgaat.

Jezus drukt zich graag duidelijk uit: Wie niet voor Mij is, is tegen Mij. Waart gij maar koud of heet, maar gij zijt lauw en daarom spuw Ik u uit. En vandaag dus de uitspraak: Als je je eigen leven niet haat, kun je mijn leerling niet zijn. Jezus wil dat er geen gebrek aan duidelijkheid is. Geen miscommunicatie. Als wij ondanks zijn heldere taal gewoon doorgaan op de oude manier, kunnen wij Hem later, bij de hemelpoort, geen verwijten maken. Aan Hem zal het niet liggen.

Het gaat in de eerste lezing om de vraag wat wijsheid is. Is het wijs om heel je geluk te laten afhangen van je familie en je medemensen? Mensen stellen ons weleens teleur. Soms kùnnen wij een ander ook niet helpen. En … mensen gaan allemaal een keer dood. Laat je je geluk van hen afhangen, dan verdampt je geluk op het moment dat zij komen te overlijden.

Is het wijs je geluk te laten afhangen van je eigen leven, je eigen gezondheid? Zolang wij gezond zijn is het heerlijk om een lichaam te hebben, maar als eenmaal de gebreken komen - en bij sommige mensen komen ze in rap tempo - dan is lijden een last.

Wij kunnen op gegeven moment 70 of 80 jaar oud zijn en ons nog steeds jong van hart voelen, maar ons lichaam is een beperking voor onze geest. Wij kunnen niet meer doen wat wij zouden willen doen.

En … wij zijn zo klein! Wij hebben al zoveel moeite om de dingen van deze wereld ten volle begrijpen. Laat staan - zegt hetzelfde Boek Wijsheid - dat wij de dingen van God en de hemel kunnen begrijpen. Wij weten er wel iets van, maar het meeste blijft voor ons - voorlopig - verborgen.

Wat is wijsheid? Wijsheid is dat wij met de mensen en de dingen van het leven omgaan, maar … losjes, niet krampachtig. Je ziet weleens van die kinderen, die een beetje jongleren met hun bal, van de ene hand in de andere, maar in feite het oog gericht houden op iets anders. Zo moeten ook wij doen. Omgaan met mensen en dingen, maar als ze ons plotseling worden afgenomen, zouden wij ons niet uit veld geslagen moeten voelen, want waar wij ons oog steeds op gericht houden, dat is er nog altijd. Het allerbelangrijkste is ons niet afgenomen. Wij staan als op een rots. Wij wankelen niet.

Het is als met een treinreis. Je kijkt onderweg naar van alles. Je praat erover. Je geniet ervan. Maar de trein blijft doorrijden … naar de eindbestemming. En Jezus wil niet dat wij onderweg uitstappen, dat wij bij mensen of dingen blijven stilstaan, want alles en iedereen gaat voorbij.

Paulus over wie de tweede lezing gaat is zo’n mens, die losjes met de mensen en de dingen omgaat. Dat was voor hem misschien ook een kwestie van groeien, van vallen en opstaan, maar het lukt hem nu heel goed. Hij zit in de gevangenis. En hij weet er een grandioze tijd van te maken. Niet vanwege aardse pleziertjes, want die heeft hij daar niet, maar hij bood zijn gevangenschap aan God aan en God maakte er een vruchtbare tijd van. In of vanuit de gevangenis heeft Paulus Onesimus gewonnen voor Jezus Christus en zijn Koninkrijk. Paulus weet, dat je al het kwade dat je overkomt vruchtbaar kunt maken, ten goede kunt keren, door er een offer van te maken. Als je het kwade aan God opoffert, kan Hij er iets goeds van maken. Paulus is blij met zijn nieuwe vriend en hij beveelt hem bij zijn geloofsgenoten aan: jullie, zegt Paulus, moeten hem nu ook aanvaarden, nu niet meer als slaaf, maar als een geliefde broeder.

Beste medegelovigen, veel dingen die in ons leven en in de wereld gebeuren vallen ons zwaar, maar alles heeft een betekenis, een doel. Het kan zelfs een hoger doel dienen op voorwaarde, dat wij de regie aan God overlaten. Proberen wij altijd en overal er het beste van te maken. Met Gods hulp kan alles heel mooi worden.\

SLOTWOORD

Een houthakker kreeg van zijn kasteelheer de opdracht een prachtige oude steeneik te vellen. De man woonde al jaren alleen en de bomen en de dieren waren zijn vrienden. Hij hield vooral van deze boom. Vaak zat hij juist in de schaduw van deze steeneik te rusten. Het was alsof hij de boom begreep en zijn taal kon verstaan.

Het deed hem dan ook veel verdriet dat zijn heer hem juist deze opdracht gaf. Maar zijn meester had aan een vriend beloofd om te zorgen voor oude eiken balken, die deze nodig had voor zijn landhuis. De houthakker had daarom geen keus en ging aan het werk. Hij sleep zijn bijl en legde hem aan de stam van de oude eik. Iedere slag deed ook hem pijn. Lang bleef de eik nog roerloos staan, maar op den duur begon hij onder de bijlslagen te zwichten. Tenslotte viel de eik met een geweldige dreun ter aarde. Door de enorme klap sloeg hij een breed gat in de grond. Toen de houthakker ontdaan voor zich uit staarde zag hij plotseling iets schemeren tussen de wortels van de eik. Met zijn bijl schraapte hij wat grond weg, totdat langzaam het deksel van een oude kist tevoorschijn kwam. De houthakker wrikte hem open en tot zijn grote verbazing zat de kist boordevol met gouden dukaten.

Eerst verstijfde hij van schrik, maar later beving hem een koorts, een razernij. Hij was rijk. Hij kon gaan en staan waar hij wilde. Met beide handen graaide hij in het goud en liet het over zijn hoofd langs zijn hemd omlaag glijden over zijn bezwete lichaam. Heerlijk voelde dat koele geld. Hij stopte er zijn zakken mee vol en trok ook zijn sokken uit om ze met goud te vullen. Toen danste hij rond en riep: `Ik ben rijk!’

Maar opeens hoorde hij gekraak in het bos. Zou hij worden bespied? Dat zou het einde zijn van zijn geluk. Woedend greep hij zijn bijl en deed een stap naar de plek waar hij het gekraak vandaan kwam. Een hert keek hem dodelijk verschrikt aan en verdween met een sprong tussen de struiken.

De houthakker was ontnuchterd. Hij besefte wat er met hem gebeurd was. Hij, de vriend van alle dieren in het bos, stond op het punt een hert te lijf te gaan. Hij zocht het goud bij elkaar tot de laatste munt en stopte alles terug in de kist. Hij deed het deksel er weer op en dekte de schat met aarde toe. Daar lag hij weer, zoals hij daar al eeuwen had gelegen. Alsof er niets van waarde te vinden was.

Zoeken in Preken Online