23e zondag door het jaar C

C-cyclus · Tijd door het jaar · 23e zondag · groen

HOMILIE BIJ DE 23° ZONDAG DOOR HET JAAR – C

Abdij van Male – zondag 8 september 2013

Lezingen uit de Schrift: Wijsheid 9, 13-18b

Brief van Paulus aan Filemon: 9b-10 en 12-17

Lucas 14, 25-33

Commentaar bij het stuk uit het evangelie dat iedereen maar al te goed begrijpt…

‘…Want wie van jullie die een toren wil bouwen gaat niet eerst de kosten berekenen, om te zien of hij wel genoeg heeft voor de bouw? Als hij het fundament gelegd heeft maar de bouw niet kan voltooien, zal iedereen die dat ziet hem uitlachen en zeggen: “Die man begon te bouwen, maar het karwei afmaken kon hij niet.” En welke koning die erop uittrekt om met een andere koning oorlog te voeren, zal niet eerst bij zichzelf te rade gaan of hij wel met tienduizend man kan optrekken tegen iemand die met twintigduizend man tegen hem oprukt? Als hij dat niet kan, stuurt hij eerst, wanneer de troepen nog ver van elkaar verwijderd zijn, een gezant om naar de voorwaarden voor vrede te vragen…’ (Lc. 14, 28-32)

Dit stuk uit het evangelie van vandaag verstaat iedereen onmiddellijk. Een eigenaar van een stuk grond in de stad die daar een torengebouw wil op zetten, zal vanzelfsprekend eerst zijn begroting opmaken. Al wie daar aan begint, aan een huis, een appartement, een nieuwe parochiezaal… zal doen wat Jezus hier zegt: aan zijn bureau gaan zitten en cijferen: wat gaat mij dat kosten, hoe groot is mijn budget, aan wie vertrouw ik de ruwbouw toe, wie gaat de electriciteit installeren, welk soort verwarming is het meest verantwoord qua kostprijs en rendement enz… Honderden vraagstukken die om een oplossing vragen – tientallen keren herbeginnen – bijsturen, afspraken maken, overleggen aan alle kanten…

(Wel eigenaardig: Jezus van Nazareth, waarvan men zegt dat Hij geen steen had om Zijn hoofd op te leggen; een Man die nooit cijferde maar altijd zichzelf wegcijferde; die beter kon ver-tellen dan tellen… Hij begreep toch maar al te goed met welke materiële en financiële kopzorgen een kandidaat-bouwer te maken had. Nu ja, hij was wel de zoon van een timmerman, natuurlijk…)

In elk geval: bij deze woorden van Jezus uit het evangelie van vandaag knikken wij meteen en zeggen: Die Jezus was toch een wijs en realistisch man – die begrijpt ons…

En wat dat tweede voorbeeld betreft, over een koning die een oorlog wil voeren met een andere koning: dat verstaan we ook maar al te goed. Het volstaat van te horen en te zien wat Obama aan het doen is met zijn plan om Syrië mores te leren: eerst overleg plegen, zoveel mogelijk, op alle vlakken. Het Congres proberen te overtuigen, bondgenoten zoeken, strategische en miltair-technische overwegingen maken enz… Zoveel, dat het op de duur de vraag is of het er nog wel van komt…

In elk geval: zoveel is duidelijk: GOED OVERLEG IS NOODZAKELIJK BIJ ALLE KEUZES DIE JE MOET MAKEN, EN BIJ ALLE GROTE ONDERNEMINGEN DIE JE PLANT – DOE JE DAT NIET, DAN IS DE MISLUKKING AL VAN TE VOREN GEGARANDEERD…

Maar als je volgeling van Jezus wil zijn; als je mee Zijn tocht naar Jeruzalem wil maken, achter Hem aan; als je mee zijn Exodus en Zijn pascha wil voltrekken, Zijn doorgang en overgang van dood naar leven; als je mee met Hem wil werken aan het gedroomde Rijk Gods, waar niet meer ‘ivoren-torensgewijze’ wordt gebouwd en geleefd en waar geen oorlogen meer worden beraamd of op mogelijke wraakacties wordt gespeculeerd…

Met wie overleg je dan? Wie zijn interessante en belangrijke gesprekspartners?

Omtrent welke levensbelangrijke vragen moet je dan met die anderen gaan samenzitten?

Welke toekomst-plannen maak je dan?

Hoe zit het dan met je begroting en je budget?

Hoe liggen de machtsverhoudingen dan?

Enzovoort…

Mag ik zo vrij zijn hierbij twee stukken uit het krantennieuws van deze week even te citeren:

Villa, zwembad, sauna en 2,5 miljoen bloemen: veel luxe tijdens G20-top

Peter de Waard (Volkskrant.nl) – 5 september 2013

Iedere wereldleider heeft zijn eigen vijf kamers tellende villa met zwembad, sauna en sportzaal. Aan luxe ontbreekt het niet tijdens de G20-top die vandaag en morgen plaatsvindt in het Russische St.-Petersburg. En van demonstraties zal geen leider iets merken.

De achtste top van de G20 na de escalatie van de kredietcrisis wordt gehouden in het volkomen afgesloten Constatine Paleis, twintig kilometer buiten St.-Petersburg. Alle deelnemers worden per speedboot hiernaartoe gebracht. Betogers die luidkeels hun bezwaren willen uiten tegen bijvoorbeeld de oorlog in Syrië of de beperking van de homorechten in Rusland, zullen niet in de buurt van het paleis kunnen komen. Maar liefst 50 ton aan voedsel en drank is er alleen al voor de aanwezige journalisten opgeslagen.

Wereldleiders isoleren zich steeds meer Vorig jaar vond de G20-top in Los Cabos plaats, op het uiterste zuidpuntje van Baja California in Mexico, eveneens een tamelijk ontoegankelijke oord. Het optreden van antiglobalisten heeft ertoe geleid dat de wereldleiders zich steeds meer isoleren van de buitenwereld voor hun jaarlijkse onderonsjes. Ze hebben meestal alleen nog uitzicht op de oceanen of zeeën. Bewoners in Strelna, waar het paleis ligt, leven al wekenlang in een soort oorlogsgebied, gezien de militaire aanwezigheid en het aantal wegversperringen.

Paleis is helemaal gerenoveerd De plek waar de top wordt gehouden, is niet onomstreden. Het zomerpaleis, dat al in opdracht van Peter de Grote (1672-1725) werd gebouwd en later door Catherina de Grote werd voltooid, was na de revolutie een museum. Maar nu heeft Poetin er weer een presidentieel paleis van gemaakt. IIn 2006 kwamen de leiders van de G8 hier al een keer bij elkaar, maar dat heeft de Russen er niet van weerhouden voor deze top een compleet nieuw ameublement te laten maken van de duurste houtsoorten ter wereld.

Ook zijn voor deze gelegenheid rond het paleis 2,5 miljoen bloemen, 1.600 bomen en 30 duizend struiken in bloei ‘gebracht’. Het vliegveld van St.-Petersburg is twee dagen volledig afgesloten, zodat alle wereldleiders veilig kunnen reizen.

Al meer dan 2 miljoen Syrische vluchtelingen

Dominique Fiers – DeRedactie.be – 5 september 2013

Het aantal Syriërs dat zijn land ontvlucht is voor de oorlog die het land nu al bijna 2,5 jaar in de greep houdt, heeft de kaap van de 2 miljoen overschreden. Volgens het VN-Vluchtelingenagentschap steken dagelijks gemiddeld bijna 5.000 Syriërs de grens over. Behalve de kleren die ze aanhebben, hebben ze alles achtergelaten.

Volgens de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen van de VN, Antonio Guterres, bedroeg het aantal vluchtelingen exact een jaar geleden nog 230.671. De laatste twaalf maanden alleen al kwamen er bijna 1,8 miljoen bij. Het is een duidelijk en tragisch teken, aldus Guterres, dat de burgeroorlog nog lang niet voorbij is.

“Syrië is de grote tragedie van deze eeuw, een ontaarde humanitaire ramp met leed en volksverhuizingen die in de recente geschiedenis zijn gelijke niet kent. De enige troost is de menselijkheid en broederlijkheid waarmee de buurlanden zoveel vluchtelingen opnemen en zo ook hun leven redden.”

“Wereld neemt risico’s”

Maar de Amerikaanse actrice Angelina Jolie, die speciaal gezant voor de vluchtelingen is, wees erop dat ook de buurlanden van Syrië de situatie niet veel langer de baas zullen kunnen.

“De wereld neemt risico’s door haar gevaarlijke, zelfvoldane houding tegenover de humanitaire ramp in Syrië”, aldus Jolie. “Als de situatie in dit tempo blijft verergeren, dan zal het vluchtelingenaantal nog stijgen en dan zullen de buurlanden op hun beurt ineenstorten.” Nog volgens de actrice is de wereld “tragisch verdeeld over de manier om het conflict op te lossen”. “Maar er zou geen enkele onenigheid mogen bestaan over de nood om het menselijk leed te lenigen, noch enige twijfel over de verantwoordelijkheid van de wereld om er iets aan te doen.”

Twee miljoen mensen op de vlucht

Het aantal van twee miljoen is berekend op basis van het aantal geregistreerde vluchtelingen in buitenlandse kampen. Het werkelijke aantal is vermoedelijk nog hoger.

Eind augustus waren er in de Egyptische kampen 110.000 vluchtelingen geregistreerd. Voor Irak zijn het er 168.000, Jordanië ving 515.000 Syriërs op, Libanon 716.000 en Turkije 416.000.

Meer dan de helft, 52 procent, van de vluchtelingen, is jonger dan 17 jaar. De VN maakte eerder bekend dat meer dan een miljoen Syrische kinderen op de vlucht zijn.

In Syrië zelf zijn nog eens 4,25 miljoen mensen op de vlucht. Voor de start van het Syrische conflict woonden er in het land ruim 13 miljoen mensen.

Het volstaat van deze twee krantenberichten gewoon naast elkaar te leggen, en alles wordt meteen duidelijk:

Uiteraard is een overleg als de G-20 hoogstbelangrijk, en een goeie begroting en kostenraming opmaken vooraleer je een toren bouwt of ten oorlog trekt, is dat al evenzeer.

Maar wie wordt bij dat overleg betrokken?

Waar spreekt men dan over bij dat overleg?

In welke betrokkenheid met de slachtoffers van de geplande ‘torenbouw’ (we moeten de ‘groei’ van onze wereldeconomie bestendigen – weet je wel…) en van de oorlog die gaande is (de oorlog in Syrië natuurlijk, maar ook de ‘stille’ economische oorlog die onophoudelijk woedt in onze wereld!) doet men dat?

Hoort men wel de vragen van de verliezers? Wil men/kan men die vanuit zo’n idyllisch isolement als dat van St.-Petersburg wel horen?

Enzovoort…

Als men tenminste met die G-20 al eens de moed had om het geplande en hoogstnoodzakelijke halfjaarlijkse overleg te localiseren ergens middenin een vluchtelingenkamp in Jordanië, Libanon of Turkije? En enkele maanden later dan in de sloppenwijken van Port au Prince in Haïti…

En als men eerst eens zou beginnen met een hele dag lang die vluchtelingen het woord te geven, die hongerlijders, die armen, die slachtoffers. En ook hun verdedigers en pleitbezorgers…

Dàt zou pas een overleg zijn in de zin zoals het hier in deze schijnbaar vanzelfsprekende passage uit het evangelie van deze zondag is bedoeld.

Commentaar bij het stuk uit het evangelie waar ik het zeer moeilijk mee heb…

‘… In die tijd trokken grote mensenmenigten met Jezus mee. Hij wendde zich tot hen en zei: “Wie mij volgt, maar niet breekt met zijn vader en moeder en vrouw en kinderen en broers en zusters, ja zelfs met zijn eigen leven, kan niet mijn leerling zijn. Wie niet zijn kruis draagt en mij op mijn weg volgt, kan niet mijn leerling zijn.

Zo geldt ook voor jullie: wie geen afstand doet van al zijn bezittingen, kan mijn leerling niet zijn…”’ (Lc. 14, 25-27 en 33)

Onbegrijpelijk toch: zoveel dierbare mensen tegenover wie je je geëngageerd hebt en voor wie je verantwoordelijkheid draagt – niet alleen ‘loslaten’, maar veel straffer: met ze breken (in een andere vertaling staat er zelfs ronduit: ‘haten’…) En afstand doen van al je bezittingen – dat is voor ‘rijke’ mensen zoals wij behoorlijk veel (gevraagd)?

Ja, maar de vraag die Lucas ons in zijn evangelie al eerder heeft gesteld is vooral: ‘Wie zijn dan mijn moeder, mijn zussen en broers, mijn familie..? Het antwoord van Jezus van Nazareth is daarbij overduidelijk: ‘Mijn moeder en mijn broers zijn zij, die het woord van God horen en er naar handelen…’ (Lc. 8, 19-21)

Om hier op door te gaan, en dat vooral wat te actualiseren en te concretiseren, wil ik even drie stukjes tekst citeren die ik ooit ergens las, en die mij gaandeweg dierbaar zijn geworden:

‘Aartsbisschop Helder Camara van Recife in Brazilië had sterk het gevoel dat de allerarmsten zijn familie waren. Als hij hoorde dat een van hen ten onrechte gearresteerd was, belde hij de politie en zei hij: “Ik heb gehoord dat u mijn broer hebt gearresteerd.” En dan kwamen er direct verontschuldigingen van de politie: “Excellentie, het spijt ons zeer. We wisten niet dat het uw broer was. Komt u hem alstublieft ophalen.” En als de aartsbisschop naar het politiebureau ging om de man op te halen, dan zei de politie soms: “Maar Excellentie, hij heeft niet dezelfde achternaam als u.” En dan antwoordde Camara dat elke arme zijn broer of zijn zuster was.’ (uit Timothy Radcliffe: ‘De zeven laatste woorden’)


‘Bij mij op de parochie in Christus Koning – Brugge is jaren geleden het onthaalhuis van SOCK ontstaan, dat plaats biedt aan vijf mensen, vluchtelingen. Zelf woon ik met hen samen in het onthaalhuis, en deel met hen lief en leed. De werkgroep rond het huis zorgt voor de begeleiding van deze mensen en andere vluchtelingen in de stad, en ook voor het sensibiliseren van de bevolking.

Deze vreemde mensen en hun families zijn mijn zusters en broeders geworden. Dank zij hen heb ik een stukje van hun wereld mogen meemaken, in Viëtnam, Londen, Macedonië, Togo, Nigeria, Kosovo, Moldavië… Daar zijn mijn ogen nog meer open gegaan, is mijn hart nog dieper gerakkt.

Vandaag gaat de zorg vooral naar uitgeprocedeerden, illegalen, mensen wier naam geschrapt is uit de officiêle documenten en registers en die hier dus geen bestaansrecht meer hebben. Ook zij zijn onze zusters en broeders, die recht hebben op een menswaardig leven.

De vzw SOCK, dat staat voor Solidariteit Onthaalhuis Christus Koning, werd opgericht zodat het voortbestaan van het onthaalhuis naar de toekomst verzekerd is. Zo hopen wij dat er solidariteit kan groeien naar deze mensen en dat de weg voor een menswaardig leven voor hen opengaat…

Wellicht zal het in mijn verhaal duidelijk geworden zijn dat ik mijn weg nooit zelf heb gekozen, maar dat ik tot kiezen werd geroepen door de mensen die mijn weg hebben gekruist. Zij hebben mij op het spoor gebracht van een God die het leven wil en niet de dood, die bevrijding wil en geen slavernij, een God verhaald in de bijbel. Hij die aanwezig is in de bevrijdende geschiedenis van mensen in het verleden en vandaag. Hij die een voortdurende oproep is om deel te nemen aan dit bevrijdingsproces. En die voor mezelf herkenbaar wordt wanneer ik die keuze wel of niet maak…’

(Jef Devisscher, altijd priester-arbeider geweest, en nu pastoor op Christus Koning – Brugge, vertelt zijn roepingsverhaal in ‘De Duif – contactschrift BME’, 19° jg. nr. 3, maart 2008)


‘Mijn mensen’

een column van Ann Verscuren in TGL, jg. 60 nr. 2, maart/april 2004.

Ik hoorde het ze zo gewoon zeggen, tussen pot en pint, absoluut niet ophefmakend, zo doodgewoon: “Vooraleer de vergadering startte, ben ik eerst met mijn mensen nog iets gaan eten.

‘Haar mensen’ zijn de medewerkers van een radioprogramma dat zij in goede banen moet leiden. Ik ken het programma niet, ik ken de mensen niet en haar ken ik maar een beetje. Maar die twee woorden – ‘mijn mensen’ – mensen toch, dat is mooi. ‘Mijn mensen’: een moederkip die haar vleugels spreidt. ‘Mijn mensen’: een warm deken waaronder je gekoesterd wordt. Mijn mensen: een kluitje mede-mensen door een rode draad verbonden. Mijn mensen: tedere betrokkenheid. Mijn mensen: niet alleen maar technici, researchers en radiostemmen, maar ook vaders en moeders, verliefden, verdrietige en verlegen mensen.

Het is niet zo moeilijk te bedenken wie ik ‘mijn mensen’ noem: dat zijn de patiënten van het psychiatrisch ziekenhuis waar ik als pastor ad interim werk.

Mijn mensen: die ik ’s zondags op de gesloten afdeling de communie ga brengen en die in een kring hun naam noemen terwijl er ergens op de gang geroepen en gescholden wordt. “Wij zijn nu de kerkgemeenschap, ook al zitten we niet in een kerk”, zeg ik dan steevast in het begin.

Mijn mensen: die op een sessie zingeving hun ervaringen delen bij ’n zinnetje als “ik geloof dat alles in het leven een betekenis kan krijgen”. Overgave of weerstand, woede of begrip, rust of twijfel.

Mijn mensen: die, hoe dement ook, met een opvallende helderheid een Onze Vader monkelen en glimlachen als ik een hand op hun hand leg.

Mijn mensen: die herinneringen ophalen aan een gestorven medepatiênt – “hij zong ‘altijd als een leeuw uit een kooi’ in plaats van ‘in een kooi’ – en symbolen zoeken voor de gedenkviering.

Mijn mensen over wie ik warme dekens wil spreiden, dekens die nooit echt rechtgetrokken kunnen worden, maar niettemin voor even veiligheid en warmte bieden. Hun eigen levensverhaal, vaak een lappendeken vol gaten en scheuren, wil ik herscheppen tot iets waarin ze thuis kunnen komen. Ooit waren ‘mijn mensen’ evengoed ‘mijn leerlingen’ op school en ‘mijn bezinningskindjes’ tijdens twee of drie dagen bezinning, aan wie ik op een of andere manier trouw wilde zijn in goede en kwade dagen.

Het is daarentegen niet zo makkelijk te bedenken onder wiens vleugels, onder welk deken, bij welk kluitje ik mag horen. Wie zou het zeggen of ooit gezegd hebben – ‘mijn mensen’ – en daarmee ook mij bedoelen? Zouden mijn klasleraren ooit dit deken in gedachten hebben gehad toen ze ‘mijn leerlingen’ zeiden, zou mijn schooldirecteur later, toen ik zelf les gaf, de rode draad geweven hebben? En hoe zit het met de burgemeesters van ooit mijn dorp en nu mijn stad? Denken die ooit met tedere betrokkenheid aan ‘mijn mensen’ als ze het over mij en mijn medeburgers hebben? De ministers, de koning? Even de vleugels spreiden, alleen maar in wat je zegt, hoe je het zegt, in wat je doet? Mensen het zou een enorme troost voor mij betekenen.

Ja, wie zijn ‘mijn mensen’, mijn moedre en vader, mijn broers en zussen, mijn familie – als het er écht op aan komt? Hoe worden mensen van onbekenden tot vrienden van elkaar? En hoe groeien ze, al gaande de weg van de Exodus en het pascha, op weg naar de sjaloomstad Jeruzalem, steeds meer uit tot een ‘gesinne’, dat wil letterlijk zeggen: een’ reisgezelschap’?

In elk geval, laat ons in Jezus’ naam en op dringende vraag van het evangelie van vandaag nu toch eens en voorgoed die prachtige woorden ‘gezin’ en ‘familie’ verlossen van hun louter biologische verenging, alsof het altijd en alleen maar zou gaan over vaders, moeders, kinderen, huisje, tuintje, slaapkamertje… ‘Gezin’ en ‘familie’ zijn zoveel meer: proeve van samenbestaan in aandacht, zorg en betrokkenheid, bonte verzameling van bondgenoten en tochtgenoten, die met elkaar op reis gaan ‘naar verte die niemand weet, door vuur dat mensen samensmeedt…’

Is er iets wat we concreet kunnen doen? Iets haalbaars, iets concreets, iets kleinschalig..?

Daarvoor moeten we naar de tweede lezing van deze zondag. Daar horen we de grote Paulus, die zo vaak zo’n moeilijke teksten schrijft, zo’n ingewikkelde theologische discours opzet, ineens heel direct en concreet pleiten voor een vluchtelingenkind, een weggelopen slaafje: Onesimus - een ‘niet begeleide minderjarige’ die bij hem was terecht gekomen. Zelf zit paulus op dat moment in de gevangenis van Rome, en hij is oud geworden, zegt hij zelf. Onesimus kende hij wellicht van één of ander bezoek aan Kolosse, want die jongen was daar als slaaf te werk gesteld bij Filemon, een zeer begoed man en vooraanstaand lid van de christelijke gemeenschap aldaar. Omesimus was op een dag weggelopen bij Filemon – kwatongen beweren dat hij eerst een diefstal had gepleegd bij zijn eigenaar, en toen onverhoeds de benen had genomen. En zo was hij via – via bij paulus in de gevangenis terechtgekomen. Ze hadden lang en veel met elkaar gepraat, waren ‘als familie’ geworden van elkaar (Paulus noemt hem ‘een geliefde broeder’ en ‘mijn kind dat ik in de gevangenis heb verwekt’). Hij had zich door Paulus laten inwijden in het christendom, en had zich tot leerling van Jezus laten dopen.

En nu vraagt Paulus in zijn briefje aan Filemon of hij hem asjeblief weer in zijn huis wil opnemen – niet meer als een slaaf, maar als een vrij man. Dan heeft hij toekomst, en kan alle capaciteiten die hij heeft, ten dienste stellen van Filemon en de mensen van Kolosse…

Aandacht voor het kleine

Een slaaf is in die tijd niet zo veel waard. Een slaaf werd niet gezien als mens, maar als een gebruiksvoorwerp. Je kon het voor een bepaald bedrag kopen, en het ook tweedehands verkopen. Een slaaf was een soort machientje, een wasmachine, een boenmachine, een stofzuiger. Daar kunnen we een slaaf mee vergelijken.

Onesimus kwam binnen. Een klein slaafje. Hij was weggelopen, en hij neemt tot Paulus zijn toevlucht.

En laten we eerlijk zijn: Paulus had nog veel meer aan zijn hoofd. Hij schrijft dat zelf aan de Korintiërs. ‘ik heb harder gezwoegd dan iemand van u’, schrijft hij. ‘ik heb langer gevangen gezeten dan wie dan ook. Doodsgevaren: ik kan ze niet eens meer tellen. Vijf maal kreeg ik van de joden de veerig-minéén. Drie keer ben ik gegeseld. En afgezien van dat alles: dag in dag uit drukt mij de zorg voor al die gemeenten.’

Dat schrijft Paulus zelf.

Zorg om galatië, dat zich zo gauw laat ompraten; zorg om Korinte met zijn seksuele uitspattingen; zorg om Efeze met die stadsgodin Diane; zorg om Rome, waar men toen al meende alleen door de Wet gered te worden…

En nu komt daar dat weggelopen slaafje uit Kolosse, dat een stomme streek heeft uitgehaald.

Het was echt niet zo gek geweest als paulus had gezegd: ‘Jongen, je bent een beste knul, maar ik heb echt wel iets anders aan mijn hoofd.’

Maar nee, die kanjer van een apostel laat die jongen uitpraten, neemt er de tijd voor, houdt hem bij zich, brengt hem tot het geloof, doopt hem, neemt hem op in de gemeenschap, en – als klap op de vuurpijl – gaat aan tafel zitten om een brief te schrijven aan de baas van Onesimus, mijnheer Filemon. Het treft dat Paulus hem toevallig kent.

En die brief is nota bene Heilige Schrift geworden, geïnspireerd en wel. Dat wil zeggen: ingegeven door de Heilige Geest.

Boven alles uit straat uit dit briefje van paulus een geweldige boodschap: niets is onbelangrijk, niemand is onbelangrijk. Het is onzin tegen wie dan ook te zeggen dat je geen tijd voor hem hebt. Dat stofzuigertje was belangrijk genoeg om een aparte brief te krijgen tussen de geïnspireerde heilige boeken.

Zo denkt paulus, zo denkt Jezus van Nazareth, zo denkt god zelf over zogenaamd onbelangrijke mensen…

(uit Paul Chapel: ‘Geschreven voor nu’)


Actualisatie:

Navid Sharifi kwam vijf jaar geleden als minderjarige uit Afghanistan naar ons land. Hij is nu 21, spreekt Nederlands en heeft werk, maar zal worden gerepatrieerd.

In 2008 kwam Navid, toen 16, moederziel alleen naar ons land om hier asiel aan te vragen. Pas na drie jaar kreeg hij een antwoord: negatief. Ook enkele aanvragen tot regularisatie werden geweigerd. Twee weken geleden werd hij door de politie thuis opgepakt. Sinds 27 juli zit hij opgesloten in het gesloten centrum van Brugge, in afwachting van zijn repatriëring. Ondertussen leerde hij al die jaren Nederlands, maakte hij vrienden en leerde hij een vak. Hij werkt drie dagen per week als loodgieter en volgt twee dagen per week les op school in Waregem. Tot grote tevredenheid van zijn werkgever, die hem graag zou zien blijven.

Het verhaal van Navid doet erg denken aan dat van Parwais Sangari, die vorig jaar naar Afghanistan werd teruggestuurd. Hij sprak ook vlot Nederlands en had ook werk, als lasser. Maar in tegenstelling tot Parwais weet Navid helemaal niet wat hem in Afghanistan te wachten staat, omdat hij geen enkele band heeft met zijn land.

‘Toen ik vier jaar was, ben ik samen met mijn familie wegens de taliban naar Iran gevlucht’, zegt hij aan de telefoon. ‘Toen ik vijftien was, moest ik in mijn eentje Iran verlaten, omdat een familievete uit de hand liep. Na zes maanden rondzwerven ben ik in België terecht gekomen. Moet ik nu naar Afghanistan? Een oorlogsgebied dat ik nooit heb gezien’, vraagt hij zich af.

‘Navid heeft een vlekkeloos parcours afgelegd’, zegt Els Soenen, zijn begeleidster bij het OCMW van Waregem. Ze schreef - in eigen naam - een brief naar staatssecretaris voor Asiel en Migratie Maggie De Block (Open VLD), met de vraag om hem te laten blijven. (voor de brief in zijn geheel, voor meer informatie, én voor het eventueel ondertekenen van de petitie ‘Navid Sharifi moet blijven’: zie bijlage)

De brief van Els Soenens – niet aan Filemon, maar aan mevrouw Maggie De Block; geen ‘Heilige Schrift’, maar wel een regelrecht stukje ‘evangelie’ want met een bevrijdende en levengevende, toekomstgevende boodschap, eindigt aldus:

PS: Mevrouw De Block, kan u het anders eens uitleggen dat Navid perfect legaal mocht blijven werken, naar school gaan, en een huisje kon huren, dat u evengoed een positieve beslissing had kunnen nemen in zijn regularisatie dossier, maar dat hij toch door u werd teruggestuurd (daarbij denk ik maar aan zijn werkgever, zijn schoolleerkrachten en medestudenten, zijn leraar van de avondopleidingen die hij volgde, zijn liefje, zijn vrienden, zijn huisbaas, …). Ik krijg het hen niet uitgelegd.

E. Soenens


Paulus vraagt iets van een medechristen, iets moeilijks, in de naam van de liefde, namelijk vergeven. Hij vraagt aan Filemon dat hij zijn weggelopen slaaf, Onesimus, weer in dienst zou nemen, en nog sterker, „niet als slaaf, maar als broer, als medemens”. Als vrije mens dus. Paulus schrijft: „Filemon, als je met mij verbonden bent, ontvang hem dan zoals je mij zou ontvangen. En mocht Onesimus je hebben benadeeld of je iets schuldig zijn, zet het op mijn rekening. Ik, Paulus, schrijf hier eigenhandig neer dat ik je zal betalen. De vrede van de Heer zal met jou zijn.”

Paulus vraagt aan Filemon radicaal tegen de maatschappelijke stroom in te gaan. Wie behandelde zijn slaven als medemensen? Niemand. Ze waren slaaf en als ze wegliepen, werden ze gestraft. De hele gemeente zal spotten met Filemon, als hij de slaaf als broer in zijn eigen familie opneemt. We weten niet precies hoe het afgelopen is, maar Filemon zal de vraag van Paulus positief hebben beantwoord, anders zouden we de Brief niet meer hebben, omdat het dan geen breaking news was. Sterk toch dat dit kattebelletje in het Nieuwe Testament is opgenomen als ‘heilig’ briefje. Ja, natuurlijk, want precies in zo’n dingen wordt de Blijde Boodschap waar en tastbaar. (commentaar van Kris Depoortere op het zondagsevangelie in Kerk&leven – 18 augustus 2010)

Wat kunnen wij hieruit leren voor onszelf, vandaag? Welke opdracht, welke ‘wijsheid’ (eerste lezing) komt vanuit zo’n tweede lezing van deze zondag op ons af?

Deze opdracht wellicht: SPREEK MENSEN VRIJ. SCHRIJF ZE VRIJ. PLEIT ZE VRIJ. BID ZE VRIJ…

GEEF VRIJ-BRIEFJES MEE AAN MENSEN. VRAAG AAN DE MEER BEGOEDEN OF ZE RUIMTE WILLEN MAKEN VOOR KLEINE MENSEN, VOOR SLAAFJES EN VLUCHTELINGENKINDEREN ZOALS ONESIMUS. BEMOEDIG WIE TOEKOMSTKANSEN GEEFT. LUISTER NAAR WIE VRAAGT OM (HIER) TE MOGEN LEVEN. PROTESTEER WAAR KANSEN WORDEN AFGEPAKT. WEES ‘ADVOCAAT PRO DEO’ VOOR VERLIEZERS EN RECHTELOZEN…

Met het voorlezen op een zondag in de viering van die ‘open brief’ van Paulus aan Filemon, is een beetje ‘evangelie’ in de ‘Kerk’ van Kolosse misschien wel helemaal op-nieuw geformuleerd, en is een stukje ‘christendom’ in zijn gemeenschap misschien wel voorgoed (her)begonnen: met een vrijbriefje voor een weggelopen slavenjongen – stel je voor…

Om te besluiten:

Drie opdrachten vanuit het (moeilijke, lastige, weerbarstige) evangelie en vanuit de tweede lezing van deze zondag.

ALTIJD OVERLEGGEN. EEN BEGROTING MAKEN VOORAF

Laten we onszelf niet te vlug leerlingen van Jezus noemen. Vooraleer we die gewichtige keuze maken, voor we meegaan in die Exodusbeweging, die Pascha-doorgang, die bevrijdingsbeweging op weg naar de sjaloomstad Jeruzalem: laten we er eerst eens bij gaan zitten en zien of die woorden niet te groot zijn voor onze begroting en ons budget…

Maak dus maar eerst een begroting op – maar vergeet vooral de ‘cijfertjes achter de komma niet’, de ‘Onesimussen’ van vandaag. Laat ze niet verdwijnen in de vergeetput van de ‘kleine lettertjes in het contract’…

Pleeg overleg met bondgenoten – maar altijd vanuit het juiste perspectief: de arme, de verliezer, het slachtoffer. Moet het eerste en laatste woord krijgen – aan hem moeten we ‘ge-hoor-zaam’ leren worden.

Neem het evangelie als norm en richtsnoer, als ‘wijsheid’.

En houd altijd het doel voopr ogen: de realisatie van het Rijk Gods, vrede en gerechtigjeid voor alle mensen…

ONVERMOEIBAAR ZOEKEN NAAR GEMEENSCHAP

Vertrekkend vanuit de vraag: wie is nu, op dit moment, mijn vader, mijn moeder, mijn broer, mijn zuster, mijn familie, mijn ‘gesinne’, ‘mijn mensen’…

IN NAAM VAN HET EVANGELIE: SPREEK MENSEN VRIJ EN GEEF ZE TOEKOMST…

Geert Dedecker

Zoeken in Preken Online