De groep mensen die hem naloopt wordt met de dag groter. Ze komen uit nieuwsgierigheid, om genezen te worden, om hem te zien, omdat hij beroemd is, en om allerhande andere redenen. Juist zoals er ook nu nog evangelisten en beroemdheden achterna gelopen worden. Of het nu een moordenaar of een paus is, ze trekken steeds volle straten. Vandaag keert Jezus zich om. Dat moet verwarring veroorzaakt hebben. Ze zijn bereid om achter hem aan te lopen. Dat is zo’n kunst niet. Maar nu is er plotseling een confrontatie. Dat is wat anders.
Søren Kierkegaard werkte dat thema verschillende keren prachtig uit. Zo vertelt hij van een zondagsdienst ergens in Denemarken. De dominee doet zijn uiterste best. Volk en orgel galmen. Zij zijn ‘Jezus’ volgelingen’ zingen ze. Plotseling komt de koster de sacristie uit. Hij loopt op de predikant toe, en fluistert hem iets in zijn oor. Jezus - daar is in het verhaal geen twijfel over - is aangekomen, en hij zit in de sacristie. Hij wil iedereen in de kerk graag zien. Het gezang heeft indruk op hem gemaakt, zo zegt hij. Een voor een gaan vrouw en man, met enige huiver maar dapper doorzingend en hun kleren recht trekkend, de sacristie binnen. Daar zit Jezus. Hij heeft voor iedereen dezelfde vraag: ‘Ben je werkelijk mijn volgeling?’ Niemand durft die vraag te beantwoorden. Maar als ze weer veilig in de kerk zijn, zingen ze onmiddellijk dapper hun christelijke gezangen weer mee.
Jezus draait zich om in onze Lucastekst en spreekt over de prijs die er betaald moet worden als je zijn volgeling wilt zijn.
Tot drie maal toe zegt hij, dat als die prijs niet betaald wordt, je zijn leerling niet kunt zijn. Je moet vrij staan ten opzichte van geld en goed; je moet je goed bezinnen op watje doet en niet zo maar meehollen; je moet zijn kruis iedere dag dragen, en je moet je vader en je moeder, je vrouw en kinderen, je broers en je zusters, ja zelfs je eigen leven haten. Vooral die laatste prijs lijkt hoog.
Dat haten van je familie - Matteüs gebruikt dat woord ‘haten’ niet, hij spreekt van ‘meer houden van mij en minder houden van je familie, je geld en jezelf’ - betekent natuurlijk niet dat je met hen overhoop ligt, of dat je ruzie met hen hebt. Dat soort van ‘uiterlijke’ ruzie met je familie is praktisch steeds te wijten aan een gebrek aan innerlijke onafhankelijkheid. Je vecht met je vader,je worstelt met je moeder, je ligt overhoop met het succes en het falen van broers en zussen zolang je niet jezelf geworden bent, zolang je nog op de een of andere manier emotioneel van hen afhankelijk bent. Daar moet je doorheen voor je met jezelf kunt zijn, en hem echt kunt volgen.
De Amerikaanse auteur John S. Sanford schetst als voorbeeld het verhaal van Albert. Albert is voor in de veertig, heeft een baan die weinig creatieve, financiële en promotiemogelijkheden biedt. Hij is daarom psychologisch en zelfs lichamelijk zwak en depressief. Hij komt voor advies. Dan blijkt hij een zeer creatief iemand, die iedere verdere mogelijkheid om uit te groeien heeft opgeofferd vanwege het gevoel dat hij op de allereerste plaats voor zijn familie moet zorgen. Achter dat gevoel schuilt de krachtige persoonlijkheid van zijn intrigerende moeder. Zij is erg conservatief en heeft er een handje van om op een destructieve manier iedereen in de familie naar haar hand te zetten door emotionele chantage.
Albert ‘haat’ zijn moeder niet voldoende. Hij ‘houdt’ te veel van haar. Hij is ‘gebonden’ en kwam niet tot zichzelf. Hij is maar achter haar aan blijven hollen, zonder zich voldoende af te vragen waar hij mee bezig is, juist zoals de lieden die Jezus achterna hollen tot die zich naar hen omkeert en zegt: ‘Denk nou eens even na over watje aan het doen bent. Ben je niet teveel van mij afhankelijk zonder dat je jezelf ooit gevraagd hebt wat dat betekent?’ Je moet zelfs ‘loskomen’ of afscheid nemen van jezelf, van je actuele burgerlijke zelf, als je Jezus wilt volgen. Jezus gebruikt in Lucas datzelfde Griekse woord ‘vaarwel zeggen aan’ (apotassestai) als het gaat over geld en goed in de laatste regel van de tekst (14,33). Zonder dat afscheid nemen kom je niet tot jezelf. En dat is de eerste voorwaarde die Jezus stelt. Hij is het ook die die mogelijkheid inderdaad echt biedt.