* Ruim twee maanden terug stelden wij Jezus voor, die zijn tocht begon naar Jeruzalem (Lc 9,51). Dit grote reisverhaal bleef lopen doorheen de voorbije zondagen. In die tocht waren wel heel wat ontmoetingen ingelast. Vandaag neem Lucas de draad van de reis weer op: Jezus stapt door naar Jeruzalem. Een grote menigte volgt Hem. Veel Joden trokken jaarlijks op naar de heilige stad in het vooruitzicht van Pasen. Opvallend dat zo velen zich bij Jezus groeperen. Willen ze Hem volgen om te delen in zijn triomf wanneer Hij zich daar zal manifesteren als Messias en nationale held ? Dat was toch de verwachting ingeblazen door de afscheidingsbeweging van farizeeën en zeloten.
* In contrast hiermee herhaalt Jezus nu voor die massa wat Hij al eerder tot zijn leerlingen had gezegd. Zijn lijdensvoorspellingen behoorden nog tot het geheim van zijn intimi. Maar bij de aanzet van zijn tocht zei Hij al tot enkele kandidaten: Koester geen illusies. Wie Mij echt wil volgen moet alles loslaten; zoek geen nestwarmte; ga niet eerst nog je vader begraven; neem geen afscheid van je huisgenoten (Lc 9,58-61). Nu herhaalt Hij dit, zijn gezicht gekeerd naar de menigte, als een waarschuwing zoals Hij dit voor grote scharen gewoon was (Lc 12,1), in twee sterke uitspraken:
-
“Wie zijn vader en moeder, zijn vrouw en kinderen, zijn broers en zusters, ja zijn eigen leven niet haat, kan mijn leerling niet zijn”. Het Semitische ‘haten’ staat hier voor ‘ondergeschikt beminnen’. Deze oosterse wijze van spreken horen we ook bij Johannes: “Wie zijn leven in deze wereld haat, zal het behouden…” (Joh 12,25). Dit is: Wie zijn leven in deze wereld minder bemint… Zo begrijpen we beter letterlijke vertalingen uit het O.T. zoals: “Ik heb Jacob bemind en Ezaü gehaat” (Mal 1,2-3) wat alleen wil zeggen dat Gods voorkeur uitging naar Jacob. Daarom klinkt de versie van Matteüs beter in onze oren: “Wie vader of moeder meer bemint dan Mij is Mij niet waardig…” (Mt 10,37). Jezus vraagt de absolute voorrang van onze liefde voor God, van wie Hij het beeld en de aanwezigheid is. Als God de eerste mag zijn en als we radicaal kiezen voor Jezus, komen de dingen in ons leven juist uit. Dat is de doorgedreven grondgedachte. Daarin gaf Hijzelf het voorbeeld toen Hij zei dat zijn ware verwanten zij waren die Gods woord beluisteren en beleven (Lc 8,21;11,28). Het gaat dus om de juiste verhouding in onze liefdesrelaties. Hij zegt dus niet dat we onze verwanten moeten afstoten. Het zou indruisen tegen het vierde gebod. Jezus is profeet van de liefde. We lezen overigens in het evangelie hoeveel waardering Jezus voor de families koesterde: voor de schoonmoeder van Petrus, die Hij genas, voor het gezin van Lazarus, die Hij aan zijn zusters teruggaf… in Lucas’ tweede boek lezen we hoezeer in de oerkerk de familiebanden werden geacht, zoals bij de heiden Cornelius, of zoals bij de Joden Priscilla en Aquila, en bij Filippus en dochters, bij wie Paulus onderdak vond (Hand 10,2.24; 18,2-3; 21, 8-9).
-
Jezus’ tweede uitspraak verdiept de eerste: “Als iemand zijn kruis niet draagt en mij volgt, kan hij mijn leerling niet zijn”. Het is de beknopte herhaling van een vroegere uitlating: “Wie mijn volgeling wil zijn, moet mij volgen door zichzelf te verloochenen en elke dag opnieuw zijn kruis op te nemen” (Lc 9,23). Het woord ‘verloochenen’ betekent ‘ontkennen’. Het staat in het evangelie tegenover belijden: “Ieder die Mij zal belijden voor de mensen, zal ook Ik belijden voor mij Vader… Maar wie Mij voor de mensen zal verloochenen, zal Ik verloochenen voor mij Vader… " (Lc 12,8-9). Het woord ‘zelfverloochening’ sluit in de eerste drie evangeliën telkens aan bij Petrus’ belijdenis en de eerste lijdensvoorspelling. Wie Christus belijdt, ontkent zichzelf, stelt zichzelf achteruit. Dit brengt altijd lijden meer. Ook voor Petrus. Spontaan denken we aan Petrus’ verloochening. Jezus spreekt van het ‘dragen van zijn kruis’. Niemand dacht toen al aan de kruisiging. Het kruis was de balk die de veroordeelde als een juk op de schouders droeg op weg naar de executie. In Jezus’ moedertaal was die balk ook het ‘juk’. “Neem mijn juk op uw schouders…” (Mt 11,29). Na Jezus’ dood heeft men dat ‘juk’ geconcretiseerd in de kruisbalk. Lucas is de enige die zegt dat de leerling ’elke dag opnieuw’ zijn kruis zal opnemen. Daarmee ontstond de symbolische uitdrukking van het dagelijks offer van de christen. Lucas is een resonantie van zijn leermeester Paulus: “Voortdurend dragen wij het sterven van Christus in ons lichaam mee” (2 Kor 4,10). Het gaat er niet om dat we Jezus’ lijden imiteren. Dit is onmogelijk. Doch het gaat erom dat elk ‘zijn’ kruis draagt. Ieder zal zijn lijden volgens eigen roeping verwerken in eenheid met Jezus die ons in de passie is voorgegaan. Juist die eenheid met Christus geeft de vruchtbaarheid aan ons lijden dat anders zinloos lijkt.
* Daarom komt na deze dubbele uitdaging de uitnodiging om te gaan zitten zoals die torenbouwer of zoals die koning-strateeg. Eerst moet men nadenken, biddend nadenken hoe we Jezus’ woorden in ons leven moeten verstaan. Gevaarlijke hoogmoed naar een heldhaftigheid te grijpen als ons de genade daartoe niet gegeven is. Onze roepingen verschillen. Het enig belangrijke is dat iedereen Gods wil over zijn leven ontdekt en in zijn genadekracht die wil vervult, of God toelaat zijn heilswil in iedereen van ons door te zetten. “Wie zou uw wil kunnen kennen, als Gij hem het inzicht niet geeft…” (Wijsh. 9,17 - eerste lezing). Pas dan geven wij God de eerste plaats, pas dan gaan wij het lijden binnen dat ons als opgave en roeping gegeven is. Daarin ligt het ware losmaken van al wat je bezit. Maar het zal voor iedereen van ons een noodzakelijk loslaten zijn omwille van Hem.