22e zondag door het jaar C

C-cyclus · Tijd door het jaar · 22e zondag · groen

Homilie op de 22° zondag door het jaar C

Grauwzusters Franciscanessen Roeselare – 1 september 2019

als evangelie werd gelezen: Lk. 14, 1.7-14

Op een sabbat ging Jezus bij een van de leiders van de farizeeën thuis eten; zij letten scherp op Hem. 7         Omdat Hij zag hoe de genodigden de ereplaatsen uitzochten, hield Hij hun een gelijkenis voor: 8         Wanneer u op een bruiloft bent genodigd, ga dan niet op de ereplaats zitten. Misschien heeft de gastheer iemand uitgenodigd die belangrijker is dan u, 9         en dan zal hij naar u toe komen en zeggen: Sta uw plaats aan hem af.” Vol schaamte moet u dan achteraan gaan zitten. 10        Ga liever, als u ergens uitgenodigd bent, achteraan zitten. Dan zal de gastheer naar u toe komen en zeggen: Vriend, kom meer naar voren.” Dat zal een eer voor u zijn in het oog van al uw disgenoten. 11        Iedereen immers die zich verheft zal vernederd worden, maar wie zich vernedert zal verheven worden.’ 12        Hij zei ook nog, nu tegen zijn gastheer: Wanneer u ’s middags of ’s avonds een feestmaal geeft, roep dan niet uw vrienden bij elkaar, of uw broers, of uw familie, of rijke buren. Die zouden u op hun beurt uitnodigen, om iets terug te doen. 13        Nodig liever, als u een feest aanricht, armen uit, gebrekkigen, kreupelen en blinden. 14        Wat een geluk voor u dat zij er niets tegenover kunnen stellen. Want het zal u teruggegeven worden bij de opstanding van de rechtvaardigen.’

Goede mensen, Jezus heeft het in het (moeilijke, weerbarstige) evangelie van vandaag over de tafelschikking bij een gastmaal, een bruiloftsfeest. Wie zich daarbij gewoonlijk op de eerste plaatsen gaat installeren en wie meestal bescheiden achteraan gaat zitten; wie zich opdringt en wie zichzelf misschien te vanzelfsprekend op de achtergrond houdt; wie meetelt en wie niet… En ook: hoe je je als genodigde best van te voren wat beschermt tegen de vernedering van als vermeende ‘eerste’ achteraan te moeten gaan staan in de rij; tegen de schaamte van te hoogmoedig te zijn en jezelf en je eigen ‘status’ niet goed te kunnen inschatten… Maar ik moet jullie in de preek van vandaag even laten horen dat er achter heel de kwestie van die tafelschikking en die stoelendans een nog veel fundamentelere kwestie verborgen zit. Heel dat gedoe rond de al of niet van te voren verzekerde ereplaatsen is maar een symptoom van een veel dieperliggende kwestie: de tafel in de feestzaal van deze wereld staat scheef – en dat is al eeuwenlang zo. Ja inderdaad, de tafel van de wereld staat scheef, en nog geen klein beetje… Het is een tafel waar de rijken aan de armen de kruimels nog niet gunnen. Er gaapt een wijde kloof tussen onze wereld hier en de derde en vierde wereld om ons heen. Ja, de tafel van de wereld staat met de jaren zelfs schever en schever. Zo goed als alle schalen, schotels, potten en pannen schuiven steeds weer de kant op van de rijken die de beste plaatsen innemen. Wij zitten allen aan welvoorziene tafels, u en ik – maar wij zitten toevallig aan de welvarende kant. En aan de andere kant van de tafel schreeuwen mensen om méns te mogen zijn, om eindelijk te mogen ervaren dat wij ten volle met hen de broederschap en tafelgemeenschap willen beleven Eén van de grote dromen van de Schrift is de hoop dat alle volkeren ooit een keer bij elkaar zullen komen, aan het eind van onze dagen wel te verstaan, als alles wat geschiedenis heet is ingestort en alle scheidsmuren zijn opgelost in de nevelen van de tijd. Dan zullen alle mensen zonder onderscheid aan één tafel zitten bij de berg Sion, en er uitgebreid maaltijd houden, uitgenodigd door dezelfde Gastheer die sinds mensenheugenis hun Voorspreker is en Toeverlaat. Wat een droom! Alleen al het idee dat geschiedenis, politiek en economie nu al niet meer louter zouden draaien om het behartigen van nationaal egoïsme van afzonderlijke staten en bevolkingsgroepen, rassen of godsdiensten tegenover elkaar. Gedaan met zogenaamde rondetafelconferenties vol belangenstrijd, gedaan met alle conflicten en spanning… Wat een zaligheid dat deze droom ooit door de Bijbel is gedroomd en voor de eeuwigheid is opgeschreven!

Ons wekelijks samen aan tafel gaan mag en kan nooit een vrijblijvend spel zijn. Want in gebrek en honger sterven duizenden kinderen per dag. De tafel van samenkomst der christenen moet allereerst een plaats zijn waar we ons laten oproepen tot daadwerkelijke solidariteit met de armen, de kanslozen die altijd aan de verkeerde kant van de wereldtafel worden gezet. Kan dat eigenlijk wel, het heilige spel spelen van brood en wijn in je zondagse pak, breken en delen te samen met de andere verzadigden in een soort van exclusieve club, en tegelijkertijd ongegeneerd het koren blijven opslaan in de silo’s thuis en in de graanschuren van onze welvaartsstaat?

De echtheid en geloofwaardigheid van onze liturgie is: dat wij er een heldere diagnose durven stellen van wat er met onze wereld aan de hand is. De schoonheid en belangrijkheid ervan is: dat wij er het visioen hoog houden dat ons doet uitzien naar een samenleving waar ieder ooit een plaats krijgt aan de tafel der vermenigvuldiging. Het gaat er in de eucharistie niet alleen om dat enkel brood en wijn veranderen, ménsen moeten veranderen. Want in het hart en de ziel, in de verbeelding en in het verstand van mensen begint de omwenteling van de structuren. Sacrament is niet en werkt niet, tenzij waar daadwerkelijk verandering ten goede wordt volbracht. Door brood te delen en samen de beker te drinken, laten wij aan elkaar merken: dat wijzelf willen veranderen; dat wij onze wereld met zijn scheve tafel ooit willen omtoveren tot een feestzaal waar eerst en vooral de kleinsten welkom zijn. Zo worden wij stilaan mensen die de vage contouren beginnen te zien van dat Rijk waar broederschap heerst, waar niet meer over zondebokken wordt gehoord en niet meer over schuld gepraat, en nergens nog een spoor is van een muur met prikkeldraad of een vergeetput. Geen check-points meer, geen grenscontroles en geen paperassen – want al het oude is voorbij… En mét dat je het speelt op zondag, zingend en biddend, belijdend en vierend, wordt het hoogste ernst, wordt het (tenminste in je dromen) zienderogen waar. Er gebeuren dan ook op zondag geen wonderen met brood en wijn, als er geen wonderen gebeuren met de mensen die daarbij aanwezig zijn. Niet alleen brood en wijn worden veranderd in ‘Lichaam van Christus’. Mènsen veranderen – of ze veranderen niet… Consecratie is: niet alleen het brood dat wordt veranderd, niet alleen de wijn, maar als het goed is veranderen ook wijzelf. Consecratie gebeurt daar, waar mènsen veranderen ten goede, waar zij omkeren tot solidariteit, tot gerechtigheid en vrede. Consecratie is ook dat het veel te overvloedige brood van de rijken eindelijk tot verzadiging strekt van de armen. De transsubstantiatie vindt plaats in mensen die veranderen tot messiaanse gestalten van deelgenootschap. Zij veranderen van gedaante. Hun verhoudingen worden rechtvaardig.

Die ommekeer binnenstebuiten, die toewijding aan mekaar – daar is het Jezus vooral om te doen in het evangelie van vandaag. Mensen geven elkaar de beker door. Een simpel gebaar met een grote betekenis. Een bekertje verbondenheid en vriendschap wordt doorgegeven. Een ‘beetje’ gezegend brood wordt in een open hand gelegd – niet in een gesloten vuist. Zo worden ze waarachtig ‘com-pagnons’ – des ‘co-pains’ zegt men in het Frans; echte ‘kom-panen’ in onze moedertaal. Dat is, in alle talen: ‘Iemand met wie men het brood samen deelt…’ Een mooier synoniem voor ‘christenen is er niet… De kerkgemeenschap te midden van de grote samenleving, als een profetisch teken, een ‘compagnie’ van gelijkgezinden…

Zo moge het zijn. Vandaag nog als het kan. Amen.

geert dedecker


** Over de tafelschikking in het Rijk Gods – commentaar bij het evangelie van de 22° zondag door het jaar C (Lk. 14, 1.7-14)**

Wie zich vernedert, zal verheven worden

‘Daar Hij opmerkte, hoe de genodigden de voornaamste plaatsen aan tafel uitzochten, hield Hij hun de volgende gelijkenis voor…’ (Lucas 14,7)

Een oud verhaal, maar het gebeurt nog altijd: mensen die uit zijn op de beste plaatsen. Mensen die gasten ontvangen houden vaak rekening met de sociale rang, met de gevoeligheden van genodigden die zichzelf voor belangrijk houden. Ik zag onlangs de ouders van een bruidspaar een tafelplan opstellen voor het feest: die moet aan de eretafel zitten, anders zit het erop! Die mag niet naast die zitten, enz. Gelukkig hebben wijze mensen daar iets op gevonden: ze plaatsen hun gasten aan ronde tafels; dan kan iedereen zich de belangrijkste voelen òf men voelt dat iedereen even belangrijk is.

Maar de bedoeling van Jezus is niet ons een les te geven in wellevendheid, in tafelmanieren. Hij houdt ons een beeld voor van de maatschappij van zijn tijd en van alle tijden: hoe vele mensen naar elkaar kijken, en met elkaar omgaan, naar wie ze opzien, wie voor hen groot is. In de loop der tijden is er trouwens weinig veranderd: komt iemand met een dure auto aangereden, dan zal hij niet buiten op het matje blijven staan; komt iemand met een hoge functie aangestapt, dan staat men die al op te wachten om hem naar de beste plaats te leiden. En de persoon, die zich belangrijk acht, verwacht dat ook. Probeer hem niet Frans of Jef te noemen, of eerwaarde, hij zal je wel zeggen: ’t is mijnheer of ’t is zeereerwaarde… en ook in de kerk zie je dit nog wel gebeuren, hoewel het daar zeker niet zou mogen. Ik denk aan een dubbelprent van de Duitse etser Dürer (ca 1500). Op de ene prent zitten de leerlingen op stoelen, terwijl Jezus op de grond knielt om hun voeten te wassen. En daarnaast de paus die plechtig gekleed op een troon zit, terwijl de bisschoppen op de grond knielen om zijn slofjes te kussen.

Maar hoe gaat het er dichter bij huis aan toe in onze groeperingen, in onze eigen huiskring? Zijn ook ongeletterden, armen er welkom? Behandelen wij ieder even goed? Niet enkel rond voetbalpleinen, maar overal staan eretribunes en zijn er VIP-loges, en verder zijn er ook nog overdekte zitplaatsen en staanplaatsen… voor het gewone volk. Bij de viering van tweehonderd jaar Franse revolutie – tweehonderd jaar egalité en fraternité – zaten de machtigsten van de rijkste landen vanzelfsprekend op de eerste rij. Gek, als je bedenkt wat daar gevierd werd!

Iemand zei ooit: de handel waar je het vlugst rijk zou van worden is, de mensen kopen voor wat ze waard zijn, en ze dan terug verkopen voor wat ze denken waard te zijn. Je voelt: hier komt meer ter sprake dan wellevendheid en ‘etiquette’. Etiquette is trouwens een verkleinwoord van ethos en ethos is je moraal, je ganse manier van denken, voelen, je innerlijk, je levenshouding. Voor etiquette kan je te rade gaan bij bij boekjes over nette manieren… Voor ethos hebben we hèt boek, de Bijbel, hebben we Jezus.

Heel wat jongeren zijn tegendraads, tegen de burgerlijke etiquette, tegen een das, een pak, het haar zo, de houding zus en het groeten zo. Daar kan men begrip voor opbrengen vooral wanneer ze ook tegendraads staan tegenover het ethos van de wereld, waar mensen belangrijk worden geacht, niet om wat ze zijn, maar om hun bezit, hun ambt, hun inkomen, hun titel.

Het zou goed zijn dat we allen het tegendraadse ethos van Jezus aannemen die de wereldse rangorde verwerpt, en geen waarde hecht aan uiterlijke vroomheid, maatschappelijke positie, afstamming of materiële rijkdom, maar tot de arme zegt: ‘Vriend, ga hogerop: je bent arm, je bent verdrukt, ga hogerop!’

De Bijbel geeft aan die minsten der mensen een naam: de anawim, mensen die overal de laatsten geplaatst worden maar die voor God de eersten zullen zijn. Ik denk aan een scène uit de film Gandhi. Toen India zijn onafhankelijkheid bevochten had van de Engelsen, werd in een prachtig paleis een grote receptie gehouden met de vooraanstaanden en de toekomstige ministers. Er werd gediscuteerd over het nieuwe India, over de toekomst. De politici, het glas champagne in de hand, deden elk hun zegje. Gandhi zweeg. Ze drongen aan, wat denk jij over het toekomstige India, Gandhi? Hij zweeg nog altijd. Wanneer ze nogmaals aandrongen, ging hij zwijgend naar een knechtje dat bij de deur stond met een schenkblad vol glazen. Hij nam het bord over en zei: ‘Ga jij bij je vrouw en je gezin India’s vrijheid vieren’. Dat is een goddelijk gebaar: de kleinen, de anawim die gewaardeerd worden…

Jezus zelf was een anawim, de minste van allen. Charles de Foucauld zegt ergens: ‘De laatste plaats kan je niet meer innemen, niemand kan die nog innemen. Jezus zit immers al op de laatste plaats’. Als we dicht bij hem willen zitten, moeten we vooral niet hooghartig naar voor dringen…

Uit Dries Morel: ‘Zijn verhaal is ons verhaal’

Wie ooit een tafelschikking heeft moeten maken, voor een trouwpartij bijvoorbeeld, heeft ongetwijfeld met scha en schande ondervonden wat een onmogelijk karwei dat meestal is. Tante X mag zeker niet naast nonkel Y worden gezet, want die leven al jarenlang als kat en hond. Deze kant van de familie praat al eeuwen niet meer met gene kant, omwille van een aanslepende erfeniskwestie; de ene opa is hardhorig maar wil wel voortdurend met zijn buren praten, de andere oma zit graag stilletjes in een hoekje te genieten van de danspartij waar ze voor huivert en die haar tegelijk een beetje heimwee doet krijgen naar lang vervlogen dagen… Ja, wat wil je? Twee families, dat zijn twee werelden op zich, twee tradities en culturen. Er zijn ambiancemakers bij en eerder beschouwende types, er zijn praters en zwijgers, charmeurs en zuurpruimen, dansers en muurbloempjes, enzoverder, enzovoort… En ieder heeft zo zijn eigen favoriete gespreksthema’s en taboes; ieder vogeltje wil tussen twee gangen door het liefste kunnen zingen zoals het gebekt is; de een wil over van alles bijpraten en opgelopen schade herstellen van jaren ver; de ander zoekt reeds na korte tijd naar de makkelijkste ontsnappingsroute, omdat hij naar zijn bed verlangt en lak heeft aan al dat kunstmatig feestgedruis…

Er is op het vlak van tafelschikking in de wereld helaas tot op vandaag nog niet veel veranderd. De tafel van de wereld staat scheef, en nog geen klein beetje… Het is de Lazarus-tafel geworden, waar de rijken aan de armen de kruimels nog niet gunnen. Er gaapt nog steeds een wijde kloof tussen onze wereld hier en de derde en vierde wereld om ons heen. De tafel van de wereld staat nog altijd heel erg scheef. Wij hier in het Westen hebben die tafel zelf scheef helpen zetten. Dat is het resultaat van vijf eeuwen kolonialisme, imperialisme, kapitalisme, dat vandaag tot enig mondiaal systeem is uitgeroepen, gedicteerd door het rijke Westen. Ook het christendom is de eeuwen door met deze veroveringen meegegaan, meegegroeid en verspreid. Het begin van christendom was nochtans: delen, het hele brood, niet alleen de kruimels. Het is de vrije marktideologie die de wereldtafel voortdurend scheef trekt. Zij krijgen geen geld voor hun natuurlijke rijkdommen, grondstoffen en arbeid. Wij leggen hun zware lasten op, voor schulden-afbetaling, dure producten en productiemiddelen door protectie van onze markten. De ruilvoet wordt steeds schever. Zo goed als alle schalen, schotels, potten en pannen schuiven steeds weer de kant op van de rijken die de beste plaatsen innemen. Wij zitten allen aan welvoorziene tafels, u en ik – maar wij toevallig aan de welvarende kant. Maar aan de andere kant van de tafel schreeuwen mensen om méns te mogen zijn, om eindelijk te mogen ervaren dat wij ten volle met hen de broederschap en tafelgemeenschap willen beleven. En je vraagt je af: hoe zijn ook die werelden zo uit elkaar kunnen groeien, al evenzeer als de kinderen van Israël? Hoe zijn ze elk op hun manier zo van de dromer en de droom vervreemd geraakt, dat er zelfs geen schijn van reünie in de toekomst meer mogelijk wordt geacht..? Economie heeft alles met ‘huishouden’ te maken. In de keuken thuis, in het binnenland en in de grote wereld. Er moet gezorgd worden voor een bewoonbare wereld, in het groot en in het klein. Economie en oecumene bedoelen dan ook in wezen hetzelfde: een wereldtafel recht, en alle gasten samen er om heen, hoe verschillend die ook zijn. Met de verzekering dat er voor ieder meer dan genoeg zal zijn. Het gaat van bezitten naar delen, van bezit naar communio. De omkeer van grootheidswaan naar eenvoud. Een modelhuishouden op wereldvlak betekent noodzakelijk: herschikking van de wereldtafel en van de onderlinge verhoudingen. Een tafelschikking volgens de wetten van de vrije markt (dat is per definitie het recht van de sterksten) kan nooit een fatsoenlijk huishouden opleveren. Een gerechte wereldtafel begint met een fatsoenlijk huishouden, met die rechtvaardigheid. Zolang geen genoegdoening wordt gegeven aan de armen, hebben wij het recht niet als rijken zomaar ‘apart’ aan tafel te gaan. ‘Samen brood eten’ kan je maar eerlijk doen, als je tegelijk de droom koestert van een andere economie, een andere wereldhuishouding. Brood breken geschiedt eerst en vooral in het rechttrekken van verhoudingen tussen mensen, klassen, rassen, culturen, religies, volkeren. Honger ginds, overschotten hier. Rijkdom heeft zich op de beste plaatsen gezet. En gaat er vanzelfsprekend van uit de tafel van het broodbreken eigenzinnig te mogen schikken en beheren.

De Bijbel formuleert op heel wat bladzijden een uiterst scherpe aanklacht en een onweerlegbaar tegenprogramma tegen zulke tafelschikking in. In het rijk Gods zitten de daklozen per definitie altijd vooraan en op de beste plaatsen. En dan niet voor een eenmalig liefdadigheidsbanket of zo, maar in een duurzaam wereldverband van recht doen en vrede stichten…

Wij vinden onze namen als rijke Westerlingen’bij elke maaltijd telkens weer op één van de voorbehouden plaatsen terug. Alsof wij ’s konings speciaal uitgenodigde VIP’s waren in hoogst eigen persoon. Wij uit het rijke Noorden zitten veilig gebeiteld op de voorbehouden plaatsen. Een positie verworven door ‘eerstgeboorterecht’ dat zondermeer van de armsten is weggeroofd. Sinds Colombus is dat proces reeds bezig. Vijf eeuwen scheef trekken van de verhoudingen Noord-Zuid hebben daar een onwrikbare traditie van gemaakt, waar bijna niemand meer vragen bij stelt. Onze wereld verdrinkt in voedseloverschotten; twee derde van de wereldbevolking lijdt ondertussen gebrek, tot verhongering toe. Globalisering en liberalisering van de vrije markt zijn de moderne ordewoorden. Met overkill aan wapens wordt onze overdaad bewaakt. De bewapeningsuitgaven slorpen per jaar wereldwijd zowat 2,7 % van alle rijkdom van de wereld op. De militaire uitgaven in de hele wereld zijn gedurende het jaar 2003 - mede als gevolg van 11 september – gestegen tot 950 miljard euro, ongeveer 11 % meer dan in 2002. Dat is ongeveer evenveel als in 1987, op het hoogtepunt van de koude oorlog. De strijd tegen het terrorisme en de oorlog in Irak kosten ongelofelijk veel geld. Bijna de helft van dat bedrag komt op rekening van de Verenigde Staten. Anderzijds blijkt het zo te zijn dat 0,1% loonsafstand vanwege iedere ‘rijke’ burger in het Westen – waarachtig een minuscuul bedrag aan ‘stoelgeld’ om dagelijks mee aan te mogen zitten aan de tafel der genodigden in het Rijk Gods – ervoor zou kunnen zorgen dat de 9 miljard Euro per jaar die nodig zijn om voor elk mensenkind de poort naar voldoende onderwijs open te zetten, er komen. De volle schuren blijven echter potdicht voor de grijpgrage handen van wie aan de verkeerde kant van de tafel zitten. Ondertussen sterven daar 30.000 kinderen per dag door honger en ondervoeding…

‘Ik zag ze zitten aan één tafel : Joden en Grieken, door elkaar, alsof dat kon… (Gal. 1,13-16).

Kerk is: waar evangelie wordt gedààn, waar gemeenschap écht begint te lukken. Waar kortzichtigheid zich bekeert en uitmondt in vergezichten van hoop en visioenen van vrede… Nog altijd, tot op vandaag, zijn er mensen die de woorden en het voorbeeld van de dromer hebben onthouden, en ook zo willen leven. Zij komen soms bij elkaar, in één of ander huis (liever niet in een paleis), en delen er brood uit aan iedereen die er zijn hand en hart voor open wil houden. Zij laten ook bekers met wijn rondgaan, en bedoelen daarmee: dat ze zelf als brood en wijn gegeten en gedronken willen worden. En dat ze zo willen kiezen voor een nieuwe verbondenheid met alle mensen. Elke ekklesia zou je een ‘pleisterplaats voor zulke geestesverwanten’ kunnen noemen. Een plek waar de minste leden de kostbaarste zijn. Waar alle scheidsmuren zijn gesloopt, alle kloven gedicht tussen ‘rijk’ en ‘arm… Waar de grote eschatologische droom die in Israël al zolang wordt gedroomd over een hemels banket-zonder-grenzen, voor het eerst in de praktijk op deze aarde is gerealiseerd…

                                         ‘Ik zag ze zitten aan één tafel: Joden
                                          en Grieken, door elkaar, alsof dat kon.
                                          Toen zag ik dat het kon, van nu af aan –
                                          geen argwaan, ijzig zwijgen, schamper lachen,
                                          maar zingen, een nieuw lied, de oude psalmen.
                                          Ik, felle vrome, van mijn paard geworpen,
                                          met open ogen blinde, zag een licht
                                          dat ik nooit eerder zag, en werd een ander.

                                          Ik zag wat vóór mij werd gezien door velen:
                                          de God van onze vader Abraham,
                                          de God van Izaäk, de God van Jakob,
                                          die Israël het eerst heeft liefgehad,
                                          is licht en levensbron voor alle volken,
                                          wil alles zijn in allen. En ik dacht:
                                          geen mens hoeft Jood te worden om in geest en
                                          waarheid om te gaan met deze God.

                                          Ik zag ons aan één tafel, mannen, vrouwen,
                                          zacht, ongesluierd, zonder schele ogen,
                                          knechten en heren, en geen eerste plaatsen.
                                          En allen dronken uit één zelfde beker.                                              
                                          Ik zag, God zal het mij ten hoede houden,
                                          wat nog niet is: zijn geest die velen tot
                                          één lichaam maakt, één mensheid nieuw geboren,
                                          messias-lichaam, aan de dood voorbij.’

                                            (uit het Lied van Paulus – Huub Oosterhuis)

De beweging die door Jezus in het leven werd geroepen en na zijn dood werd voortgezet, voerde het visioen van een nieuwe wereldorde hoog in het vaandel en in het uitdragen daarvan overschreed zij al heel snel de grenzen van het joodse land. Een van haar eerste woordvoerders was Sja’oel - wij kennen hem beter onder de naam Paulus. Van hem stamt het beeld van de jonge beweging als ‘het lichaam van de messias’ (1 Korintiërs 12:27). Hij formeerde gemeenschappen van Joden en niet-Joden samen, op basis van volstrekte gelijkwaardigheid. Daarmee schiep hij een alternatief voor de sociale hiërarchie van de Romeinse wereldorde: alle scheidsmuren vielen weg, alle tegenstellingen werden opgeheven. Hij had een visioen van een wereld zonder grenzen, zonder standen en klassen en bijhorende vervreemding of rechtsongelijkheid. ‘Dus niet meer Jood-of-Griek, knecht-of-heer, man-of-vrouw’, schrijft hij in zijn brief aan de Galaten ‘want allen zijt gij één in de Messias Jezus.’ (Gal. 3:28), * *Nooit meer die altijd dreigende vijandschap dus, die angst, vernederingen en kwellingen die wij allemaal uit aanschouwen of uit ervaring kennen. Als God ons zo thuisbrengt uit onze ballingschap en onze apartheid, - dàt zal een droom zijn…

En het was de in vele kleine verhalen doorvertelde ‘geest’ van Jezus van Nazaret, die hij nooit gezien heeft, die hij enkel kende van horen zeggen (zoals wij), die in Paulus dat visioen heeft wakker geroepen. Die hem deed zien, als was hij tot dan toe een blinde geweest. En hij noemt Jezus de Messias, omdàt deze unieke Mens dit visioen van een wereld zonder scheidsmuren belichaamt. En de gemeente waarin al die verschillende mensen aan één tafel zitten, en hun leven delen, zó dat niemand in nood is of gebrek lijdt, allen verzoend met elkaar en in vrede – die gemeente noemt hij ‘Lichaam van Christus’. Kerk worden in Zijn Geest is: dat Hij in ons tot Messias wordt; dat wij, een toevallige samenkomst van doodgewone mensen, tot zijn ‘Lichaam’ worden, zijn uitstralende kracht in deze wereld. Dat heeft Paulus ‘gezien’ en ‘voorzien’, in die dagen…

Waarschijnlijk heeft de ekklesia die deze ‘Apostel na de twaalf’ zag en hoopte, nooit écht bestaan. Het is ermee als met alle visioenen: even is het waar, en dan is het weg. Maar af en toe flitst het weer op in mensen, en nog eens, en soms duurt het langer dan even, adembenemend. En we geloven op de duur: op de laatste dag zal er een grote ronde tafel in het midden staan met plaats voor zeer velen. Dan zullen we in één eeuwigdurend moment het oudste ritueel spelen van onze traditie: samen brood eten en de beker delen met elkaar. Mensen worden welsprekend in een gebaar van breken en delen, niet meer grijpen en vasthouden. Het wordt een verhaal van vrijgevigheid. Zo is liturgie immers bedoeld: een voorspel op de uiteindelijke bestemming van mens en wereld; een zalige, hemelse voorafbeelding van wat ons samenleven op aarde zou kunnen en moeten zijn. Vieren wat nog niet is: vergeving en verzoening, breken en delen, zijn wat (nog) niet kan en doen wat ondenkbaar is: dood en verrijzenis…

Eén van de grote dromen van de Schrift is de hoop dat alle volkeren ooit een keer bij elkaar zullen komen, aan het eind van onze dagen wel te verstaan, als alles wat geschiedenis heet is ingestort en alle scheidsmuren zijn opgelost in de nevelen van de tijd. Dan zullen alle mensen zonder onderscheid aan één tafel zitten bij de berg Sion, en er uitgebreid maaltijd houden, uitgenodigd door dezelfde Gastheer die sinds mensenheugenis hun Voorspreker is en Toeverlaat. Wat een droom! Alleen al het idee dat geschiedenis en politiek nu al niet meer louter zouden draaien om het behartigen van nationaal egoïsme van afzonderlijke staten en bevolkingsgroepen, rassen of godsdiensten tegenover elkaar. Gedaan met zogenaamde rondetafelconferenties vol belangenstrijd, gedaan met alle conflicten en spanning… Wat een zaligheid dat deze droom ooit door de Bijbel is gedroomd en voor de eeuwigheid is opgeschreven! Men breekt en deelt er het vreedzame brood, en belijdt dat wij mensen en volken niet hoeven te leven ten koste van elkaar, maar ten bate van elkaar. Brood als maaltijd van de samenzwering, een duurzame verbroedering. Het visioen van Jesaja 25,6-8 zegt: ‘De HEER van de machten richt op deze berg voor alle volken een feestmaal aan met uitgelezen gerechten, en met belegen wijnen.’ Dit visioen vertelt dus over een feestmaal waarbij Israël en de volkeren aan één tafel verenigd zullen zijn. Dat is iets ongelooflijks! De Bijbel die zo verschrikkelijk enghartig, zo nationaal-egocentrisch kan zijn, is op plaatsen als deze ineens heel groot en heeft een innerlijke dynamiek die ademruimte schept. Zo mogen wij ons de hemel voorstellen, als een idylle. Want zo zal het ooit zijn, als alles is volbracht… En waarom zal het zo zijn? Niet omdat het mensdom dan één pot nat is, zegt de Schrift, maar precies omdat er onderscheid is tussen de een en de ander, en omdat juist ìn dat onderscheid de een op zijn zondags, op de Dag des Heren, tot de ander kan komen, in respect en vertrouwen…

EUCHARISTIE VIEREN

Het woord ‘christelijk’ heeft voor velen zijn zeggingskracht en betekenis verloren – ‘christelijk’ betekent oorspronkelijk ‘messiaans’, en ‘messiaans’ betekent in de Schrift: betrokken op een komende wereld waar brood en recht en liefde is, genoeg voor allen. Jezus van Nazaret werd Messias genoemd omdat hij de mogelijkheid van zo’n komende wereld heeft belichaamd, én uitstraalt tot op vandaag. Een ‘ekklesia’ beleeft Jezus’ woorden over die ‘komende wereld’ als het ijkpunt van haar geweten.

De eucharistie is vanouds de mooiste ‘oefening-in-spelvorm’ van het Koninkrijk Gods. Dat gebaar van brood breken en delen is ons overgeleverd als de kern van onze traditie. In dat ritueel betuigen wij onze gezindheid, onze messiaanse hoop, en geven te kennen: dat wij die God van Mozes en Jezus willen navolgen. En met ‘God’ bedoelen wij de Stem die, door heel de Bijbel heen, om recht en ontferming vraagt voor arme en vreemdeling, Die roept ‘Red hen die geen verweer hebben’. En wij maken met elkaar de afspraak dat wij het visioen van een ‘koninkrijk van God’ nooit zullen opgeven; dat wij zullen blijven verlangen naar een nieuwe wereld, en onze normen en politieke keuzes zullen blijven toetsen aan dat elementaire ideaal.

‘Viering van de eucharistie’ is een gelofte van navolging: je spreekt uit dat je die Ene zult trachten na te volgen, en je belooft dat je zal proberen te doen wat Hij gedaan heeft en te willen wat Hij gewild heeft. Het is een ritueel waarin je te kennen geeft dat je bereid bent partij te kiezen voor alle hongerende mensenkinderen en lotgenoot wilt zijn van allen die dorsten naar een begin van gerechtigheid. Wij beleven dit ritueel zondag na zondag als de keuze voor dat messiaanse koninkrijk tegen alle politieke en economische machten in – sacrament van hoop dat niets onmogelijk is bij de God van Jezus. Het delen van dat brood en die beker moet ons zondag na zondag weer sterken in de hoop dat een nieuwe wereld komen zal waar brood en recht, ontferming en liefde zullen zijn genoeg voor allen. Er gebeuren dan ook op zondag geen wonderen met brood en wijn, als er geen wonderen gebeuren met de mensen die daarbij aanwezig zijn. Niet alleen brood en wijn worden veranderd in ‘Lichaam van Christus’. Mènsen veranderen – of veranderen niet… Consecratie is: niet alleen het brood dat wordt veranderd, niet alleen de wijn, maar als het goed is veranderen ook wijzelf. Consecratie gebeurt daar, waar mènsen veranderen ten goede, waar zij omkeren tot bevrijding, tot gerechtigheid en vrede. Consecratie is dat het veel te overvloedige brood van de rijken eindelijk tot verzadiging strekt van de armen. De transsubstantiatie vindt plaats in mensen die veranderen tot messiaanse gestalten van deelgenootschap. Zij veranderen van gedaante. Hun verhoudingen worden rechtvaardig. En alle goederen en gaven in hun bevrijdend verkeer worden heilig als zij. Die ommekeer binnenstebuiten, die toewijding aan mekaar – daar is het om te doen. Mensen geven elkaar de beker door. Een simpel gebaar met een grote betekenis. Een ‘beetje’ leven gedeeld, een bekertje verzet doorgegeven. Dat wij met elkaar een wat nieuwer slag mensen worden, een ‘beetje’ hoopvoller, een ‘bekertje’ rechtschapener. In die verkleinde vorm balt zo’n stukje gezegend brood in onze handen de totale waarheid over de samenleving samen. Voedsel, levensonderhoud wordt – mits samen gedeeld – tot manna, survivalkans in de woestijn. Brood uit de aarde wordt ‘brood uit de hemel’ in handen die het doorgeven. Een gemeenschap wordt langzaam omgevormd tot het ‘tastbare Lichaam en Bloed’ van de levende Christus in deze wereld… Zo leren wij terug wat Kerk als mystiek lichaam zou kunnen zijn. Daar waar zij iets van liefdesgemeenschap, deelgenootschap verbeeldt.
Het gaat er in de eucharistie niet om dat enkel brood en wijn veranderen, ménsen moeten veranderen. Want in het hart en de ziel, in de verbeelding en in het verstand van mensen begint de omwenteling van de structuren. Sacrament is niet en werkt niet, tenzij waar daadwerkelijk verandering ten goede wordt volbracht. Door brood te delen en samen de beker te drinken, laten wij aan elkaar merken: dat wijzelf willen veranderen; dat wij onze wereld met zijn scheve tafel ooit willen omtoveren tot een feestzaal waar eerst en vooral de kleinsten welkom zijn. Zo worden wij stilaan mensen die de vage contouren beginnen te zien van dat Rijk waar broederschap heerst, waar niet meer over zondebokken wordt gehoord en niet meer over schuld gepraat, en nergens nog een spoor is van een muur met prikkeldraad of een vergeetput. Geen check-points meer, geen grenscontroles en geen paperasserij – want al het oude is voorbij… En mét dat je het speelt, zingend en biddend, belijdend en vierend, wordt het hoogste ernst, wordt het (tenminste in je dromen) zienderogen waar. Dat wil ook zeggen dat wij er van uit moeten gaan dat mensen kúnnen veranderen: van toe-eigenen naar delen, van bezitten naar vermenigvuldigen, van nog-méér-voor-mij naar genoeg-voor-allen. Het breken van het brood in de eucharistie moet leiden tot de verantwoordelijkheid en zorg van eenieder, dat er overal in de wereld genoeg te eten is voor allen. Opdat dit zou worden gedààn, wordt het nu al spelenderwijze gevierd. En waar het van harte wordt gevierd, moet het dan ook worden gedààn..!

‘De viering van de eucharistie moet de uitdrukking zijn van de bereidheid ‘gerechtigheid’ te doen. Als dat geen partijdige keuze insluit voor de onderdrukten, de slachtoffers van onze meedogenloze vrije markteconomie, dat systeem met zijn cynische en dodelijke ‘survival of the fittest’, dan is het geen eucharistie volgens de oudste tradities van de messiaanse gemeente van Jezus van Nazareth’, zegt H. Oosterhuis in zijn boekje ‘Hagepreken’ (p.85)

We lezen deze verhalen uit het evangelie in de eerste plaats om onze hoop te voeden dat het anders kan. Dat er gedeeld kan worden in de wereld, zoals sommige mensen geregeld brood en wijn delen op zondag in één of ander huis. We beseffen dat het daarbij gaat om een vreedzame opstand tegen het systeem van onze wereld, een systeem dat hongerdood en verderf zaait.

Wat wij ‘eucharistie’ noemen, is daar het gedenkteken van. Spelenderwijze ‘God doen’: brood willen zijn voor de hongerigen, je leven prijsgeven voor anderen, solidariteit ten einde toe. Dàt – en alleszins niet minder – bedoelen christenen die wekelijks brood breken tot Zijn gedachtenis. Het drukt bereidheid uit tot volhouden, voor- spelen en voorspellen: dat ooit alles voor allen zal zijn, dat iedereen ooit zal wonen in een koninkrijk van gerechtigheid, God alles in allen.

Deze vorm van liturgie is vanouds een heilig spel waarin vooruitgelopen wordt op wat nog niet ten volle is, maar waarop alle mensen ten diepste hopen: een wereld die bewoonbaar is voor allen, algemene zuster- en broederschap, niemand teveel of te min, een God die bij mensen wil wonen, liefde die deelt alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. In de liturgie wordt deze nieuwe wereld al even verwoord en verbeeld, in tekens en symbolen present gesteld, in verhalen van toen en nu of in dromen en visioenen van morgen voort verteld en uitgezongen, in mensen van alle leeftijden en gezindheden gekoesterd als een kostbaar geheim en op zijn haalbaarheid getoetst.…

Zonder de geregelde confrontatie met dat visioen, waarin we enerzijds onze hooggestemde verwachtingen mogen herkennen, maar anderzijds ook worden uitgedaagd tot een levensverandering die diep in ons vlees kan snijden, verschraalt de gemeenschap tot een kleine exclusieve club en verliest ze haar bestaansopdracht.

Hier raken we aan het geheim van elk sacrament: het is verdichtingspunt en kristallisatie van leven en samenzijn. Een spel aan woorden voorbij. In het gebaar van het broodbreken wordt uitzicht gegeven op het Koninkrijk dat komt. Zo komt het naderbij, zo wordt de weg geëffend er naar toe. Vieren van eucharistie is elkaar voorspelen dat niets onmogelijk is bij God. Jezus, de zoon van Jozef de dromer doet voor hoe mensen met elkaar moeten omgaan. Hij is de voorganger en wegbereider. Brood nemen, de beker heffen om handtastelijk en proefondervindelijk te ontdekken hoe zinvol het is wat we dromen: een aarde waar alle honger is gestild en alle dorst is gelest – honger naar gerechtigheid en dorst naar vrede. Een welsprekend gebaar en een veelbetekenend woord, waarin wij voor elkaar ons geloof uitbeelden. Breken en delen, doen wat niet kan…

De aarde heeft genoeg voor ieders nood, zegt de Schrift, maar niet voor ieders grijpgrage handen. Als ieder wil delen wat hij heeft, komen dromen uit, worden visioenen waar. Dan zullen we weten wat leven is. God zal zelf brood worden en mensenrecht. Genoeg voor een hongerige menigte die niemand tellen kan. Met gebroken brood versterken wij de honger naar een onverminkt bestaan en met vergoten wijn verhevigen wij de dorst naar een geheelde samenleving. Een uitdaging om zo vrijgevig en zo goed als God te zijn. Meest bondige samenvatting van die ‘gezindheid’ is het ritueel van brood en wijn.

Elke eucharistieviering formuleert haarscherp de bijbelwaarheid: delen is vermenigvuldigen. Logenstraft een economie die wel wil weten van productie, maar niet van het Brood dat veelzeggend messiaanse wijsheid vertolkt. Elke eucharistie is een voorafbeelding van hoe het er zou kunnen aan toegaan in onze wereld. Een getuigenis van hoop. Zondag na zondag delen wij brood en wijn: een klein, sober en kwetsbaar gebaar. Dit brood dat wij in bij de communie breken en delen sterkt ons om uitzicht te blijven houden op het Koninkrijk en op Gods Koninklijke heerschappij. Daarom komen wij wekelijks samen rond de tafel, en eten van hetzelfde brood, in herinnering aan onze uitverkiezing, en drinken uit dezelfde beker tot gedachtenis aan de vreugde die komen gaat. Met de uitgesproken verwachting: kon het toch waar zijn dat we elkaar ooit aan de ene tafel zouden kunnen ontmoeten, mededeelzaam en mededelend als broeders samen, ‘kinderen van Israël’ die elkaar niet meer naar het leven staan. Ter wille van Hem wiens bloed vergoten is, Hij degene die bijna slachtoffer was van onze broedermoord, houden wij deze gebaren in ere, tot Zijn gedachtenis.

Heel de wereld kan aan deze ene tafel. Er is geen honger meer. Want honger is maar waar ieder in zijn eigen hoekje zijn eigen maaltijd neemt: de éne alles, de andere niets. Als wij maar broederlijk delen is er altijd eten genoeg. Komt dus en eet, zegt de Dromer. Hij wil alle mensen van alle tijden als één gezin naast elkander zien zitten. Liturgische riten zijn gespeelde profetie. Ze houden ons een diepte en directheid van leven voor, die wij nog niet aankunnen. Meedoen aan zo’n rite is: je laten gezeggen door de toekomst, inspelen op wat nog moet komen. Spelen dat de toekomst al begonnen is. Doen alsof het einde van de wereld er al is. God die met hemel en al op aarde komt. Gerechtigheid en vrede wereldwijd. De beker die rondgaat tussen de tafelgenoten is vol van betekenissen; alles waar mensen kracht en moed en vreugde aan ontlenen, dat drinken ze in: Wie is de Schenker? De Messias! Wanneer komt Hij? Als allen elkaar gekleed, gevoed, gehuisvest hebben, als allen elkaar de beker van gemeenschap hebben aangereikt. Dan zul je zien dat de Messias gekomen is en dat de dromer tenslotte toch gelijk heeft gehad… Liturgie is ten diepste ook altijd ‘dienst der verzoening’ van persoonlijk en maatschappelijk onrecht. Dat is de gewichtigste taak die de gemeente in navolging van Jezus kan verrichten. In het gebaar van het breken van het brood wordt Hij herkend, en wordt uitzicht gegeven op het Koninkrijk dat komt. Zo komt dat Koninkrijk naderbij, zo wordt er een glimp van opgevangen, zo wordt de weg geëffend er naar toe. Eucharistie vieren is verzet, een alternatief gebaar tegen een cultuur van steeds meer voor steeds minder mensen. Om voorgoed te weten: als je het brood dat je hebt maar blijft breken, is er voor iedereen genoeg. Het evangelie draait er om, dat er gedeeld wordt, niet dat er vermenigvuldigd wordt. Het is geen verhaal van magie, maar van diaconie. Het gebaar, dat er bij hoort, is dat van uitdelende handen. Het wonder komt op gang, zodra er één afstand doet van wat hij heeft, afstand van het hebben. Alle delen leidt op één of andere manier tot genoeg voor iedereen, het steeds maar vermenigvuldigen daarentegen loopt fataal uit op tekort voor velen. Dat is bijbelse rekenkunde, elementaire mathematica uit Israël… Dat deelgebaar, die handreiking, die mime van mededeelzaamheid beheerst elke eucharistieviering. De tafeldienst is een stilering van het evangelie van de broodvermenigvuldiging, een leerschool voor diaconaal bestaan. Zo moet echte liturgie bedoeld zijn. Het bijbelse verhaal beluisteren, en solidariteit voelen groeien. Uitgetild worden boven de eigen onmacht. En terwijl de Schriften zich ontvouwen, diep in jezelf ervaren: dit woord gaat vandaag nog in vervulling, als ik het wil. En dan tenslotte afspreken om mekaar nooit meer los te laten. Tot volgende week dus, broeders en zusters! Sjaloom lacheiem – ‘tot volgend jaar in Jeruzalem, de stad van vrede…’ Eucharistie is de omkering van al wat in onze wereld zo vanzelfsprekend is. Het gaat bij elke samenkomst om een voorbeeld, een model, een patroon een ‘trend’. Zo dient in het koninkrijk Gods gehandeld te worden. Elke wekelijkse eucharistieviering is een kleine oefening in leren breken en delen – een herhaling en opvraging van de ‘ tafels van delen’ uit de lagere school van weleer…

Een christelijke gemeenschap maakt zich minstens één keer per week ongerust over de toestand van de wereld, is verontwaardigd, wil weten, protesteert, koestert hoop. Zij probeert zich steeds weer een beeld te vormen van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, en stap-voor-stap op zoek te gaan naar ‘iets meer recht voor iets meer mensen…’ Een christelijke gemeenschap is ook een plek waar zulke levensbelangrijke gebaren niet belachelijk worden gemaakt en niet voor onmogelijk worden gehouden. Waar zelfs na de ontnuchtering van de harde feiten de hoop wordt levendig gehouden dat het toch altijd nog kàn, en waar we elkaar op de hoogte houden van de kleine en grote wonderen van recht, ontferming en liefde die binnen het bereik van onze ogen gebeuren en die in de grote wereld om ons heen wellicht het begin zijn van een nieuw tijdperk, een nieuw millennium. Vieren van eucharistie is elkaar voorspelen dat niets onmogelijk is bij God.

Het is volgens het oudste messiaanse getuigenis en in de geest van Mozes en de profeten, en door Paulus zo gezegd: dat niet het brood veranderd wordt in het lichaam van Jezus; maar dat wij die ons brood delen in de geest van Jezus en zijn liefdestraditie, veranderd worden in ‘het lichaam van de Messias’, en samen zijn ‘werkelijke tegenwoordigheid’, zijn ‘realis praesentia zijn in deze wereld, zijn geestkracht, zijn geschiedenis van Liefde. Want Liefde is te doen – ze resulteert in recht voor ieder mensenkind, brood voor iedereen, vrede en een nieuwe wereld – en de honger, de armoe en de dood zullen niet meer zijn. Het moet de verantwoordelijkheid en de zorg van ieder zijn dat er genoeg te eten is voor allen. Opdat dat wordt gedaan, wordt het gevierd. Als het wordt gevierd, moet het worden gedaan.

Kerk is waar evangelie wordt gedaan, waar gemeenschap beging te lukken. Evangelie is manifest van gerechte wereldorde van plaats aan tafel voor alle volken, elke mens. Omkering dus van de ideologie van de vrije markt. Brood breken is minstens evenzeer maandagsplicht als zondagsplicht. Wij moeten er durven een begin mee maken. Het is te doen. In een wereld die vernietigt aan heling blijven werken. De wereld moet één tafel worden, één messiaanse tafel van gerechtigheid. De maaltijd van de volken, elk naar aard en kleur en route van leven: minder kan een liefdemaal toch niet zijn? De armen zullen erin voorgaan.

Dat spel van sacramentaliteit is het meest sprekend en onbedorven bewaard in de viering van de Eucharistie, het breken van het brood dat niet wordt opgespaard maar gaat van hand tot hand en het drinken van mond naar mond uit de éne beker. Wij delen het brood in Jezus’ naam en zeggen tegen elkaar: ik wil vrede met jou. Wij delen de beker en zeggen tegen elkaar: ik ben jouw bloedverwant. Twee keer een klein gebaar met grote zeggingkracht. Wij zijn bereid, zeggen die delende handen, tot het delen van onze overvloed. Eucharistie vieren is het leven in handen nemen en het zijn diepste bestemming geven: dat het brood zou worden, voedsel, levenskracht, gedeeld door velen; dat het een beker zou zijn van vreugde en verbondenheid met velen.

‘Wie deelt wat hij heeft is waard dat hij leeft.’ Een klein stukje brood, maar het draagt in zich een verwijzing naar een koninklijk feestmaal. Het is een herinnering aan alle goeds dat God voor mensen en hun wereld in petto heeft. Elk gedeeld stukje brood, zo simpel als het is, is een teken van samenzwering tegen het kwade, tegen alles wat minacht wat de hemel hoogacht. Daardoor worden wij ingelijfd in die grote familie van de ‘kinderen van Israël’.

Het is ook goed dat we bij het vieren van het avondmaal in een kring staan of zitten. Want daar is geen eerste en laatste, geen einde of begin. Een kring verbeeldt het rond der aarde. Wij belijden met die liturgische vorm dan een geloof waar we in het wereldleven nog geen raad mee weten, een geloof dat ons ooit zal inhalen en overstelpen. Tegenover de piramide staat dan het beeld van de ronde tafel, in één of ander bovenzaaltje, een ‘cenakel’ of zo… Of nog: op ergens een plek groen gras in de wijde natuur, met in het midden de denkbeeldige tafel van vermenigvuldiging, met niets daar op dan vijf broden en twee vissen. Een kring van broederschap, een rondetafelconferentie van verbond en verband in open lucht… Die tafel staat, als het goed is, naar bijbels patroon geschikt, perfect in evenwicht: horizontaal en waterpas, zonder hellend vlak of schuif-af. En alle mensen zitten er om heen, nevengeschikt op grond van evenwaardigheid. Zo liturgie vieren is beeld voor een andere wereld, een ander samenlevingsmodel. Een ekklesia is een groep mensen die de verontwaardiging over het lot van de armen geërfd hebben van de bijbelse profeten. Zij creëren daarom een plaats van ongerustheid, van vragen hoe en waarom, en van diep nadenken en afwegen, van lezen en herinneren. Zij zitten elke zondag samen om brood en wijn te delen en hun honger naar gerechtigheid, hun dorst naar vrede, het nieuw begin van de omgekeerde wereld te vieren. Een uur van opladen en vorming van innerlijke tegenkracht. ‘Het avondmaal én de kruistocht tegen de honger, dat samen is christendom. Het gebaar van de breking van het brood en de deling van de voorraad is het principe van de wereldvrede…’ (W. Barnard)’

In elke eucharistie wordt het volstrekt omgekeerde uitgebeeld van wat onder de mensen regel is, namelijk dat mijn brood me niet smaakt als het niet gebroken en gedeeld wordt. *Ik * kom pas tot mijn recht als het een deel is van wij. Er zijn meer dan genoeg volle borden beschikbaar op de tafel van de wereld. Er is echt wel ‘genoeg voor iedereen…’ zoals het bekende liedje zegt. En toch zijn er zoveel mensen die er niet voldoende van te zien krijgen…

Er is de huiskamertafel en er is de wereldtafel. Ze moeten, als het goed is, bij elkaar aansluiten, en beide moeten recht staan. Als op de aarde één messiaanse tafel van gerechtigheid staat, dan scharen alle volken zich daar hongerig aan. Zolang geen genoegdoening wordt gegeven aan de armen, hebben wij het recht niet van als rijken ‘apart’ aan tafel te gaan zitten.De tafel van de eucharistie is de wereldtafel, de maaltijd van de Heer is de wereldmaaltijd-in-het-klein. Die tafel staat echter scheef, en moet eindelijk worden recht gezet. Zij die zich bevinden in het centrum van de Eerste Wereld, hou kunnen zij voorgaan in deze maaltijd? Wij zijn allang niet meer de eerst aangewezenen om voor te gaan aan die wereldtafel van de gerechtigheid. Want wij zijn het die deze tafel sinds eeuwen zo scheef hebben gezet, dat de potten, pannen en schalen steevast onze kant opglijden. Wij zitten daarbij ook nog op de allereerste stoelen. En daarom zijn wij juist de laatst aangewezenen om voor te gaan in de maaltijd van de gerechtigheid. Alleen armen kunnen voorgaan aan de ene wereldtafel van de gerechtigheid. Waar brood ontbreekt, laat zich dat pijnlijk voelen. Eerst als de wereldtafel wordt rechtgetrokken, met sjorren en sjouwen, kan de broodbreking beginnen. Dan pas is avondmaal geloofwaardig. Het kerkelijk brooddelen is een heilig ritueel. Maar het is heiligschennend, het is blasfemisch, mooi doen ten dode, als het daadwerkelijke delen er niet aan vooraf gaat en niet op volgt.. Er is wellicht op dat vlak nooit zoveel doodzonde geweest als heden ten dage…

Ons wekelijks samen aan tafel gaan mag en kan nooit een vrijblijvend spel zijn. Want in gebrek en honger sterven duizenden kinderen per dag. De tafel van samenkomst der christenen moet allereerst een plaats zijn waar we ons laten oproepen tot daadwerkelijke solidariteit met de armen, de kanslozen die altijd aan de verkeerde kant van de wereldtafel worden gezet. Kan dat eigenlijk wel, het heilige spel spelen van brood en wijn in je zondagse pak, breken en delen te samen met de andere verzadigden in een soort van exclusieve club, en tegelijkertijd ongegeneerd het koren blijven opslaan in de silo’s thuis en in de graanschuren van de welvaartsstaat ‘?

De echtheid en geloofwaardigheid van onze liturgie is: dat wij er een heldere diagnose durven stellen van wat er met onze wereld aan de hand is. De schoonheid en belangrijkheid ervan is: dat wij er het visioen hoog houden dat ons doet uitzien naar een samenleving waar ieder ooit een plaats krijgt aan de tafel der vermenigvuldiging. Viering van de eucharistie moet de uitdrukking zijn van de bereidheid gerechtigheid te doen. Als het geen partijdige keuze inhoudt voor de onderdrukten, de slachtoffers van onze meedogenloze vrije-markteconomie, dat systeem van de ‘survival of the fittest’, dan is het geen ‘eucharistie’ volgens de oudste traditie van de messiaanse gemeente van Jezus. Wanneer het de gevestigde toestand in de wereld van vandaagalleen maar bestendigt en de hoogte in prijst, is ons vieren niets meer dan een schijnvertoning. Wij vieren dan eucharistie onder elkaar, al ‘cocoonend’. Godsdienstbeleving en kerkbezoek als privé-zaak. Zo hebben zelfs de niet-gelovigen aan de rijke kant van de wereld dat het liefst. Maar is dat ‘katholiciteit’? Wij steunen en reproduceren zo ook, als allerkleinste cel, een katholiciteit van de sterkste. Brood breken is niet zozeer zondagsplicht, maar staat vooral op de agenda van de rest van de week. Elk heilig avondmaal, met brood en beker, en met een aandachtig geweten, is een ondermijning van de wereldmacht.

Elke eucharistieviering is een ritueel protest tegen de wereldhonger. En tegelijk, als het goed gaat, een allerkleinste begin van hoop. Brood breken en delen in Zijn naam betekent: dat je een wereld wil waar brood en vrijheid is voor alle mensen. Zijn beker drinken betekent: je sterk maken voor een nieuw verbond waarin wij worden opgeroepen ons samen verantwoordelijk te voelen voor het bewoonbaar maken van deze wereld. Wie in dat heilige uur op zondag zijn hand ophoudt, brood neemt en eet, zegt daarmee dat hij een nieuwe wereld wil, waar brood en vrijheid is voor alle mensen. En wie uit de beker drinkt, al is het maar een vluchtig slokje, kiest voor een nieuw verbond, een verwantschap van bloed en hartenklop met alle mensen… Dat eenvoudige ritueel van brood en wijn moeten wij telkens opnieuw proberen te verstaan en vormgeven naar zijn oorspronkelijke bedoeling: als teken van bereidheid tot gemeenschap over taalgrenzen en scheidsmuren heen; bereidheid om onze levenskracht, onze tijd en ons geld te delen met hen die (veel) te weinig deel van leven hebben. En dat wij ons zodoende verplichten aan het visioen van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waar brood en liefde genoeg is voor allen. Wij louteren dat visioen zondag na zondag, wij verdichten het tot een simpel gebaar van protest tegen honger, noodlot en onrecht – èn tot een gebaar waarin wij te kennen geven dat wij horen bij dat verhaal over onvoorwaardelijke liefde, dat verhaal van die Dromer-Jezus, de zoon-van-Jozef. Zondag na zondag herkennen wij het beste van onszelf in deze Man van Nazareth. Hij die wordt beschouwd als de eerstgeborene van de nieuwe schepping, de eerste autochtone inwoner van het Beloofde Land. Het evangelie noemt hem: Brood voor het leven van de wereld…

Bij elke eucharistieviering sta je als christen op het scherp van de snede tussen dood en leven, in de ruimte tussen de slagschaduw van de piramiden en het wenkende perspectief van het Beloofde Land. Brekend en delend roep je elkaar op om mee te werken aan de bewoonbaarheid van deze voorlopige tussenruimte, deze woestijn van veertig jaren lang. Want alleen door te delen ontstaat er nieuw leven op deze planeet. Dat kan je leren van de kleinste cel – elementaire les van biologie die – zo vermoed ik - tot de ‘eindtermen’ van het lager onderwijs behoort: houdt het delen op, dan houdt ook het leven op. Zo simpel is dat om te begrijpen, zo wezenlijk is het om te doen.

Brood breken tot Zijn gedachtenis is een ernstig en verplichtend spel. Je maakt een geladen maar volstrekt ondubbelzinnig gebaar: opstaan, naar voren komen, je hand open houden, het brood ontvangen. En je besluit: ik ben van dat gebaar, liefdesgebaar tegen noodlot en willekeur in; ik wil horen bij dit verhaal over mededeelzaamheid als onze laatste waarheid… En je zegt terwijl je je hand ophoudt en het brood ontvangt, je zegt met luide stem of mompelt binnensmonds: ‘Amen. Akkoord. Ik doe mee…’ Of op zijn bijbels: ‘Hineini, hier ben ik, kome wat komt. Mij geschiede naar Uw woord…’
‘Wij zeggen amen op ons eigen geheim’, zei Augustinus in de vijfde eeuw tot zijn Noord-Afrikaanse gemeente over dit ‘ter communie gaan’. Dat is inderdaad ons grote geheim: dat wij geen leven hebben tenzij wij het delen, dat wij het moeten geven om het te kunnen ontvangen. Samen eten’ is meer dan het stillen van honger. Het is solidair willen zijn met allen. ‘Zolang er ergens in de wereld honger heerst, is onze eucharistieviering overal onvolmaakt…’ (P. Arrupe) De wereldkaart die in onze gebedsruimten hangt is nog onvoldoende ons blikveld, onze norm van waaruit we bidden, maaltijd vieren en beslissingen nemen. Daarom is het goed dat wij nu en dan beseffen: we zijn er nog niet! De tafel in het midden, beladen met brood en wijn, staat eigenlijk nog niet genoeg in het midden, is nog onvoldoende bereikbaar voor iedereen.

Zo moet échte liturgie bedoeld zijn. Bereidheid om alles te delen met elkaar. Vandaag reeds in praktijk brengen waar je voor morgen op hoopt. Spelen dat de toekomst al begonnen is. Doen alsof het einde van de wereld er al even is. God die met hemel en al op aarde komt, met gerechtigheid en vrede wereldwijd. Elke eucharistie is een deelteken, de eenvoudig-samengebalde, symbolische weergave van het visioen van een omgekeerde samenleving. De uitbeelding spelenderwijs, dat delen in wezen vermenigvuldigen is. In elke eucharistieviering wordt het alternatieve programma van de dromer Jezus-Messias even op micro-schaal in praktijk gebracht: een andere economie dan die van grootgrondbezit en ophoping van kapitaal bij enkelen, een verdeel-economie die recht schept, de volkshuishouding van Gods Koninkrijk. Evangelie gebeurt aan één tafel, in een wereldeconomie, een volkshuishouding waar rechtvaardig gedeeld wordt, zodat er altijd en voor iedereen brood in overvloed is. Mens-worden en delen zijn hetzelfde. Het laatste is gewoon voorwaarde voor het eerste. Een mens heeft twee handen om te geven, en twee om te ontvangen. Die om te geven reiken het verst. Gemeenschap gebeurt, waar kortzichtigheid zich omkeert tot vergezichten van hoop en visioenen van vrede…

Liturgie is - zachtmoedig én overmoedig tegelijk – altijd een beetje op de feiten vooruit lopen. Economie, oecumene, politiek en ethiek inoefenen voor straks, in het Beloofde Land. Nieuwe, beschaafde, ‘Israëlitische’ tafelmanieren aanleren. De etiquette van het Rijk Gods installeren. Zonder veel protocol doen wat moet gedaan: recht voor ieder mensenkind, brood voor eenieder, vrede overal…

Het gaat erom dat delen vermenigvuldigen wordt, dat delen leidt tot helen. Er is een samenleving mogelijk, zegt de dromer, waarin wij samen kunnen leven van het weinige of veel te vele dat er is. Dat geloofden de eerste christenen, en ze vertrouwden er op dat die leefregel ook praktisch uitvoerbaar was: ze leefden er van en leefden er naar…

Samenstelling: geert dedecker

Zoeken in Preken Online