BEN IK BIJ DIEGENEN DIE GERED WORDEN ? C 21
De 3 lezingen in de eucharistie zijn altijd op elkaar afgestemd en deze zondag zijn de rode draden ‘vermaning’ en ‘oordeel’. Dat zijn niet meteen geliefde thema’s, maar het is heel goed dat we er bij stil staan. Iemand in Jezus’ gezelschap stelt luidop de vraag of er weinigen gaan gered worden. Is die vraag niet eigenaardig en negatief geformuleerd? “Zijn het er maar weinigen die gaan gered worden?” Normaal zou dat klinken als: “Gaan er velen gered worden?” Je zou denken dat de vraagsteller ergens opgevangen heeft dat het er inderdaad maar weinigen zullen zijn. We mogen vermoeden dat dé vraag die Jezus’ leerling eigenlijk wil stellen, de volgende is: “Zal ík bij de geredden zijn?”. Is dat ook niet onze bezorgdheid? Het zou naïef zijn te denken dat Jezus een getal gaat plakken op het aantal mensen dat gered zal worden en Hij antwoordt ontwijkend, maar tegelijkertijd toch duidelijk. Hij wijst erop dat wij zelf in de hand hebben of Hij ons later zal herkennen en ons tot de zijnen rekenen.
Wij zouden ook aan Jezus de vraag willen stellen of het oordeel later gunstig zal uitvallen voor ons op basis van wat we doen. We moeten ons afvragen of we niet een tandje kunnen bijsteken. Moeten we niet zelf op zoek gaan naar nog andere plekken, andere mensen, andere omstandigheden om juist iets extra te doen? Om iets te doen wat geen routine is, maar een echte inspanning vraagt.
We mogen helemaal niet somber worden bij de gedachte dat we geoordeeld zullen worden. Een gezonde vrees dat we misschien niet goed genoeg bezig zijn, kan ons juist vooruit helpen om het beter te doen.
Veel gevaarlijker is een gevoel van valse zekerheid dat we als gelovige en christen dicht bij Jezus staan en alles dus in orde is.
We spannen ons in om geen kwaad te doen en vinden dat voldoende. Maar er wordt meer van ons verwacht: Daar bovenop moeten we het goede doen en daar zelf initiatief voor nemen. Dat is niet gemakkelijk. Het is zoals je door een smalle deur wringen. Er zijn momenten in ons leven waarop we dat bewust kunnen waarmaken. Dat gebeurt wanneer we de verhalen over Jezus niet alleen mooi vinden en doorvertellen, maar wanneer we ze in ons eigen leven toepassen. Bijvoorbeeld wanneer we zoals de Samaritaan toestappen op iemand die op hulp rekent, wie die ook moge zijn. Of wanneer we ons niet laten meeslepen door polemieken over asielbeleid, maar in elke mens proberen te zien waar hij of zij echt lijdt. Of ook wanneer we zowel voor onszelf als voor anderen beseffen en beleven dat er na elke fout vergeving gevraagd en gegeven kan worden opdat het goede in onszelf en de ander kan blijven kiemen.
Als we zo leven, zal Jezus ons wél herkennen wanneer we tegenover Hem zullen staan. Omdat Hij in ons een stukje van zichzelf zal weerspiegeld vinden, hoe klein ook in vergelijking.
Door ons doopsel mogen we kind van God heten en door onze gelovige opvoeding durven we ons bevoorrecht noemen. Ja, wij zijn bij de eersten, bij hen die van meet af aan Jezus hebben leren kennen. Net daarom lopen we ook gevaar dat we dat vanzelfsprekend vinden en een vlak gelovig leven gaan leiden. Als we ons er niet van bewust blijven dat we onze inspanningen moeten blijven vernieuwen, riskeren we achterop te geraken, te vervreemden van Jezus en dus… bij de laatsten te belanden.