Er zijn mensen in streng-christelijke plaatsen die geen verzekeringen afsluiten en die zich niet laten inenten. Want, zeggen ze, alle menselijke berekening sluit je af van de genade van God. Je gaat vertrouwen op wat je zelf hebt zekergesteld, en niet meer op Gods hand. En voor het overige zorgt de christengemeente. Het blijkt nog zo te werken ook.
Er zijn mensen die wegtrekken uit de consumptiemaatschappij en arm gaan leven, in een klooster of in een hulpbehoevend land. Zij zeggen: wij hebben de luxe van onze welvaartsmaatschappij niet nodig: het is beter te leven uit Gods hand, dan heb je samen nog genoeg. En voor het overige zorgt de gemeenschap waarin je leeft. Het blijkt nog zo te werken ook.
Er zijn doorheen de geschiedenis hele volksstammen mensen geweest die nog geen fractie hadden van wat wij hebben, immers, onze tijd is zonder twijfel de rijkste en welvoorzienste van de hele mensengeschiedenis, en toch trokken zij weg, lieten alles achter, verkochten wat ze bezaten aan de armen, en waren dolgelukkig. Zij zijn ons door de generaties na hen te voorbeeld gesteld, en zij heten Abt Antonius of Franciscus van Assisi, of Karel Houben. Ze waren niet wereldvreemd, maar hadden een profetische blik over de samenleving. Ze waren gelukkig, zijn niets tekort gekomen, hun vertrouwen werd niet beschaamd. Voor het overige zorgde namens God de gemeenschap waarin ze leefden.
De heiligen die wij vasthouden hebben allemaal iets gehad van: zoekt niet wat op deze aarde rijkdom heet, maar zoek uw schatten in de hemel, waar dat ook zijn mag. Zet uw hart op God, en niet op wat je bezit. Een avontuur, want ze gaven daarmee de gewone zekerheid op, al die dingen die je bestaan zo veraangenamen. Ze kregen er een andere zekerheid voor terug, hoewel… zeker? Is niet de reden waarom zoveel gewone mensen niet dat avontuurlijke hebben, dat wij eigenlijk nog helemaal niet zo zeker zijn van God en elkaar? Is het Rijk Gods zo concreet voor ons, dat wij bereid zijn wat we nu kunnen zien en pakken op te geven? Sterker nog, zeggen we dan, is niet de wereld vindplaats van God? Zijn de materiele dingen ons niet gegeven om te gebruiken? Waarom dan zo ascetisch zijn en er niets van willen weten? Zijn de levensgenieters waar onze tijd zo van overloopt niet veel meer open naar wat God geeft dan de kloosterlingen?
We hoeven ons niet voor de gek te houden. U en ik zijn zo gehecht aan de dingen van deze wereld omdat we diep in ons hart nog niet genoeg kunnen loslaten. We zijn in feite verslaafd, al horen we dat woord niet graag. Dat komt vooral omdat God ons niet concreet genoeg voor ogen staat. God, dat is bij de meesten iets voor bepaalde momenten (doopsel, communie) en voor het einde (nooit iets met God hebben en wel bedienen en plechtig vanuit de kerk begraven)… Nou, dat laatste, dat is niet te moeilijk
18e zondag door het jaar C - 2007
C-cyclus · Tijd door het jaar · 18e zondag · groen