ZEVENTIENDE ZONDAG DOOR HET JAAR C
GODELIEVEPAROCHIE ROESELARE – 27 / 28 juli 2019
Lezingen: Gen. 18, 20-32 en Lc. 11, 1-13
Inleiding op de lezingen
Zoals iedereen weet: God gaat in de wereld Zijn ongekende en eigenzinnige gang. Hij laat Zich niet interviewen. Er is geen Rekenhof dat Hem controleert, geen kritische journalist die Hem bestookt met lastige vragen, geen Raad van State die Hem terug kan fluiten. Nooit legt God rekenschap af van Zijn doen en laten. Hij houdt geen vragenuurtje in de Kamer en geen zitdag op kantoor. Hij laat zich zelden of nooit zien op het wereldtoneel en ook niet op ons persoonlijk plankiertje. Hij verdraagt geen supervisie of begeleiding, wanneer het wat moeilijker loopt met Zijn handel en wandel. Als het er op aankomt verantwoording af te leggen van Zijn beleid, laat Hij het afweten. En wij hebben het daar moeilijk mee…
Als God nu eens elke week op een vast tijdstip een persconferentie zou houden, dan konden wij Hem tenminste één en ander vragen. Waar bent U zoal actief geweest in de voorbije week, Here God? Waarom gaat alles dag na dag in de wereld zoals het gaat? Wanneer grijpt U eindelijk eens in? En hoe denkt U uw plannen voor de toekomst uit te voeren? Of heeft U geen nieuwe plannen..?
Zeer uitzonderlijk: in de eerste lezing van vandaag moet God op functioneringsgesprek – en wij mogen even mee luisteren. En jawel, het is een mèns, Abraham met name, die de vragen mag stellen en de grenzen van het goddelijke beleidsplan mag aftasten. God voor even in de rol van werknemer, en de mens als Zijn diensthoofd… - dat is waarempel de wereld op zijn kop. Typisch bijbels, in elk geval.
In de evangelielezing wordt ons gebedsleven gescreend en doorgelicht. Bidden wij soms – en zo ja: hoe doen we dat dan? Hoe functioneert dat; wanneer werkt het wel en wanneer niet? Haalt het iets uit als we bidden? Verkrijgen we dan stante pede wat we vragen, en worden we altijd op onze wenken bediend? Waarom werkt het de ene keer wel en de andere keer niet? Zeer interessante vragen alleszins… We mogen horen hoe Jezus met die vragen omgaat, en ons gebedsleven fundamenteel heroriënteert.
Homilie
Gode-lieve mensen,
dat stukje uit Genesis 18 over Abraham die met God op de markt staat, en daar ongegeneerd bij Diens goddelijke ‘santenkraam’ begint af te bieden, dat is voor mij één van de mooiste en meest ontroerende stukjes uit de hele Bijbel. Het is toch prachtig: dat je als pleitbezorger van kleine, rechteloze mensen tegen deze God mag ‘zagen’ en Hem mag lastig vallen. Dat je je dossier zoveel keren opnieuw mag indienen als je dat noodzakelijk vindt, totdat recht is geschied. Dat je die God zelfs mag aanklagen bij de Raad van State wegens te weinig luisterbereidheid, of wegens te hardvochtig, te veeleisend, te ongenadig, te weinig betrokken, te ‘objectief’ in zijn eerste oordeel dat een groot voor-oordeel blijkt te zijn…
De verteller laat horen hoe Abraham, bij het horen van Gods harde oordeel over de goddeloze steden Sodom en Gomorra, als een echte oosterse sjacheraar begint af te pingelen: ‘O Heer, zou U de stad niet willen sparen als er nog vijftig rechtvaardigen zouden zijn? En als er slechts vijfenveertig waren? Of veertig? Dertig? Twintig? Of misschien maar tien..?’ Het is een intens, gedurfd en volgehouden pleidooi van de oude patriarch - tot zes keer toe blijft hij maar pleiten tegenover God, Die hij toch gaan-de-weg heeft leren kennen als de grote Beschermheer van elke kleine mens.
Zo concretiseert zich in dit merkwaardige 18° hoofdstuk uit het ‘Boek van de menswording’ gaandeweg steeds meer de roeping van Abraham (dat is: van elke gelovige, van jou en van mij!): gastheer zijn voor de vreemdelingen (dat was de eerste lezing van verleden zondag), en advocaat ‘pro Deo’ worden van degenen die dreigen ten onder te gaan in de ‘verziekte’ goddeloze steden der mensen; uitsluiting en onleefbaarheid met man-en-macht tegengaan, en daarvoor desnoods in de clinch gaan met God zelf.
Dat is ook de functie van de Kerk in deze wereld: die harde mentaliteit van het recht van de sterkste en dat gebrek aan gastvrijheid in het Sodom en Gomorra van onze dagen telkens weer proberen om te keren in zijn tegendeel. Geloven dat we minstens met tien zijn die dit verzet tegen onrecht zullen blijven aanhouden (al is het natuurlijk niet verboden om met tien maal tien te zijn - met duizend eventueel om het nog beter aan te kunnen…) Maar ben je met tien (het minimum om een geldige geloofsgemeenschap te vormen, volgens de Joodse traditie) dan is dat eigenlijk in principe al genoeg.
Bidden bij zo’n schriftverhaal is: in ons geheugen op zoek gaan naar die tien rechtvaardigen, die als het ware ‘van nature’ gewend zijn ànders naar mensen te kijken (enfin, dat denk ik toch, dat die mensen daar als het ware mee geboren zijn, met die blik van mededogen – al zullen zij het natuurlijk ook wel gaan-de-weg hebben geleerd met vallen en opstaan, zoals Abraham…) Als je Chris Saelens er bij zou roepen en Daniël Alliët en Rudi Vranckx, Jef Devisscher, Mgr. Romero, Roger Ponseele, Ludo Van de Velde en Tere zijn vrouw, zuster Jeanne Devos en Jacques Gaillot, de vrijwilligers van Huizen van Vrede vzw en Zuster Noëlla van Integraal in Brugge, de mensen van ’t Hope en van De Kerit in Roeselare, van ASKOVI in Izegem en Karibu in Anzegem… (je hoort het, ik kom al gauw aan méér dan tien!) en al die andere mannen en vrouwen, gewijd of niet gewijd, die zich dag na dag rusteloos inzetten om iets meer bestaans-recht af te dwingen voor iets meer mensen… Wat zouden zij zeggen over die maatschappij van Sodom en Gomorra van tegenwoordig, over de mensen die daar dreigen verloren te gaan, én over de rol van kerkmensen zoals u en ik daarin?
Mijn persoonlijk bidden is in deze zeer concreet: vastberaden in de leer blijven gaan bij dergelijke kleine en grote profeten, en steeds weer hun gezelschap opzoeken. Hen bij God aanbevelen ook, en vragen dat zij ‘staande zouden blijven in ons midden’. En in alle bescheidenheid vragen dat ik zelf misschien ooit een beetje op hen mag beginnen te gelijken. Zij zijn de ‘Advocaten pro Deo’, de recht-vaardigen die zich geduldig en begripvol, onderlegd en toegewijd blijven inzetten voor armen, kanslozen en uitgeprocedeerden… Het zijn stuk voor stuk mensen die het niet over hun hart kunnen krijgen weg te lopen van een ander mens die hen nodig heeft. Zij weten: we moeten mensen altijd kansen blijven geven om op-nieuw te beginnen.
Bij deze dus: een kort verslag van het functioneringsgesprek van God met Abraham. Jawel – Hij heeft wel degelijk een beleidsplan, een duidelijke visie (zij het lichtelijk utopisch) en een regeringsprogramma. In één slagzin samengevat luidt Zijn programma als volgt: ‘Mededogen krijgt altijd het laatste woord’. En voor de uitvoering ervan heeft Hij hier op aarde een uitstekend advocatenbureau ter Zijner beschikking. Die werken allemaal full-time, rusteloos en onvermoeibaar…’pro Deo’.
Dàt is pas goed nieuws voor de ‘goddeloze’ wereld van vandaag: dat er altijd mensen zullen zijn die bereid zijn om te pleiten voor kleine mensen. Er is in de wereld altijd een verborgen gemeente, een onzichtbaar draagvlak voor een nieuw begin; een daad-werkelijke kerkgemeenschap ook -zij het misschien van niet veel meer dan tien mensen en een paardenkop… Wie erfgenaam is van de joodse profetische traditie is daar grondig van overtuigd. Met het Onze Vader bidden dat ‘Uw wil geschiede’, is hopen en smeken dat die rechtvaardigen in de wereld nooit zullen ontbreken. Is vragen dat één van hen soms ook een beetje in onze omgeving en in onze ‘invloedssfeer’ zou mogen verblijven. Is stilletjes hopen dat ik zelf ook stilaan een beetje op hen zou mogen gelijken en bij hen zou mogen horen… God geve dat het waar mag zijn! Want uit zulke mensen worden de ‘kinderen van Abraham’ geboren, de ware gelovigen…
Dan nog even naar het evangelie van vandaag. Ik citeer daarvoor uit het dagboek van Piet Declercq zaliger in Centraal Amerika-Info – 6 juli 1985:
‘Wat hebben we toch slecht leren bidden! We hebben leren vragen, maar nooit om de Heilige Geest. We hebben gebeden om de loterij te winnen. Ik herinner me nog dat ik als kind bad dat onze lokale voetbalploeg zou winnen. Maar terzelfdertijd realiseerde ik* me toen al dat er misschien op hetzelfde moment ook iemand aan het bidden was dat de tegenstrever het zou halen. Ik had dus **vragen bij mijn eigen gebed. Maar ik deed het toch maar. Baat het niet, dan schaadt het niet… Op die manier heeft men ons dus leren bidden. *Veel jaren later, in het seminarie van Brugge, stemde ik volledig in met een woord van één van onze professoren: “Wat doet ge daar in het gebed? Een beetje tegen jezelf praten?” Maar een écht alternatief werd ons niet aangeboden. Niemand zei me ooit: “Je moet de Heilige Geest vragen dat hij je bekwaam maakt om een antwoord te geven op situaties die te maken hebben met gerechtigheid.” Nu besef ik dat beter. Al jaren heb ik moeilijkheden met het traditionele bidden. Ik besef nu beter wat ik moet vragen: de Heilige Geest: om het volk te animeren, om sterk te staan, om te durven. Dat zie ik nu klaarder. Godzijdank.’
Gode-lieve mensen,
wie weet, als ’t God belieft (‘Uw wil geschiede…’, bidden wij in het Onze Vader…) – worden de steden ‘Sodom en Gomorra’ van onze dagen ooit leefbare mensensteden, plekken waar het leven goed is, en alle mensen thuis kunnen komen. God geve dat het waar mag worden ook hier in ons midden, door ons bidden en door onze inzet… Zo moge het zijn. Amen.
Voorbeden
*** Litanie van de profeten van deze tijd *(Tekst & Muziek Carlos Desoete)
Oscar Arnulfo Romero, verdediger van de armen, ga voor ons uit.** Bartholomé* de las Casas, apostel der indianen, ga voor ons uit.*** Leonidas Proaño, herder van de indígenas, ga voor ons uit.** Dom Helder Camara, profeet van een nieuwe wereld, ga voor ons uit.** Moeder Teresa, van de minsten in Calcutta, ga voor ons uit.** Mahatma* Gandhi van India, strijder zonder geweld, ga voor ons uit.*** Steve Biko in Zuid-Afrika, martelaar van de apartheid, ga voor ons uit.** MarianellaGarcía*, mensenrechtenkind, ga voor ons uit.*** Moeders van Buenos-Aires, uw kinderen zullen weer leven, ga voor ons uit.** Victor Jara, vermoord om uw lied, ga voor ons uit.** Maximiliaan Kolbe, vermoord om een leven te redden, ga voor ons uit.** Anne Frank, Dietrich Bonhoeffer, stemmen van hoop in de Holocaust, ga voor ons uit.** Martin Luther King, vermoord om het recht van de zwarten, ga voor ons uit.** Franciscus van Assisi, arm met de armen geworden, ga voor ons uit.** Jezus van Nazareth, licht van de wereld, ga voor ons uit.**
Ofwel: Voorbeden
-God, Vader van alle mensen, wij bidden dat wij, die uw kinderen zijn, nooit onverschillig worden voor het onrecht dat gebeurt, hier en overal ter wereld, maar dat wij met hart en handen doen wat kan voor dialoog, samen – leven, verzoening en vrede, Laten we bidden…
-Wij bidden dat er steeds meer mensen zouden opstaan die toekomst willen zoeken en nieuwe kansen creëren voor slachtoffers van armoede en geweld, maar ook voor hen die zelf in de fout gingen, zo dat niemand definitief opgesloten blijft in zijn verleden, in zijn schuld, of in de onvermijdelijke loop die zijn leven heeft genomen, Laten we bidden…
-Wij bidden, dat wij in tijden van vreugde en verdriet woorden van gebed kunnen blijven vinden om ons tot U te richten, en zo kracht vinden om in en met Uw Geest het leven aan te kunnen, Laten we bidden… geert dedecker
Er werd gelezen uit het boek Genesis, boek van de menswording, hoofdstuk 18, 20-32.
20 In die dagen zei de HEER: ‘Er zijn ernstige beschuldigingen geuit tegen Sodom en Gomorra, hun zonden zijn ongehoord groot. 21 Ik zal ernaartoe gaan om te zien of de klachten die ik over hen heb gehoord gegrond zijn en zij verwoesting over zich hebben afgeroepen. Dat wil ik weten.’
22 Toen gingen de twee mannen weg, naar Sodom, terwijl Abraham bij de HEER bleef staan. 23 Abraham ging dichter naar hem toe en vroeg: ‘Wilt u dan behalve de schuldigen ook de onschuldigen het leven benemen? 24 Misschien dat er in die stad vijftig onschuldigen zijn. Zou u die dan ook uit het leven wegrukken en niet de hele stad vergeving schenken omwille van die vijftig onschuldige inwoners? 25 Zoiets kunt u toch niet doen, hen samen met de schuldigen laten omkomen! Dan zouden schuldigen en onschuldigen over één kam worden geschoren. Dat kunt u toch niet doen! Hij die rechter is over de hele aarde moet toch rechtvaardig handelen?’ 26 De HEER antwoordde: ‘Als ik in Sodom vijftig onschuldigen aantref, zal ik omwille van hen de hele stad vergeving schenken.’ 27 Hierop zei Abraham: ‘Nu ik eenmaal zo vrij ben geweest de Heer aan te spreken, hoewel ik niets dan stof ben: 28 stel dat er aan die vijftig onschuldigen vijf ontbreken, zou u dan toch vanwege die vijf de hele stad verwoesten?’ ‘Nee,’ antwoordde hij, ‘ik zal haar niet verwoesten als ik er vijfenveertig aantref.’ 29 Opnieuw sprak Abraham hem aan: ‘Stel dat het er maar veertig zijn.’ ‘Dan zal ik het niet doen omwille van die veertig.’ 30 Toen zei hij: ‘Ik hoop dat u niet kwaad wordt, Heer, wanneer ik het waag door te gaan: stel dat het er maar dertig zijn.’ ‘Ik zal het niet doen als ik er dertig aantref.’ 31 Hierop zei hij: ‘Ik ben zo vrij de Heer opnieuw aan te spreken: stel dat het er maar twintig zijn.’ ‘Dan zal ik de stad niet verwoesten omwille van die twintig.’ 32 Abraham zei: ‘Ik hoop dat u niet kwaad wordt, Heer, wanneer ik het nog één keer waag iets te zeggen: stel dat het er maar tien zijn.’ ‘Dan zal ik haar niet verwoesten omwille van die tien.’
Toespraak door Geert Dedecker – ORBIT West-Vlaanderen.
-
Dat stukje uit Genesis 18 over Abraham die met God op de markt staat, en daar ongegeneerd bij Diens goddelijke ‘santekraam’ begint af te bieden, dat is voor mij één van de mooiste en meest ontroerende stukjes uit de hele Bijbel. Stonden zulke verhalen er niet in, dan hoefde het hele Boek voor mij eigenlijk niet. Maar enkele passages van dat kaliber zijn genoeg, om de Schrift geloofwaardig en onmisbaar te vinden in mijn leven – en de God waar het in die Bijbel over gaat, al evenzeer…
-
Dat onze God een God is waar mee te praten valt - van mens tot mens als het ware - zonder dat je eerst je diploma’s of prestaties, je theologische of andere ’logische’ parate kennis moet voorleggen; zonder dat je eerst een ‘audiëntie’ hebt aangevraagd; zonder protocol, zonder tiara of andere tralala… Dat is op zich al zeer ontroerend en hartverwarmend. En dat daarbij nog blijkt dat deze God ook nog òm te praten valt, bekeerd kan worden, van gedacht kan veranderen. Dat Hij niet almachtig en hoog verheven-onbereikbaar is, maar voor rede vatbaar. Niet een God van ‘geen commentaar’ (zoals elke politieker in elke mediatraining tegenwoordig moet leren zeggen…) Geen God achter een loket, geen dossiervreter, geen nuchtere zakelijke ambtenaar op de Dienst Vreemdelingenzaken, die zijn job doet van ‘nine to five’. Dat je als pleitbezorger van kleine, rechteloze mensen tegen deze God mag ‘zagen’ en Hem mag lastig vallen. Dat je bij Hem je dossier zoveel keren op-nieuw mag indienen als je dat noodzakelijk vindt, totdat recht is geschied… Dat je die God zelfs mag aanklagen bij de Raad van State wegens te weinig luisterbereidheid, of wegens te hardvochtig, te veeleisend, te ongenadig, te weinig betrokken, te ‘objectief’ in zijn eerste (voor)oordeel… Dat deze God voor kleine mensen die wachten op een uitspraak over hun toekomst een luisterende en geen ont-luisterende God wil zijn. Dat Hij ge-hoor-zaam wil worden aan wat ze vragen en waar ze van dromen; dat Hij Zich wil òmkeren naar hen, Zich onvoorwaardelijk naar hen toe wil keren…
-
Wat is er concreet aan de hand in deze tekst uit Genesis 18; welke zaak wordt hier bij de Grote Rechter aanhangig gemaakt, welk dossier wordt op de rol gezet? Wel kijk, het zit zo: er zijn zopas twee mannen aangekomen in de steden Sodom en Gomorra, en dat blijken vreemdelingen te zijn (in feite zijn het engelen, maar dat weet niemand, behalve wij als lezers van de Schrift). En er is in geen van die twee steden ook maar iemand die zijn deur voor hen open doet, en hun gastvrijheid schenkt, behalve Lot. ‘Gastvrijheid’ is nochtans in de Bijbel dé toetssteen van een rechtvaardige maatschappij. Maar Sodom en Gomorra komen er niet aan toe dat heilige gebod om te zetten in de praktijk, hoewel men daar rijk genoeg is en plaats te over heeft. In ‘Sodom en Gomorra’ wordt een samenleving uitgetekend waar het recht van de sterkste heerst. En we weten het maar al te goed: de eerste die uitvalt in zo’n maatschappij is altijd de vreemdeling, de vluchteling, de arme - behalve wanneer hij kan ‘gebruikt’ worden binnen het systeem. Doet hij mee met ons, en helpt hij ons nog rijker te worden, dan is hij zeer welgekomen; zo niet, dan is hij een bedreiging en moet dus stante pede terug van waar hij komt…
-
De tekst zegt onomwonden: deze maatschappij van ‘Sodom en Gomorra’ - in het klein of in het groot, deze (dat is: onze!) wereld van gisteren en vandaag is inderdààd een goddeloze wereld, heeft God niet nodig, wil Hem er liefst buiten laten, heeft van Hem nog nooit gehoord of heeft er meer dan genoeg van. Dat is zo, behalve voor een paar uitzonderingen zoals Abraham - die een Stem heeft gehoord, die van méér weet (of zich dat misschien inbeeldt?); die van een ander land droomt achter de horizon, een nieuwe hemel en een nieuwe aarde – en die daarvoor zijn hele hebben en houden heeft achtergelaten, om op zoek te gaan, om zelf een vreemdeling te worden, een ontheemde; om te hopen en te leren geloven… (Tussen haakjes: Abraham is in de Schrift de vader van alle gelovigen - dus ben ik in alle bescheidenheid zijn aangenomen kind, wil dat soms niet zijn, maar toch – ik kan er niets aan doen dat ik zelf ook altijd weer die Stem in mij hoor, die dromen in mij voel opkomen, en dus maar al te graag aan zijn hand mee wil meestappen naar ‘het land dat God ons tonen zal’…)
-
De analyse, het oordeel van God is aanvankelijk overduidelijk: zo’n Sodom en Gomorra mag niet blijven bestaan. Een maatschappij waar zó hard gereageerd wordt moet van de kaart geveegd. Alle mensen met die mentaliteit moeten ‘opsodemieteren’ – zo’n samenleving heeft geen toekomst. Tenzij… - tenzij er voldoende rechtvaardigen zouden worden gevonden die de zaak kunnen keren. De verteller laat prachtig horen hoe Abraham dan, bij het horen van dat harde oordeel, en bij de mogelijkheid om daar in extremis toch nog tegen in beroep te gaan, als een echte oosterse sjacheraar bij God begint af te pingelen: ‘O Heer, zou U de stad niet willen sparen als er nog vijftig rechtvaardigen in Sodom zouden zijn? En als er nog slechts veertig waren? Dertig? Twintig? Of tien misschien..?’ Het is een intens, volgehouden en gedurfd pleidooi van de oude patriarch - tot zes keer toe blijft hij maar pleiten, en de zevende keer laat hij wijselijk open voor God, Die hij toch gaan-de-weg heeft leren kennen als de grote Advocaat voor elke kleine mens.
-
Abraham doet al het mogelijke, hij beweegt hemel en aarde omwille van enkele mensen waarin hij rotsvast gelooft.
Hij telt ongegeneerd af tot ‘tien’, zoals wij vroeger deden bij het verstoppertje spelen. En wie niet weg is… mag in Sodom en Gomorra blijven wonen – stel je voor!
Verder dan tien wilde de aartsvader niet gaan. Want ‘tien’ is volgens de Joden het uiterste minimum voor een leefbare gemeenschap, Tien rechtvaardigen kunnen de verwoesting van de wereld tegenhouden. Tien is voldoende als begin van een grotere samenhang, een dieper draagvlak. Voldoende om bij te dragen aan een ander, menselijker samenleven en een meer rechtvaardige wereld.
Tien is genoeg om de aarde draaiende te houden. Tien is het minimum om te zien of ergens al de wereld daagt… Met tien is een uiterste grens bereikt. Verder kan men zich het goddelijk erbarmen niet indenken. Tien is het kleinste handvat waarmee God de hele wereld kan vasthouden en in stand houden.
Tien rechtvaardigen zijn genoeg om het op te nemen tegen de onmenselijkheid van Sodom en Gomorra. Tien rechtvaardigen die aan elkaar steun hebben om staande te blijven. Maar ze moeten er natuurlijk wel zijn. Anders kan God niets doen. En dat zou zonde, dat zou dood-zonde zijn… Die tien, dat is in de Bijbel Israël te midden van de volkeren. Die tien, dat is de Kerk vandaag. Een klein kuddeke, dat tegen de overheersende trend in zal gaan. Ter wille van dat handjevol valt er volgens de Schrift voor allen heil te verwachten. Zonder die tien is er voor niemand toekomst weggelegd, ook niet voor ons, die hier in Sodom en Gomorra reeds lang veilig en wel gesetteld zijn… Maar zelfs als er nog maar tien rechtvaardigen in de hele wereld aanwezig zouden zijn, dan zou het nòg kunnen. Dan is er onomstotelijk dat teken van tegenspraak aanwezig: een gemeente in de geest van het evangelie en de hele Schrift. Welnu, dat minimale draagvlak waar de Joodse traditie van spreekt, is hier en nu aanwezig in deze gemeenschap in Blankenberge, in Vlaanderen, in West-Europa. Het is er in principe en ook in de praktijk. Dat moet dus voldoende zijn om het Sodom en Gomora van onze wereld te redden en in stand te houden.
Dat is de functie van de kerk in deze wereld: die harde mentaliteit van het recht van de sterkste telkens weer om te keren in zijn tegendeel. Zorgen dat we minstens met tien zijn om het aan te kunnen (al is het natuurlijk niet verboden om met tien maal tien maal tien te zijn -met duizend eventueel om het nog beter aan te kunnen…) Want je hebt elkaar nodig om solidariteit te oefenen, elkaar vast te houden, de kwade machten te weerstaan. Maar wanneer je met tien bent…is dat eigenlijk in principe reeds voldoende!! Tenminste, dat vond Abraham toch, en dat vond tenslotte na enig nadenken ook God…
- Het is niet toevallig dat aartsvader Abraham zich in deze episode uit de Schrift opwerpt als ‘advocaat pro Deo’ voor de zwaksten in de onleefbaar geworden steden Sodom en Gomorra,. Het is vooral niet toevallig dat dit fragment onmiddellijk volgt op het stuk waarin de aartsvader zelf zo gul gastvrijheid heeft verleend aan de drie vreemde gasten die bij hem op bezoek kwamen bij de eik van Mamre (Gen. 18, 1-10). Abraham had toen nog maar net zijn eigen identiteit ontdekt als ‘Zoon van het Verbond’, en die identiteit werd hem nog maar pas in het lijf ingeschreven (via de besnijdenis, vlak vóór zijn aankomst in Mamre). Toen kwamen heel onverwacht die drie engelen op bezoek (maar hij wist niet dat het engelen waren!), en ze hebben hem toekomst aangezegd, leven en hoop te midden zijn onvruchtbaarheid en zijn gewisse dood. In deze episode tekende de verteller Abraham als een rechtvaardige omwille van zijn gastvrijheid voor de drie vreemdelingen die ongevraagd op zijn weg kwamen. Als er één ding is waaruit de bijbelse rechtvaardigheid blijkt (we zeiden het al), dan is het wel of iemand gastvrijheid wil bieden aan de vreemdeling. Zoals ook Jezus het poneert in Mt. 25,35: ‘Ik ben een vreemdeling geweest en gij hebt Mij gehuisvest…’
Abraham, de ‘vader van alle gelovigen’, heeft in die wondere ontmoeting geleerd dat elke gast die men bij zich binnenlaat uiteindelijk het meest kostbare geschenk van godswege bij zich blijkt te hebben: toekomst en nieuw (samen)leven dat te verwachten valt; de vervulling van alle beloften die ooit door God aan Zijn volk zijn gedaan… En het eerste wat hij met dat cadeau, met die genade, die ‘chance’, die kans moet gaan doen is: het niet krampachtig voor zichzelf houden, maar er mee naar de ‘goddeloze wereld’ gaan (er is er geen andere!), om daar te pleiten voor toekomst van mensen die zwakker, kleiner en rechtelozer zijn, die minder ‘chance’ hebben dan hij… Zo concretiseert zich in dit merkwaardige hoofdstuk 18 uit het ‘Boek van de menswording’ (want dat betekent ‘Genesis’) gaandeweg steeds meer de roeping van Abraham (dat is: van elke gelovige, van jou en van mij!): gastheer zijn voor de vreemdelingen, advocaat ‘pro Deo’ worden van degenen die dreigen ten onder te gaan in de ‘verziekte’ goddeloze steden der mensen, uitsluiting en onleefbaarheid met man-en-macht tegengaan (in plaats van alleen maar met de eigen toekomst en overlevingskansen bezig te zijn en – wanneer die verzekerd zijn – dan gelukzalig in slaap vallen op de middag bij de ingang van je eigen tent, zoals Abraham eerst dreigde te overkomen…)
-
Alles heeft te maken met ‘inlevingsvermogen’, met ’er leren mee in zitten’, met ‘barmhartigheid’ en ‘mededogen’. De hele kwestie is: hoe KIJK je naar die ‘goddeloze maatschappij’ van Sodom en Gomorra? Hoe kijk je naar de ‘goddeloze’ mensen die daar vanouds wonen en leven (dat wil zeggen: ‘mensen-zonder-god’, niet allemaal sléchte mensen of ‘zondige mensen’ - maar vaak mensen die nog nooit iets van God hebben mogen ervaren - cfr. die clochard die tegen abbé Pierre zei: als jouw God is zoals jij doet, dan wil ik maar al te graag in Hem geloven…) En hoe kijk je naar de verliezers binnen die maatschappij, de slachtoffers, de ‘afvallers’, de rechtelozen..?
Wanneer je bijvoorbeeld denkt aan de mensen zonder papieren waarvan er een aantal hier in ons midden aanwezig zijn: zij wachten reeds jaren lang op een beslissing over hun situatie; zij hebben hun best gedaan om zich te integreren, om Nederlands te leren, om werk te zoeken. Hun kinderen lopen hier school, zij hebben hier hun vrienden, zijn heel vaak zeer leergierig en begaafd… Hoe kijken wij naar hen? Individueel, als inwoners van ‘Sodom en Gomorra’? En in het bijzonder als ‘kinderen van Abraham’, als gelovigen, als kerkgemeenschap? Dat kan je toch niet doen zonder mededogen, zonder begrip en zonder ontroering..? Zij zijn toch elk op hun manier ‘goddelijk’, vooral die kinderen? (het zijn engelen Gods, zegt de Schrift een beetje overdreven en tendentieus – maar toch: boodschappers zijn het in elk geval wel. Want ze hebben ons – ook van Godswege – iets belangrijks te zeggen!) -
Mijn bezinnen, mijn mediteren en bidden bij zo’n schriftverhaal als dit is: op zoek gaan in mijn geheugen en ervaring naar die enkele rechtvaardigen, die als het ware ‘van nature’ gewend zijn van ànders naar mensen te kijken (enfin, dat denk ik toch, dat die mensen daar als het ware mee geboren zijn, met die blik van mededogen – al zullen zij het natuurlijk ook wel gaan-de-weg hebben geleerd met vallen en opstaan, zoals Abraham…) Als je Chris Saelens er bij zou roepen en Daniël Alliët, Didier Vanderslycke en Pieter Degryse, Jozef Hertsens, Yves Bocklandt en Jan Claes, Mgr. Gaillot en Jef Devisscher, en die vele schitterende vrijwilligers zoals Rita Vandenberghe uit Izegem en Zuster Noëlla van Integraal in Brugge en Marijke Deconinck uit Hooglede… (je hoort het, ik ben al gauw aan méér dan tien!) en al die andere mannen en vrouwen, priesters, religieuzen en leken die zich rusteloos inzetten om iets meer recht af te dwingen voor iets meer van die mensen..? Wat zouden zij over deze mensen zonder papieren zeggen, over die maatschappij van Sodom en Gomorra én over de rol van de Kerk daarin? Mijn bidden is in deze zeer concreet: bescheiden maar vastberaden in de leer gaan bij dergelijke mensen, en steeds weer het gezelschap opzoeken van deze (tien? twintig? - ik kom toch al gauw in mijn meditatie aan zo’n aantal van rechtvaardigen die ik bij name ken!) en hen bij God aanbevelen, en vragen dat zij ‘staande zouden blijven in ons midden’. En dat ik zelf misschien ooit een beetje op hen mag beginnen te gelijken…
-
Wat voor zin heeft het zulke teksten als Genesis 18, 16-33 voor te lezen in de liturgie, van daarmee rond te lopen, er over na te denken, er over te preken..? Da’s eigenlijk heel simpel geworden voor mij. Zes dagen in de week ben ik – bij manier van spreken – geneigd de Grote Rechter van deze ‘goddeloze maatschappij’ in Zijn aanvankelijk harde oordeel min of meer gelijk te geven. Zo’n samenleving als die van ons heeft geen toekomst – vernietigen dus maar, die troep! Of… er mij niets meer van aantrekken, de aftocht blazen, en maken dat ik wegkom zoals Lot en zijn vrouw straks zullen doen. Eigen toekomst eerst, en vooral eigen veiligheid eerst… Maar één keer in de week - op zondag, of in zo’n kerkasielwake als deze - wil ik die Stem weer horen die Abraham heeft weggeroepen uit zijn land van eigen veiligheid! Dan wil ik met de oude patriarch weer kijken tot achter de horizon; weer dromen van en hopen op een ander land, een nieuwe hemel en een nieuwe aarde… Als zo’n schriftverhaal als dit er niet was, wat moest ik dan met die ‘goddeloze wereld’? En met mezelf? En met al die mensen die per definitie afgeschreven of verloren zijn..? Daarvoor dient liturgie als deze van vanavond. Daarom moeten we samenscholen in de Kerk… Om de ‘vader van het geloof’, om Abraham, om deze allereerste ‘Advocaat pro Deo’ uit de geschiedenis in onszelf weer aan het woord te laten…
-
Waar zijn die ‘advocaten’ (letterlijk of figuurlijk), die recht-vaardigen, die ‘vaardigen in het recht’ die zich hartelijk en begripvol, onderlegd en toegewijd inzetten voor mensen zonder papieren? Die weten: we moeten mensen altijd de kans geven om op-nieuw te beginnen.? Misschien denken we dat ze haast vanzelfsprekend met‘te weinig’ zijn – misschien komen we nauwelijks aan ‘tien’. Maar daarmee kunnen Abraham en Zijn God al heel veel aanvangen – u hebt het gehoord van de Schrift. Want in de bijbelse rekenkunde is ‘weinig’ soms verrassend veel. Bouwen aan het nieuwe Beloofde Land kan bijvoorbeeld beginnen met het letterlijk vinden van één goede advocaat die (al of niet Pro Deo), voor mensen wil pleiten zoals Abraham dat heeft gedaan. Want ‘wie één mens redt, redt de hele wereld’, zegt een Joods spreekwoord.
-
Er bestaat een joodse legende die vertelt dat er in deze wereld zesendertig verborgen rechtvaardigen leven, die de wereld dragen en overeind houden. Het is dank zij hen dat de wereld niet kantelt of uit zijn voegen breekt. Van hen wordt gezegd dat ze zelf niet eens weten dat zij één van die rechtvaardigen zijn. Want op het moment dat je zoiets van jezelf durft te beweren, val je meteen al uit het selecte gezelschap. Natuurlijk kunnen het er ook méér dan zesendertig zijn, zegt de legende. Maar minder zijn het er nooit. Daar mogen we zeker van zijn. Want telkens wanneer één van hen sterft zonder het eindresultaat van zijn werk gezien te hebben, wordt hij of zij onmiddellijk vervangen door iemand anders die ook rechtvaardig wil zijn, en in de voetstappen van zijn voorganger wil treden. God zelf zorgt daarvoor. Hij zelf spreekt die ‘invaller’ aan, roept hem of haar direct op, bidt en smeekt hem of haar om niet op het appèl van deze wereld te ontbreken… Die zesendertig rechtvaardigen proberen zo goed mogelijk te zijn op de vierkante meter of kilometer waar zij leven: voor hun man, hun vrouw, hun kinderen, hun buren. In de wijk of parochie, op het werk, in het bewegingsleven - noem maar op…. Ze doen het in stilte en onopgemerkt. Hun leven is niet opzienbarend; zij kunnen verpleegster zijn of ambtenaar, huisvrouw of fabrieksarbeider. Niemand weet wie het zijn. Zij doen liefde en gerechtigheid, zij beleven solidariteit omdat ze het gewoon niet kunnen laten, zonder pretentie. En toch hangt het lot van de wereld van hen af… En wat die zesendertig doen hoeft geen betoog, geen verantwoording. Het is evident, en het heeft de kracht van het oorspronkelijke en onbewijsbare. Ze doen wat ze moeten doen, vanzelfsprekend, ter plaatse waar ze staan, weerloos-eenvoudig, omdat het moèt Het zijn stuk voor stuk mensen die het niet over hun hart kunnen krijgen om weg te lopen van een ander mens die hen nodig heeft. Wie goed toekijkt zal hier of daar wel iemand herkennen in zijn omgeving die er misschien wel bij hoort, bij die zesendertig. Of die minstens in aanmerking komt voor Gods ‘heilige wervingsreserve’… Het lijkt wel alsof er overal mensen bestaan die met een natuurlijke aanleg voor liefde en gerechtigheid zijn toegerust. Mensen die rechtschapen en rechtvaardig zijn. Een rechtvaardige is niet iemand die zegt: straks vergaat de wereld – ‘après nous le déluge; na ons kome de zondvloed… Ook al staat hij niet buiten de werkelijkheid. Een rechtvaardige zegt: het is míjn ‘goddeloze’ wereld, het zijn míjn mensen - en als ik lang genoeg naar mijzelf kijk, dan weet ik: ik ben één van hen. Ik kan en wil dus niet anders dan ze met respect behandelen – ze proberen te ‘verstaan’ en een beetje in hun schoenen te gaan staan…
Ook dàt is goed nieuws voor ons vandaag: dat er altijd mensen zullen zijn die bereid zijn om te pleiten voor mensen. Met de joodse legende mogen wij geloven dat deze verborgen rechtvaardigen de wereld zullen blijven dragen en voor de toekomst zullen blijven instaan. Het zijn mensen die een nieuw begin belichamen. Er is altijd ergens in de wereld een verborgen gemeente, een onzichtbaar draagvlak voor een nieuw begin; een naar omvang niet te schatten maar werkelijke kerkgemeenschap. Wie erfgenaam is van de joodse profetische traditie is daar grondig van overtuigd.
-
Met het Onze Vader bidden dat ‘Uw wil geschiede’, is hopen en smeken dat die zesendertig rechtvaardigen in de wereld nooit zullen ontbreken. Is vragen dat één van hen soms ook een beetje in onze omgeving zou mogen verblijven. Is stilletjes hopen dat ik zelf ook stilaan een beetje op één van hen zou mogen gelijken… God geve dat het waar mag zijn! Want uit zulke mensen worden de ‘kinderen van Abraham geboren, de ware gelovigen… Zouden wij ooit ook zulke mensen kunnen worden..?
-
Er is een ander Joods verhaal dat één van de 36 rechtvaardigen reisde naar Sodom, met de bedoeling de inwoners te bekeren. Dag en nacht liep hij door de stad, hij wees de mensen op hun hebzucht, veroordeelde bedrog en onverschilligheid. Aanvankelijk luisterden de mensen geamuseerd, maar spoedig begon het hun te vervelen. De moordenaars gingen door met moorden en de anderen lachten cynisch om zijn naïviteit. Op een dag kwam een kind naar hem toe en zei: ‘Arme vreemdeling, je loopt maar te roepen en te preken, zie je niet dat het niets helpt?’ ‘Dat zie ik maar al te goed’, zei de man. ‘Waarom ga je er dan mee door?’ ‘Dat zal ik je vertellen, mijn kind. In het begin dacht ik dat ik de mensen kon veranderen. Vandaag weet ik dat ik dat niet kan. Dat ik tóch doorga met roepen is om ervoor te zorgen dat de mensen mij niet veranderen…’ Bidden is tenslotte ook: vragen dat de ‘goddeloze wereld’ mij nooit zou veranderen, op die plekken en in die situaties waar ik reeds een beetje op vader Abraham, op een kleine ‘Advocaat Pro Deo’ begin te gelijken…
-
Wij zijn niet aan een of ander noodlot overgeleverd. Wij hoeven ons niet over te geven aan doemdenken. We hoeven na elke schriftlezing en elke preek in de liturgie alleen maar op weg te gaan, en te doen wat onze hand vindt om te doen. Er is genoeg voorhanden voor wie er oog voor heeft, voor wie er hart voor heeft. Wij zijn niet alleen, geloof me maar. Ik geloof in de kracht van ‘wij samen’. We zullen het merken zodra we op weg gaan. We vinden gaan-de-weg wel bondgenoten – toch minstens een stuk of tien…
En soms wordt de woestijn oase waar wij komen, en - wie weet, als ’t God belieft - worden ‘Sodom en Gomorra’ ooit leefbare mensensteden, een plek waar alle mensen thuis kunnen komen. God geve dat het ooit waar mag worden. Amen.
Geert Dedecker
Symboolhandeling
MENSEN ZONDER PAPIEREN:
**“ALS KERKGEMEENSCHAP IN HUN SCHOENEN STAAN” **
Onze eerste taak
in het benaderen van andere mensen
uit een andere cultuur, een andere religie,
is onze schoenen uitdoen
want de plaats die wij naderen is heilig.
Doen we dit niet,
dan zouden we misschien
de droom van een ander vertrappen.
Erger is nog
dat we zouden vergeten
dat God daar was
voordat wij er kwamen…
Anoniem, gelezen in ‘Living with Hindus’, V. Mataji.
Duiding door deken Herman Delvoye
Wij willen als kerkgemeenschap ter gelegenheid van de Wereldvluchtelingendag onze bijdrage leveren door deze bezinning te houden als een algemene dienstbare daad vanuit onze lokale kerkgemeenschap naar kwetsbare groepen.
Als symbool kozen we voor schoenen…
Luisterlied: “You ‘ll never walk alone”
Gedicht
Ik schoen illegaal.
Ik weet niet wat ik moet doen.
Als ik op straat loop,
zie ik mooie nieuwe schoenen.
Ik heb mijn eigen schoenenland verlaten,
in de hoop werk te vinden in dit land.
Maar tegen die mooie nieuwe schoenen
heb ik geen kans.
Ik schoen zéér oud.
Als ik op straat loop,
zie ik mooie nieuwe schoenen.
Ik probeer die schoenen bij te houden,
maar ze zijn te snel.
Ik schoen zéér vies.
Als ik op straat loop,
zie ik mooie nieuwe schoenen.
In mijn land heb je schoenenpoetsers,
maar hier, hier worden oude schoenen
in de sloot gegooid.
Ik schoen zeer ervaren,
maar daar geeft in dit land
niemand om.
Kortom, ik schoen zéér overbodig.
Ertugrul Ozman
ZESENDERTIG RECHTVAARDIGEN DIE DE WERELD DRAGEN,
OOK IN TIJDEN VAN CORONA EN LOCKDOWN…
KERK EN GEMEENSCHAP VORMEN IN HET ‘NIEUWE NORMAAL’…
Er doet bij de Joden al eeuwenlang een hardnekkig verhaal de ronde, een oude legende die vertelt dat er in deze wereld zesendertig verborgen rechtvaardigen leven, die de wereld dragen en overeind houden. Het is dank zij hen dat de wereld doorgang vindt en niet geheel wegkantelt of uit zijn voegen breekt. Van die zesendertig wordt gezegd dat ze zelf niet eens weten dat zij tot die groep behoren. Want op het moment dat je zoiets van jezelf durft te beweren, val je meteen al weg uit het selecte gezelschap. En misschien ook wanneer een ander het van jou zegt…
Natuurlijk kunnen het er ook méér dan zesendertig zijn, zegt de legende. Maar minder zijn het er nooit. Daar mogen we zeker van zijn. Want telkens wanneer één van hen sterft zonder het eindresultaat van zijn werk gezien te hebben, wordt hij of zij onmiddellijk vervangen door iemand anders die ook rechtvaardig wil zijn, en in de voetstappen van zijn voorganger wil treden. Trouwens, God zelf zorgt daarvoor. Hij zelf spreekt direct een ‘invaller’ aan, een bankzitter, en roept hem of haar op wanneer één van de zesendertig is weggevallen, bidt en smeekt hem of haar om niet op het appèl van deze wereld te ontbreken…
Die zesendertig rechtvaardigen proberen zo goed mogelijk te zijn op de vierkante meter waar zij leven: voor hun man, hun vrouw, hun kinderen, hun buren. Zomaar mensen zijn het, zelf in zorgen en angst verwikkeld, helemaal geen Übermenschen of heiligen – verre van. Doodgewone mensen zijn het, die heel gewone dingen doen - maar misschien bestaan er wel geen doodgewone mensen.
Zij zorgen voor hun kinderen, hun gestoorde buurman, hun oude overbuur. Zij zijn aanwezig in de wijk of parochie, voor de klas, in een Woonzorgcentrum of in de gevangenis - noem maar op… Wie goed toekijkt ziet dat het stuk voor stuk mensen zijn die het niet over hun hart kunnen krijgen om weg te lopen van een ander mens die hen nodig heeft. En wie een beetje aandachtig is, zal hier of daar wel iemand herkennen uit zijn omgeving die er misschien bij hoort, bij die zesendertig. Of die minstens in aanmerking komt voor Gods ‘heilige wervingsreserve’ van bankzitters…
Het lijkt alsof er overal mensen bestaan die met een natuurlijke aanleg voor liefde en gerechtigheid zijn toegerust. Mensen die rechtschapen zijn. Mensen die een nieuw begin belichamen. Er is een hele geschiedenis, een keten, een traditie van mensen die zo bezig zijn. Het boek dat men ‘de Bijbel’ noemt is uit de ervaring van zulke geleefde liefde voortgekomen.
Wat die zesendertig doen hoeft geen betoog en geen verantwoording. Ze doen wat ze moeten doen, vanzelfsprekend, ter plaatse waar ze staan, weerloos-eenvoudig. Waaarom? Dààrom. Omdat het moèt Het is evident – tenminste voor henzelf, en het heeft de kracht van het oorspronkelijke en onbewijsbare. Er is niets tegen in te brengen, al moet het vaak door muren van weerstand heen. Het zijn deze mensen, ook voor elkaar onbekenden, die het visioen blijven dragen, door het te doen. Zij staan voor de toekomst in.
Dat er altijd zesendertig gerechtigen voorhanden blijven om het bestaan van de wereld te waarborgen, is een zekerheid. Even ónzeker echter is het, wie of waar ze zijn. Ze zijn verborgen, volstrekt incognito. Maar met de joodse legende mogen wij geloven en hopen dat deze verborgen rechtvaardigen de wereld zullen blijven dragen en voor de toekomst zullen blijven instaan. Dat is zondermeer goed nieuws voor ons vandaag: dat er altijd mensen zullen zijn die bereid zijn om te dromen en om op te staan; die niet eerst gaan zitten tellen en wikken en wegen; die niet aankomen met duizend excuses van ‘ja maar’ en ‘later misschien wel’, maar die rechtschapen zijn en doen wat nu moet worden gedaan. Er is altijd ergens in de wereld een verborgen, onzichtbaar draagvlak voor een nieuw begin; een naar omvang niet te schatten maar werkelijke (kerk)gemeenschap, een netwerk van verbondenheid. Die oude joodse legende gelooft en hoopt dat wij niet aan een of ander noodlot overgeleverd zijn. Wij hoeven ons niet over te geven aan doemdenken. Wij zijn niet alleen; wij mogen blijven geloven in de kracht van ‘samen’. Gaan-de-weg in de zorg en het engagement vind je altijd wel ergens bondgenoten – toch minstens een stuk of zesendertig… Met hoevelen moeten we zijn om verantwoord gemeenschap en ‘kerk’ te (blijven) vormen? Met vijftig, vijfenveertig, zesendertig of tien..? (denk aan het verhaal van Abraham die bij God afdingt om de verdorven steden Sodom en Gomorra toch maar te redden – Genesis 18, 16-33) Hoeveel vrijwilligers en professionelen moeten er zijn om een gemeenschap als ‘parochie’ te laten bestaan? Hoeveel aanwezigen in de zondagsmis? Hoeveel geëngageerden in onze verenigingen, bewegingen, basisgroepen, organisaties? Hoeveel ‘gelovigen’ die in de stilte dag na dag het evangelie doen? Jezus van Nazareth heeft in Zijn tijd en vanuit Zijn maatschappelijke situatie opnieuw nagedacht over dat aantal noodzakelijke rechtvaardigen. En Hij kwam op het eind van Zijn leven tot het besluit: ‘Ik zal in uw midden zijn wanneer er twee of drie samenkomen in mijn Naam.’
c Kleine symfonie
Twee of drie is niet veel, zeker niet als de ene blind de ander doof en een derde kreupel is. Twee of drie is oneindig veel meer dan één alléén, zeker als de éne blind, de ander doof en een derde kreupel is; want de blinde wordt het oor van de dove en de dove wordt het oog voor de blinde en samen dragen zij de kreupele, en zo gaan ze alle drie waar één alléén niet komen kan. Twee of drie in mijn Naam - dat is de uitgesproken hoop van Jou, Drie-Ene, over de kinderen der mensen. En overal waar mensen, twee aan twee of drie aan drie elkanders sterkte delen en elkanders zwakte dragen, daar ben Jij in hun midden. Met twee of drie kun Jij de hele wereld aan
en begin je telkens opnieuw
wat onbegonnen lijkt:
blinden zien en doven horen,
stommen spreken, lammen gaan,
en voor wie gevangen zaten
gaat een bevrijde wereld open.
Met twee of drie
durf Jij het wonder aan,
dat stenen veranderen in brood,
dat water verandert in wijn,
en dat eenlingen veranderen
in gezworen kameraden.
Met twee of drie
die met elkaar hun brood willen delen,
doe Jij herleven
die honger naar gerechtigheid.
Met twee of drie
die de beker heffen
op een toekomst met allen,
houd Jij in leven
de dorst naar vrede.
Twee of drie is niet veel,
maar voor Jou is het genoeg
voor een nieuw begin
van de omgekeerde wereld,
waar zwijgen wordt
tot waarheid doen
en grootspraak verandert
in schaamte en gemis.
(Jan van Opbergen)
“Er zijn nog zoveel goede mensen midden de massa, Zoveel ‘engelen’ in gewone huizen en straten en wandelend in onze steden! Zij zijn de dragers van een nieuwe revolutie die alles verandert, de mensen en de dingen. Zij zijn als een zachte regen in het voorjaar die alles nieuw en fris maakt! Ik geloof in de goedheid van de mensen zoals ik geloof in de lente wanneer ik de katjes zie bloeien…” Phil Bosmans
Facebook – 11 juni 2024
** **
Deze ochtend hadden we bij het ontbijt een kort gesprek. Nooit banaal, onze gesprekken. Meestal educatief. Voor mij toch. Over wie de wereld recht houdt, ging het dus. Het begon met een nieuwe duiveldoetal in een instelling waar Griet heel wat tijd doorbrengt. Ik kon niet meer achteruit, dan. Het ging dus verder met het kleine groepje mensen dat mij de voorbije vier jaar bij de les hield, en dat aan de buitenwereld de indruk gaf dat er een heel leger achter mij stond. Dat was ook zo, maar om dat legertje bij te houden, was meer empathie en enthousiasme nodig dan ik ooit alleen had kunnen opbrengen. De leden van dat groepje ontpopten zich tot briljante duizendpoten, van alle markten thuis, maar in de eerste plaats fijne en loyale mensen naar wie iedereen graag ‘luistert’ en voor wie iedereen zich met overtuiging ten volle geeft. In elke werkomgeving waar ik ooit heb vertoefd, universiteit, advocatuur, kabinet, partij of parlement, zijn het die mensen die de wereld écht recht houden. Hun gezond verstand en hun praktische gaven, hun voluntarisme, vooral hun empathie en inzicht in het functioneren van anderen. En die op die manier aan hun zogenaamde ‘leaders’ de kracht geven om verder te doen. Hun gemeenschappelijke karaktertrek is dienstbaarheid. Hun weerbaarheid bestaat in ‘nooit licht geraakt zijn, om zelfs bij een gemene scud -met soms veel pijn- te kunnen voortdoen’. Soms hebben ze heel veel diploma’s, soms geen. Dat heeft geen enkel belang. Wat voor hun belang heeft, is ‘niet ik’, maar in de eerste plaats, ‘wij’. En dus, heren Biden of Macron, deze morgen ging het niet over jullie. Maar over die vele miljoenen doorgoede mensen die onze wereld recht houden. Het was een ontroerend gesprek aan onze ontbijttafel.
We vechten al zoveel jaren tegen machten en krachten, tegen onrecht en dood. We voelen ons zo vaak alleen.
En alleen maakt moe, maakt klein en maakt bang. Alleen isoleert, verdort en verzuurt. De hoop sterft zienderogen in ons hart en onze handen.
Laat ons dus maar blijven zoeken
om in groepen telkens weer
iets wonderlijks te creëren.
Laat ons maar van liefde zingen,
tegen de bierkaai en tegen de klippen op,
maar altijd samen.
Mensen omarmen en omwarmen
met vuur dat niet verteert.
Laat ons maar blijven naar verbindingen zoeken. We kunnen en willen het niet laten. En ook al begrijpen we niet hoe het werkt: we weten uit jarenlange ervaring wel dat enkel samen werkt…
(vrij naar een gedicht van Geert De Kockere)