Mensen zijn levende wezens die kunnen spreken. Alles wat in ons leeft, willen we ‘vertalen’. Wat wij denken, voelen en er-varen, proberen we te ‘verwoorden’ voor anderen en voor onszelf. Zowat alle menselijke communicatie gebeurt met behulp van de taal. Ook ons persoonlijk bewustzijn is een ononderbroken woordenstroom. We praten als het ware voortdurend tegen onszelf. Wat waar is voor heel ons mens-zijn, is ook waar voor het geloof: het zoekt naar woorden om tot God te spreken. En dat is bidden. Wie in God gelooft, wil bidden. Wie nooit bidt, heeft geen levend geloof - al zullen sommigen dat niet graag horen.
Anderzijds komen wij ter wereld als infantes (zie het Franse enfants), als ‘ongeriefd nog van woorden’. Taal moet aangeleerd worden. Ook het ‘geloofskind’ moet de taal van het gebed leren. Jezus’ leerlingen vragen het Hem uitdrukkelijk: ‘Heer, leer ons bidden.’ De Heer gaat onmiddellijk in op hun verzoek. Hij reikt hun woorden aan: ‘Onze Vader…’ Door dat te doen laat Jezus zien dat bidden wat anders is dan een gevoel of een deugddoende sfeer, en zelfs nog iets anders dan ‘eens aan God denken’. Bidden is spreken, je in taal tot Iemand richten. Jezus geeft zijn leerlingen zelfs het woordje mee dat Hem het dierbaarst is: ‘Abba, Vader! Onze Vader.’ We mogen ons voortaan met dat vertrouwelijke woordje tot de grote God richten.
Om te bidden hebben we woorden nodig. Nu zeggen woorden altijd iets. Ze hebben een inhoud en een betekenis. Wat kunnen wij dan zeggen als we ons tot God richten? Jezus laat er geen enkele twijfel over bestaan: bidden is… vragen. Het Onzevader bestaat inderdaad helemaal uit smeekbeden. Wie ze van naderbij bekijkt, ziet wel dat er twee soorten smekingen in staan. Ook de volgorde is niet toevallig. Eerst dienen wij te vragen dat Gods naam geheiligd zou worden en dat zijn Rijk zou komen. Anders gezegd: voorop komt wat God zelf ter harte gaat. Zijn verlangens komen eerst. Leren bidden is dan ook langzaam ingroeien in datgene wat God verlangt voor deze wereld: dat Hij overal als God erkend en geëerd mag worden, in woord en daad.
Pas daarna komen onze noden aan de orde. Kort en krachtig: geef ons genoeg brood voor vandaag, vergeef ons onze zonden en behoed er ons voor dat wij ooit zouden afhaken. Onderweg beloven we één keer zelf iets te zullen doen: wij zullen vergeving schenken aan wie tegen ons misdaan heeft.
Alsof Hij de tegenwerpingen al voelt komen, voegt Jezus er meteen aan toe: ‘Vraag en jullie zal gegeven worden, zoek en je zult vinden, klop en er zal voor je worden opengedaan.’ Ook elders spoort Hij zijn leerlingen aan nooit op te houden met bidden. Hoe vrijmoedig een mens wel mag zijn tegenover de Vader blijkt uit het gedurfde gebed van Abraham (Gn 18,20-32). Hij weet van zichzelf hoe klein hij is, maar hij weet ook dat God naar hem luistert. En dat maakt een mens zo groot.