Een meester leert zijn leerlingen bidden. Zo vragen de leerlingen aan Jezus dat Hij het hen zou leren, zoals Johannes het aan zijn leerlingen leerde. Wie zijn leerlingen leert bidden geeft ze al wat ze in hun leven nodig hebben. Wat ze uit zichzelf niet zullen kunnen, zullen ze kunnen vragen aan iemand anders. Gelukkig het kind dat de school verlaat nadat het iets heeft leren vragen. Wee hem die na zijn opleiding alleen een pak eisen kan voorleggen. Hij zal lang alleen staan in het leven. Misschien zal hij werk vinden, maar zeker geen vrede. Misschien zal hij bevelen geven, maar zeker geen leiding. Leven is vragen en geven. Eisen en bevelen is geen leven.
Het behoort tot onze gelukkigste herinneringen dat we als kind, thuis, na de schooluren, altijd iets vonden om te eten en te drinken. We moesten het niet zoeken. Het stond gereed. Het was klaargemaakt. We kregen het vooraleer we erom vroegen. En als we al eens iets vraagden was het niet “met omhaal van woorden”. We wisten: “Vóórdat gij Hem vraagt, weet uw Vader wat gij nodig hebt”. Onze Vader was dan gewoonlijk wel onze moeder, “Omhaal van woorden” was nutteloos als zij iets te laat was en even nutteloos als we teveel wat anders wilden. Dat liet dan wel eerder onze vader verstaan. We moesten niet worden “als kinderen”. We waren het. We kenden weinig eisen en bevelen. Het was al vragen en geven.
“Omhaal van woorden” was niet enkel nutteloos. Het was ook overbodig. We renden naar huis waar “ons iedere dag ons dagelijks brood” wachtte, met nog “vis” en “een ei” erbij. Het waren nooit stenen en slangen en schorpioenen. Ons kindergebed was “gebed van gevorderden”, of zelfs “van volmaakten”, zoals de mystieke boeken zeggen: we wisten dat we thuis altijd van alles vonden en vonden we niet altijd wat we het liefste hadden, toch vonden we altijd wie we het liefste zagen. Wee de kinderen die het anders gekend hebben. Ze moeten het leven helemaal alleen uitvinden.
Een vriend die me eindelijk vindt moet ik toch iets voorzetten na de reis. Hij kan toch niet uitgehongerd naar bed. Ook dat is toch het geluk van ons geheugen, dat we zelf zo een vriend gevonden hebben. Is dat niet een deel van het leven? Is het niet het leven zelf? Wee die midden in de nacht van zijn leven nooit een vriend vond die voor hem opstond. Waarvoor moet hij blijven leven en vechten?
Een stad die bedreigd is moet toch gered worden. De verwoesting is toch het einde, van schuldigen en onschuldigen samen. Het leven zelf wordt vernietigd. Het verhaal over zo een onrecht gaat nooit verloren. Het zijn de wrangste herinneringen aan de oorlog. Zou Jahwe uitvoeren wat we bij de mensen haten? Wee als die stad geen voorspreker vindt. “Ik zal de stad niet verwoesten, zelfs al zijn er maar tien”, belooft Jahwe na het gebed van Abraham.
Leven is vragen en geven, is bidden en verhoren. Meer nog, omgekeerd: wie vraagt en wie geeft, wie bidt en wie verhoort schept het leven, zoals ouders en kinderen, zoals vrienden onder elkaar, zoals Jahwe en Abraham en de rechtvaardigen van Sodom. Jezus, die leert bidden en die zo dikwijls het gebed verhoort, schept en herschept het leven van iedereen die bij Hem in de leer gaat om te bidden. Eisen en bevelen verstommen waar Hij “al weldoende” rondgaat en overal wordt het vragen en geven en leven, volle leven, waar de “tweede dood” machteloos tegenover staat. De kinderen komen tot Hem, “aan hen behoort het Rijk der hemelen”. Hij heeft geen dienaren aan wie Hij beveelt en die Hem hun eisen stellen, Hij noemt zijn leerlingen “vrienden”. Als Jeruzalem zoals Sodom verwoest wordt, en de kinderen er omkomen door het zwaard, is het omdat de ouders er “de heilige Geest” niet vragen in zijn Naam.