Leer en leven (2004)

C-cyclus · Tijd door het jaar · 16e zondag · groen

Het zou toch best kunnen gebeuren dat een van uw kinderen of kleinkinderen plotseling vraagt: “Dat geloof van u, wat is dat eigenlijk?” Misschien komt er dan nog iets naar boven van wat eertijds in de catechismus stond, maar dat wordt meteen ingeslikt op zoek naar iets beters.

Bisschop Bluyssen heeft bij gelegenheid van de toediening van het Heilig Vormsel in onze kerk eens zo’n vraag aan de kinderen voorgelegd. Hij ging met de beste bedoelingen wat dichterbij zitten en legde voor:“Beste kinderen, het H.Vormsel, wat is dat eigenlijk?” Het bleef stil. Om elk leerstellig risico te voorkomen stelde ik dezelfde vraag onder de koffie na de dienst aan de bisschop. Hij antwoordde dat die vraag niet zo’n goed idee was, liet ze onbeantwoord, maar merkte wel op: “Als ze een beetje begrijpen hoe je in de Geest van Jezus Christus kunt leven is het al ruim genoeg”.

Ouders en grootouders kunnen dan ook maar beter niet proberen een of meer geloofsartikelen aan de kinderen te verkopen, want de kans dat het aanslaat is klein. Anders gezegd: Ze kunnen zich niet voorstellen dat zoiets belangrijk is.

Door de eeuwen heen is er overigens heel wat energie gestoken in het elkaar goedschiks en soms heel kwaadschiks inprenten van allerlei leerstellingen. Hoe meer je er van af wist, hoe vlekkelozer je geboden, belijdenissen en voorschriften van buiten had geleerd en wist op te lepelen, des te beter christen werd je geacht te zijn. De rechte leer, daar ging het om. Onenigheid over leerstellingen heeft zelfs tot oorlogen geleid, christendom als manier van leven nog nooit.

Bij het jodendom waarin Jezus Christus was groot gebracht stond vooral de leer hoog in het vaandel. Maar we kunnen er zeker van zijn dat in het gesprek daar bij Maria en Martha thuis de verhoudingen heel anders werden voorgehouden. Voor die toehoorders een verademing, maar voor de toenmalige wetgeleerden een bedreiging. Er werd niets

overboord gegooid. Het ging niet om de keuze tussen leven naar richtlijnen of je nergens aan storen, maar het ging over de bekommernis om medemensen als richtlijn om met belijdenissen en geboden om te gaan.

Dit brengt me bij het verhaal van een zuster die aan de kinderen op school de zeven werken van barmhartigheid voorhield. Eén daarvan is het bevrijden van gevangenen. Enkele kinderen zagen vervolgens de kans om uit het plaatselijk cachot iemand vrij te laten. De hoofdcommissaris riep de zuster ter verantwoording. “Hoe komt u erbij de kinderen zoiets voor te houden?” Waarop de zuster antwoordde: “Ik heb tegen de kinderen gezegd dat ze de werken van barmhartigheid moesten van buiten leren, maar ik heb niet gezegd dat die er zijn om te doen.”

Kinderen vragen aan hun ouders of grootouders juist niet naar geloofsartikelen. Ze willen graag horen en zien hoe de woorden en daden van Jezus Christus ons leiding geven in onze beslissingen. We moeten immers zo vaak dingen tegen elkaar afwegen: Tot hoever kunnen we gaan bij het opnemen van vluchtelingen, wanneer wordt verdraagzaamheid tot onverschilligheid, waar ligt de grens tussen zorg voor eigen welzijn en inzet voor de ander? Duizend keren meer moet er een keuze gemaakt worden.

Als ons gevraagd wordt: “Dat geloof van u, wat is dat eigenlijk?, dan kunnen we maar beter niet verwijzen naar wat we vanbuiten hebben geleerd, maar wel naar wat we doen, aangenomen dat het daar waar te nemen valt.

Zoeken in Preken Online