16e zondag door het jaar C

C-cyclus · Tijd door het jaar · 16e zondag · groen

‘ORA ET LABORA’ volgens de BENEDICTIJNSE TRADITIE

Om vier uur zingt hij psalmen in de nacht

om tien uur klinkt zijn taak die dag volbracht:

geen zes uur rust hij van zijn post op wacht,

het dak als zendmast; dankt in volle pracht

pretentieloos, diep overtuigd van kracht

en waardigheid, zo taakbewust, geen klacht

te horen over kwade dag of vracht;

om vier uur zingt hij psalmen in de nacht:

zijn last is licht, ook als de poes weer zacht

komt aangeslopen, klaar staat voor de slacht

en hij het uitschreeuwt glorieert de macht:

om tien uur klinkt zijn taak die dag volbracht,

om vier uur zingt hij psalmen in de nacht

Ik heb een moment overwogen om de ruimte die mij in de Maandbrief van de GGG werd toegemeten voor deze bezinning, gewoon te beperken tot het citeren van dit gedicht van Lenze Bouwers. Alles staat erin wat ik u moet vertellen over het gebed en de liturgie, en over het ‘Ora et labora’ zoals ze worden beleefd binnen het kader van de benedictijnse mystiek. De Nederlandse poëet heeft een vers geschreven als een perpetuum mobile. Lees het dus zolang als je zelf wilt. Het laatste regeltje is het eerste gelijk. En… knappe vondst ook, die eentonige rijmklank: elke suggestie van afronding wordt erdoor vermeden. Neen, hier kan niks volbracht zijn. Zijn taak klinkt volbracht, schrijft Bouwers. Klinken: dat wordt gezegd van iets dat voortgaat, resoneert, uitdeint,… en eigenlijk nooit ophoudt. Merk trouwens dat er geen punt staat na het slotwoord ‘nacht’. Alsof de dichter het venster openhoudt om alle mogelijke echo’s in zijn gedicht toe te laten, de echo’s van het woordeloze dat niettemin onder de noemer van zijn vers thuis hoort. De noemer van het gestage bidden, de klok rond, de tijden rond, de eeuwigheid in.

Waarover heeft Lenze Bouwers het eigenlijk? Over veel. Over dag en nacht. Over werk en rust. Over waardigheid en paniek. Over strenge plicht en dingen die blijkbaar vanzelf gaan. Maar tezelfdertijd verklapt de dichter heel weinig. Hij bouwt zelfs dubbelzinnigheden in zijn gedicht. Zingt de monnik – ach ja, dat staat er niet: de monnik, maar je moet heel hard je best doen om geen monnik te zien in de hij-figuur – zingt de monnik van vier uur ’s nachts tot tien uur ’s morgens, of zelfs tot tien uur ’s avonds, en slaat die ‘taak’ dus op het zingen van psalmen? En wordt die psalmenzanger getypeerd als een wachter op post, een wakende agent die af en toe berichten uitzendt? Of is die ‘taak’ nu juist de zware arbeid die overdag wordt verricht, de vracht van de kwade dag? Een vracht die ’s nachts, na amper zes uur slaap, nog slechts een lichte last lijkt wanneer de broeder de dageraad wakker zingt met psalmen? Het gedicht bezorgt ons geen uitsluitsel. Ook niet over de rol van die poes, die daar plots komt aangetippeld. Wat moet een kat in zo’n gedicht? Neen, ‘poes’ staat er. Iets ongemeen lieftal-ligs dat aan je benen komt drentelen en wrijven. Afleiding in de vorm van bijna onweerstaan-bare bekoorlijkheid. Zoiets moet je wel onschadelijk maken als je niet aan je plicht wil verzaken. Afslachten! (…) Lees nu eens goed. Wie staat hier klaar om afgeslacht te worden. De poes of de zanger? Ik zou het niet weten. Het is een ‘hij’ die het uitschreeuwt. Een poes is nog altijd vrouwelijk. Tenzij je natuurlijk met die onhebbelijkheid van Nederlanders rekening houdt, die rare gewoonte om zowat alles masculien te maken: de koe – hij, de poes – hij. Maar dan zou het nog altijd de poes kunnen zijn die klaarstaat om haar – pardon: zijn – prooi te slachten op het altaar van de zinnelijkheid.

Kijk, dit is wat ik wil zeggen: je komt er niet uit, uit zo’n gedicht. En daarom hou ik er ook zoveel van. Net zoals de monnik van zijn getijdengebed houdt. En er ook geen raadsels mee oplost. Er geen greintje kennis mee opdoet. Het is gewoon zijn bioritme. Zijn dagdagelijkse dans. En dat heeft Lenze Bouwers verduveld goed begrepen. Hij heeft het niet alleen over een man die psalmen zingt, hij zingt als invoelende dichter ook zelf een lied. Een lied om op te dansen. Want het gaat hier om een rondeel. Het gedicht staat trouwens in de bundel met de titel Rondelen. “Draai maar rond,” zegt de dichter, “je komt er toch niet uit.” Maar dit is slechts de halve waarheid omtrent de doelstelling van het gedicht. Een goed gedicht wil zijn lezer ook altijd elektrocuteren. En plaatst daarom een aantal zaken onder hoogspanning. In een goed gedicht wordt een en ander kortgesloten. Kortsluitingen ondervinden – dit is liturgie aan zich laten gebeuren. Dit gedicht van Lenze Bouwers is een stukje liturgie. Een brokje benedictijnse liturgie, saai en steeds herhaald gebed waarin je – dankzij die herhaling – af en toe neergebliksemd wordt. Zalig neergebliksemd, want het gaat hier om een ervaring die je doet begrijpen dat je niets kunt manipuleren of binnenrijven, maar dat je wel alles kunt beleven in de flits die ontstaat uit de botsing van tegengestelden, in de vonk die wegspringt uit de confrontatie van alledaagsheid en mysterie, spel en ernst, ingetogenheid en verbetenheid, vertrouwen en angst, woord en stilte, actie en contemplatie, nederigheid en besef van eigenwaarde, zwakheid en kracht.

Voilà, dit is het spanningsveld waarin het rondeel van Bouwers werd geschreven. Maar ik laat het gedicht nu even los om ditzelfde spanningsveld aan te duiden in de spiritualiteit van de benedictijnse leefregel. Een regel die het kader uittekent voor de grote liturgie van het leven. Voor het gebed dat geen begin en geen einde kent.

Als u één zinspreuk kent die typisch benedictijns heet te zijn, dan is het waarschijnlijk deze: ora et labora – bid en werk. Spontaan denkt iedereen aan een perfecte tweedeling. Er is een tijd voor bidden en er is een tijd voor werken. Gelukkig zij die er een evenwicht in vinden. Gelukkig zij die kunnen voorkomen dat het werk en de stress die het werk met zich mee-brengt alle tijd die men graag aan gebed en meditatie had besteed, oppeuzelt. Gelukkig de monniken die zo’n strakke dagindeling aanhouden dat het vrijwel onmogelijk is dat de dwang, de zorg en de verplichtingen van het concrete leven hun rechten blijven opeisen, van minuut tot minuut, van uur tot uur, van dag tot dag. Er is nu eenmaal die bel die van tijd tot tijd gaat klinken als oproep voor het gezamenlijke officie of de persoonlijke lectio divina, een bel die zo dwingend – of bevrijdend – is, dat je halfweg het tekenen van een letter de pen moet – of mag – neerleggen om naar de bidplaats te gaan. Gelukkig zij die hun leven zo hebben in-gericht dat het devies ‘ora et labora’ wel degelijk haalbaar is. Nu, dit zijn gedachten van lui die de zinspreuk niet begrepen hebben. Gedachten die zich gemakshalve hebben geënt op de letterlijke vertaling van de spreuk – een spreuk die overigens nergens te lezen staat in de regel van Benedictus (wat niet wil zeggen dat het gezegde geen leidmotief zou kunnen zijn).

‘Ora et labora’ mag u niet begrijpen als een nevenschikking. Het gaat hier niet om twee, met elkaar in conflict komende, imperatieven. Niet om twee werelden die je best strikt van elkaar scheidt om ze beide zuiver en onbesmet te houden. Neen, het ‘ora et labora’ betreft de zorg om het ene, ondeelbare leven dynamisch en vruchtbaar te doen zijn. Sta me toe een dichterlijke metafoor te gebruiken om dit duidelijk te maken, een beeld dat kansen in zich draagt om nog eens een haakje naar het vers van Lenze Bouwers te werpen. Voor Benedictus zijn de termen ‘ora’ en ‘labora’ twee dansende personages die in een en hetzelfde rondeel meedraaien, niet naast elkaar maar tegenover elkaar in dezelfde kring. Wanneer je van buitenaf de kring gadeslaat, dan lijkt het alsof de danser die op een bepaald moment met zijn rug naar je toe staat, de danser dus die het dichtst bij je is, en de danser die het verst van je verwijderd is, degene van wie je in principe het aangezicht kunt zien, dan lijkt het alsof die twee zich in tegengestelde richting bewegen. Zie je het gebeuren? Natuurlijk lijkt dat alleen maar zo. In werkelijkheid bewegen de twee dansers wel degelijk in dezelfde richting. Met name rond een punt dat onbeweeglijk is. Het onzichtbare middelpunt zonder hetwelk je nooit van een rondedans zou kunnen spreken. Voor Benedictus gaat het precies om dat middelpunt, om die as waarrond het hele kloosterleven draait, het monastieke leven in zijn biddende aspecten én het monnikenleven in zijn dienstgerichte hoedanigheid. Het is die as waarover Sint-Benedictus het heeft wanneer hij – bijna te pas en te onpas – hamert op de geest van dankende, lovende toewijding die de monnik moet bezielen bij al wat hij doet.

De spil – ik zei het al – het is de Onnoembare. Of van de kant van de mens uit bekeken: het is de centripetale kracht die de mens in zijn baan houdt wanneer hij in gemeenschap de rondedans van de liturgie aan den lijve ervaart. En die kracht – ik zei het ook al – ze dringt alleen tot het bewustzijn toe wanneer de mens zich overgeeft aan het werk van de lovende, dankende toewijding. Een monnik is geroepen om – met het woord van Lenze Bouwers – om te ‘danken in volle pracht’. Op elk moment. Of hij nu het land omspit, of psalmen reciteert – het doet er niet toe. Het bidden en het werken gebeurt slechts vanuit één enkele motivatie. Het is een motivatie die ook in een zinspreuk kan samengevat worden. En deze keer staat de spreuk wel in de benedictijnse regel: ad maiorem Dei gloriam. Neen, dit komt niet van de jezuïeten, dit is op en top benedictijns. Tot meerdere eer en glorie van God. Daarom werkt en bidt de monnik. Ut in omnibus glorificetur Deus – opdat God in alles worde verheerlijkt. Die motivatie is dus niet iets wat de broeder zelf kan opwekken of manipuleren. Hij kan die motivatie alleen maar op het spoor komen wanneer hij aandachtig is, gevoelig voor de spil zonder dewelke er geen dynamiek zou zijn, geen rondedans. Die spil is God zelf, Gever van alle leven, Hij die in het centrum blijft staan, of de mens nu in de kerk vertoeft of in de bakkerij. Trouwens, die twee mooie Latijnse spreuken die ik net heb geciteerd uit de Regel, ze staan niet in de hoofdstukken die handelen over het getijdengebed van de kloosterling, maar wel her en der verspreid in kapitteltjes die gaan over de noeste handenarbeid, het verzorgen van zieken, het ontvangen van gasten, het verduren van de last en de hitte van de dag. Niet vreemd natuurlijk, want ondertussen hebben jullie al allemaal door dat de enige correcte vertaling van die andere spreuk, ora et labora dus, dat de goede vertaling als volgt moet luiden: bid zoals je werkt, en werk zoals je bidt. Met andere woorden: onderbreek nooit het rondeel van lof en dank, of het nu vier uur is, en tijd om te bidden, of tien uur, en tijd om te zwoegen. Perpetuum mobile. ‘Dansen – pardon: danken – in volle pracht’, dat is de opdracht. Maar let er dan wel op, doe het ‘pretentieloos’, want die spil waarrond je dankt – pardon: waarrond je danst – die heb je niet zelf gemaakt. Zie je wel dat dichter Lenze Bouwers slechts schijnbare paradoxen in zijn rondeel heeft opgenomen. Trots gebed van dank en lof gaat wel degelijk samen met de grondhouding van de nederigheid, met afwezigheid van pretentie.

Benedictus heeft geen traktaat geschreven over het gebed. En hij kende geen liturgie als afzonderlijk werkterrein naast dat van de dagelijkse arbeid. Het leven van de monnik is gebed. En kerkliturgie slechts het verdichtingsmoment van de algemene liturgie die het leven zelf is.

Het merg van het getijdengebed dat de monnik dagelijks bidt, is de psalm, het oeroude lied waarin de bijbelse schrijver niets heeft verheeld omtrent de menselijke opwellingen en gevoelens die hoe dan ook altijd worden blootgelegd wanneer men voor de troon van de Allerhoogste verschijnt.

Lees de psalmen en je zult ontdekken dat er niets menselijks vreemd aan is. Woede, ergernis, haat, zelfverwijt, twijfel, ontreddering, vloek – het mag er allemaal in voorkomen. Dit zijn de minder edele gewassen die de grond oplevert, de grond waarop de mens werkt in het zweet des aanschijns. Ik denk dat de monnik die het harde labeur schuwt, zich ook het meest in het haar zal krabben wanneer hij geconfronteerd wordt met al die lelijke dingen die in de psalmen hun onderkomen hebben gevonden. Een monnik die lui is, kan het onkruid van de psalmen ook niet verstaan. Hij heeft immers zijn eigen grenzen niet ontdekt, kent geen frustratie omwille van een mislukking, weet niet hoe diep ongelukkig een mens kan zijn wanneer zijn inspanning zonder vrucht blijft of niet gewaardeerd wordt door anderen. Een monnik die niet werkt, heeft zijn wonden, vaak onvermoede wonden, niet blootgelegd. En het is precies uit die open wonden dat de mooiste lofzang naar boven komt.

Begrijpt u nu waarom die werkwoorden ‘uitschreeuwen’ en ‘gloriëren’ zo doodgemoedereerd naast elkaar werden gezet door Lenze Bouwers? Allicht omdat de dichter terdege beseft dat voor het echte gebed altijd geldt: ‘Les extrêmes se touchent.’ Genade wordt in zwakheid geboren, schreef Paulus. ‘Per crucem ad lucem’, dichtte de Kerk hem plechtig achterna. Wie alleen maar klaagt om te klagen, of schreeuwt om te schreeuwen, die staat niet toe dat de zwakheid gaat baren of dat de deur op een kier wordt gezet, zodat de duisternis vanzelf open-breekt door een binnenvallende lichtstraal. Broeder Roger Schutz, de betreurde stichter van de gemeenschap van Taizé, heeft daarover een mooie dagboeknotitie geschreven:

Tegenover ontsteltenis in onszelf, in de Kerk of in de gemeenschap, staan ons twee wegen open. Ofwel monden de pijnen en angsten uit in zelfmede-lijden en bitterheid; kreunend verstart de mens onder de verpletterende last en alles is verloren. Ofwel stromen pijn en droefheid over in de lofprijzing van Gods erbarmende liefde. Die lofprijzing rukt de mens uit de passiviteit en geeft hem de kracht om de gebeurtenissen recht in het gezicht te zien.

Natuurlijk lost de lofprijzing, het danken tegen heug en meug, geen problemen op. Maar ze voorkomt wel de verlamming, de stilstand. Ze verhindert dat de rondedans gaat stokken. Het is maar wanneer je verder ronddraait in de kring, dat je er ook weet van zult hebben dat je beweegt bij de gratie van dat onzichtbare middelpunt, bij de gratie van dat centrum waarmee je op de een of andere manier toch – wat er dan ook gebeurt – waarmee je toch met een al even onzichtbare draad, de straal van de cirkel dus, verbonden blijft. Volgens mij is dat trouwens de kracht van elk ritueel. Rituelen lossen ook niets op, maar ze doen wel verder leven, verder dansen, over drempels heen. En dat lukt maar in de mate dat die rituelen ook plaats inruimen voor lof en dank, voor de nederige erkenning dat men niet alles zelf in de hand kan houden. Zoniet zijn het muren waarop de mens stukloopt. Of centrifuges die de mens in een brede boog weg zwieren van zijn ware zelf.

Weet u waarom de monnik zo hardnekkig de lof voor zijn Heer blijft zingen? Omdat hij ervan overtuigd is dat die lof altijd een wakkere ontvanger vindt. Een ontvanger die de Hem toe-gezongen lof honoreert door de kleine mens, de zanger dus, op te nemen in de schare der engelen, dit wil zeggen: in het koor van hen die voor eeuwig de lof mogen zingen. En waarom is die God altijd wakker? Omdat het dezelfde mens is die Hem voortdurend wakker schudt met blunders allerhande, met dingen waar Hij wel moet op reageren om zijn belofte gestand te kunnen doen.

Wil ik God ontmoeten, dan moet ik vooreerst mezelf nabij zijn, het spoor van mijn ware ‘zijn’ terugvinden, dat ‘ik’ dat bevrijd is van alle maskers en rollen die mij opgedrongen worden, of waarachter ik mij verschuil. Loslaten dus al datgene wat ik niet ben, waarmee ik niet geheel samenval: mijn ideaalbeeld, mijn prestatie, mijn kennis, mijn gevoel, maar ook mijn zonden, mijn mislukkingen, mijn concrete noden,… Loslaten is uitademen. Steeds met die onuit-gesproken vraag op de lippen: “Wie ben ik werkelijk, wat is mijn geheim?” Welnu, het antwoord ligt ook voorbij de gedachten, voorbij de gevoelens. Het wordt gewoon gegeven in de lucht die ik het volgende moment, noodgedwongen weer inhaleer. Inademen is met heel zijn wezen erkennen dat je jezelf gegeven wordt door Iets of Iemand die al even geheimvol is als het leven zelf. Bij het inademen kom ik in aanraking met mijn innigste kern, met het echte ‘ik’, met het beeld dat God zich van mij gevormd heeft. Het ‘ik’ heet: schepsel dat bij name geroepen werd door God, wezen met een onverwisselbare naam, gekend en bemind door Degene die mij gadeslaat, overal en altijd. Ik ben een woord dat alleen God in mij spreekt. En dat ga je dan weer uitademen. Samen met stukjes valse ‘ik’, gedachten die niet zuiver zijn, maar waarvan je vaag beseft dat ze ook wel hun weg zullen vinden in het grote ruim, in de filter van Gods barmhartigheid, in die filter die als eindproduct alleen maar nieuwe zuurstof oplevert. Zuurstof voor mij – want ik moet ondertussen dringend weer inademen. Maar het kan ook zuurstof zijn voor een ander. Met die ander, iemand ver weg of iemand dichtbij, vorm ik een communicerend vat. Het is daarom niet onzinnig om het gebed, hoe persoonlijk ook, altijd op te vatten als voorbede.

Kijk, dit is monastieke liturgie. Perpetuum mobile van het ademhalen. Eeuwigdurende beweging waarin ik zowel tast naar het geheim van mezelf als naar het geheim van God. Misschien – neen, wis en zeker – zijn die twee geheimen een en dezelfde: het mysterie van de liefde. Maar dat spreek ik niet uit in het gebed. Zo’n formulering zou God alleen maar kleiner maken. Toch kan ik er af en toe bij stilstaan, bij dat besef van eigen waardigheid – voilà, daar komt Bouwers weer om het hoekje kijken: ‘diep overtuigd van kracht en waardigheid’. Ik sta er bij stil op het moment dat het respireren kantelt tussen het uit- en inademen, in dat ondeelbare ogenblik waarin alles stilvalt, waarin je niet anders kunt dan zwijgen. Net uitgeademd, maar nog niet ingeademd. De zuiverste lofzang vormt zich in die tussentijd, dat ogenblik waarop niks gebeurt. Het is de blije, zwijgzame overgave aan de eenwording met God. In volstrekte stilte. “Voor U zij stilte een lofzang”, dicht de psalmist in zijn 65ste lied.

P. Dirk Hanssens osb – prior van de benedictijnenabdij Keizersberg - Leuven

Nog een toemaatje…

Een fragment uit de radiopreek van 18 juli 2004 over Lucas 10, 38-42 (het verhaal van Martha en Maria) door P. Dirk Hanssens osb.

Martha staat aan het fornuis te zwoegen. Ondertussen zit Maria aan de voeten van ene rabbi Jezus, de ogen dicht, luisterend, genietend. Onrechtvaardig en godgeklaagd, zucht de vermoeide keukenprinses.

We zijn tegenwoordig gewoon zo’n verwijt te horen wanneer het de stereotiepe rollen van mannen en vrouwen betreft. Maar het kan dus ook tussen vrouwen onderling, zo’n emancipatie-geschil. Vreemd dat die vrouwen het dan niet zelf uitvechten. Martha spreekt haar zus niet aan. Neen, ze vindt dat Jezus het moet oplossen. “Heer, waarom laat u dit gebeuren? Raakt het u niet dat de zaken hier scheef zitten? Zeg aan Maria dat ze mij moet helpen.” Jezus wordt in de rol van scheidsrechter geduwd. Hij, een man van gezag. Het Woord in hoogsteigen persoon.

Het gebeurt vaker dan we denken. Ik bedoel: de bijbel inroepen om de situatie recht te trekken. Zo van: ieder zijn rechtmatig deel, ieder een gelijk stukje van de koek, en wedden dat het evangelie harde taal spreekt voor wie zijn voeten veegt aan het gelijke kansenbeleid? Wel, op dat vlak valt het evangelie zwaar tegen. De bijbel zegt alleen maar wat het beste deel is, niet hoe wij ervoor kunnen zorgen dat iedereen er in gelijke mate van kan profiteren. Dat laatste is onze verantwoordelijkheid. Een uitdaging om tot creatieve oplossingen te komen.

Ik denk dat dit een gezondere lezing is van een stukje evangelie dat vroeger verkeerdelijk werd gebruikt om vrouwe contemplatie een hogere rang toe te kennen dan vrouwe actie. Lucas wil met zijn verhaal alleen maar laten zien dat het in het gelovige leven altijd gaat om een luisterende houding. Het komt er niet op aan wat je doet – in de keuken werken, de bijbel herkauwen, het gras afmaaien, een uurtje niksen, een boek schrijven, de paternoster bidden – als je luistert wat de Heer je bij die bezigheden in het oor fluistert, dan ontgaat je nergens het beste deel. Of je nu uitgesproken contemplatief, dan wel actief bent, in alles wat je doet mag je je aan de voeten van de Heer wanen. En niets is te min om een pad te kunnen zijn waarop je de diepere kennis aanboort.

Dienstbaarheid staat dus niet op een lager plan. Misschien wel integendeel. Lees de rest van het evangelie, en je ziet hoe de Martha’s hoog worden geprezen. Want dezelfde Jezus die vandaag Maria een pluim op de hoed steekt, zegt een andere keer: “Niet iedereen die roept ‘Heer, Heer…’, zal het koninkrijk van God binnengaan, maar zij die de wil doen van Mijn Vader.” Of nog: “Ik ben onder u als diegene die bedient. Doe gij evenzo.” Wat het evangelie wel zegt is dat we moeten werken met onze handen, terwijl we luisteren met ons hart. ‘Ora et labora’ luidt het benedictijnse devies. Begrijp ook dat niet als een nevenschikking maar als een onvertaalbare ineenvloeiing van termen. Terwijl je werkt, zijn je handen aan het bidden van zorgzaamheid, en terwijl je bidt, maakt je hart zich klaar om de dingen te doen die maar goed kunnen zijn als ze uit oprechte, onbezorgde liefde gebeuren. Dat is wat de bijbel naar voren schuift als de gastvrijheid waarin en waardoor de zegen van God wordt ontvangen, de Abrahamitische gastvrijheid dus…

Vragen ter bespreking in de groep:

  • Waar situeer jij jezelf in het spanningsveld van ‘actie’ en ‘contemplatie’, van ‘ora’ et ‘labora’? Ben je van nature eerder een ‘doener’ (m/v), een ‘denker’, een ‘bidder’, een activist, een ‘beschouwend type’..?

  • Waar kan jij rust vinden, tot jezelf komen, op adem komen temidden alle stress van het bestaan? Wat werkt voor jou ontspannend, verfrissend, vernieuwend? Waar, wanneer en hoe laad jij je batterijen weer op?

  • Wat is bidden voor jou? Doe je dat soms/vaak? Op welke manier lukt je dat het best? Wat heb je ervoor nodig: een stuk natuur, een rustmoment in de week, een sterke tekst, een lied, een gedicht, een liturgische viering, een brok muziek..?

  • En ‘wat heb je er aan’, in welke mate helpt het ‘contemplatieve’ jou om beter te ‘werken’ en (weer) in de pool van de ‘actie’ te gaan staan, om de last van het leven makkelijker te dragen?

  • Kan je iets uit de sfeer van het ‘ora’ meebrengen naar de groep: een tekst, een psalm, een bezinning, een lied of stuk muziek, een gedicht, een passage uit een boek… wat voor jou vertrouwde ‘gebedsstof’ geworden is? Breng dit dan om beurten even naar voor in de groep, en geef wat commentaar: wat maakt die tekst, die muziek… voor jou zo herkenbaar, inleefbaar, vertrouwd, rustgevend, inspirerend..?


BIDDEND SAMENZIJN

MARTHA EN MARIA – ‘ORA ET LABORA’

TWEE GELOVEN IN ÉÉN HUIS…

Openingswoord

Vanavond gaan wij in het gezelschap van Jezus, even op bezoek bij de gezusters Martha en Maria. Het kan een deugddoend en verrassend bezoek worden, tenminste, als we niet meteen denken: die geschiedenis kennen we al, want wie zo redeneert, luistert niet meer. Op het eerste gezicht vertelt deze evangelielezing een anekdote zonder veel diepgang: een woordenwisseling tussen twee zussen. De een slooft zich uit, Martha, en de andere, Maria, hangt aan Jezus’ lippen. En dan is er Jezus die het pleit beslecht ten voordele van Maria: “Zij heeft het beste deel gekozen”. In de loop van de geschiedenis heeft de Kerk, Jezus’ voorbeeld hier volgend, aan het contemplatieve een hogere waarde toegekend. Het beschouwende leven werd sterker gewaardeerd dan de inzet voor dagelijkse beslommeringen.

Maar voor wie goed leest en luistert,

is er in dit verhaal dat Lucas voor ons heeft opgeschreven

misschien wel een heel andere boodschap te horen…

Openingslied (ZJ 776)

Stem die ons roept, Vader die draagt, Rots van vertrouwen aan mensen gewaagd. Herder die hoedt, niemand verloren, ieder als beeld van uw liefde herboren.

Woord van God is wat Hij doet: Hij geeft leven in overvloed.

Mensen gegeven, getrouw aan elkaar, verbonden voorgoed in dat oude gebaar: brood om te worden, wijn om te delen, wij dragen uw kracht om de wereld te helen.

Woord van God is wat Hij doet: Hij geeft leven in overvloed.

Handen geopend voor iedere nood, geloof zonder daden geleidt naar de dood. Geloven is doen wat de woorden beleden, geloven is werken voor recht en voor vrede.

Woord van God is wat Hij doet: Hij geeft leven in overvloed.

(tekst en muziek: Carlos Desoete)

Openingsgebed

Als een God van liefde is de Heer in ons midden, ons nabij als het hart van de ander, als liefde van mensen voor elkaar. Maar in Jezus is Hij ons het meest nabij. Wij bidden U, Heer: leer ons écht te luisteren naar zijn woord opdat wij de juiste verhouding zouden ontdekken tussen arbeid en bezinning, tussen bezit verwerven en uitdelen, tussen tijd voor arbeid en tijd voor elkaar, tussen alle moeten en het echte ontmoeten. Doe ons inzien dat mensen die thuis zijn bij elkaar, ook altijd welkom zijn bij U. Amen.

**Lezing uit het evangelie (Lucas 10, 38-42) **

Op hun rondreis ging Jezus eens een dorp binnen. Een vrouw, Martha genaamd, ontving Hem gastvrij. Zij had een zuster die Maria heette. Die kwam aan de voeten van de Heer zitten en luisterde naar zijn woorden. Martha had het heel druk met bedienen. Ze ging naar Jezus toe en vroeg: `Heer, laat het U koud dat mijn zuster mij alleen laat bedienen? Zeg haar dat ze mij komt helpen.’ De Heer gaf haar ten antwoord: ‘Martha, Martha, je maakt je bezorgd en druk over van alles, maar slechts één ding is nodig. Maria heeft het beste deel gekozen en dat zal haar niet worden ontnomen.’

Commentaar

Twee fragmenten uit het dagboek van Piet Declercq, priester van het bisdom Brugge werkzaam in de basisgemeenschappen van El Salvador – gepubliceerd in Centraal Amerika Info:

22 juli 2001

Het verhaal van Martha en Maria – Lucas 10, 38-42.

Hoe interpreteren wij dat hier: aan de voeten van de Heer zitten luisteren?

Zou het kunnen betekenen: luisteren naar degenen met wie Jezus zich vereenzelvigt en naar wie niemand luistert, de lijdende, de uitgestotene, de gemarginaliseerde? Wij zijn er van overtuigd dat Jezus’ woorden het eerst en het meest tot ons komen via gebeurtenissen en armen en verarmden waaraan geen aandacht wordt geschonken. In elk geval geloof ik niet dat de ‘priester-interpretatie’ – luisteren naar de preek in een kerk of kapel – de juiste is. Wel juist is: dat de Kerk moet luisteren naar God. En ‘luisteren naar God’ kan maar via de toegangsdeur van de armen. God spreekt via ‘de stem van de stemlozen’.

Natuurlijk komt hierop kritiek, zoals van Martha. Zal Jezus ook nu niet antwoorden: ‘Slechts één ding is noodzakelijk..?’

17 juli 2010

Het verhaal van Martha en Maria. Je weet wel: degene die volgens Jezus het beste deel verkozen heeft.

Volgens mij is het een valse tegenstelling tussen actie en contemplatie. De zogenaamde contemplatie heeft geen echte wortels in het evangelie; het is meer een interpretatie van het evangelie, van toen men meer waarde ging hechten aan het lof-en-eer-brengen aan Jezus dan Hem na te volgen.

Zou het niet zo moeten verstaan worden: wat is er belangrijkst en meest dringend? Neem nu de overstromingen hier, en de bijeenkomsten van onze basisgroepen en equipes daar rond: hechten we meer belang aan het bekomen van voordelen vanwege de hulporganisaties? Of proberen we de echte oorzaken te onderkennen? Bezig zijn kan dan eerder wijzen op verstrooidheid, en niet meer het bekommerd zijn om het algemeen belang.

Wat is dan: zitten aan de voeten van de Heer? Het is gaan zitten waar Hij is; dus onder de armen en uitgestotenen, de lijdenden, de gekwetsten, de gebroodroofden, de overstroomden en bedreigden, en luisteren naar hun godswoord. Mgr. Romero zei het al raak: ‘De herder moet midden het lijden staan’. Let wel: lijden. Met een getipte ij. En niet met een korte ei…

Voorbeden

Maken wij het stil in onszelf

en bidden wij tot de Levende,

wiens Naam zij gezegend in ons midden.

Wij bevelen U aan

alle gekende en ongekende mensen,

families zonder huis en thuis,

mensen zonder werk,

ouders op zoek naar hun kinderen,

kinderen op zoek naar hun ouders,

vluchtelingen opgejaagd her en der.

Wij bidden U: wil hen gedenken.

Wij bevelen U aan

de vele ongekenden,

die vechten wat ze kunnen om hoop op leven,

de zwoegers voor vrede,

de pleiters voor andere wegen van samenleven,

voor een andere manier van denken en doen,

deze wereld omgekeerd.

Wij bidden U: wil hen gedenken.

Voor alle zieke en gehandicapte mensen

die de doeners en werkers ondersteunen

met hun gebed en vertrouwen.

Wij bidden U: wil hen gedenken.

Wij bevelen U aan

de vele vrijwilligers

die met hart en handen betrokken zijn

bij het kerkwerk en in de samenleving,

die hun tijd en hun talenten geven

aan de opbouw en instandhouding

van kleine gemeenschappen overal te lande.

Wij bidden U: wil hen gedenken.

Wij bevelen U onszelf aan:

dat wij elkaar bemoedigen en stimuleren

tot een Groep van ‘Goed Gezelschap’,

die vreugde en verdriet samen draagt.

Dat wij mogen blijven geloven in de goede boodschap,

dat wij mogen groeien in genade en menselijkheid,

in actie en in contemplatie.

Wij bidden U: wil ons gedenken.

Onze Vader

Verrijkt met Jezus, uw Zoon, wiens woorden voor ons levensbrood zijn, wiens daden voor ons voorbeeld en bron van vreugde zijn, willen wij bidden tot Hem die zich aanbiedt als Vader voor ons en alle mensen.

Onze Vader, graag zouden wij in deze wereld uw naam geheiligd zien. Mochten steeds meer mensen U kennen als God-met-ons. Uw Rijk kome! Een Rijk van liefde, vrede en gerechtigheid. Uw wil geschiede, want Gij wilt dat wij gelukkige mensen zijn, die zich inzetten voor de anderen. Wij vragen U om het dagelijks brood, om het nodige voedsel voor wie honger heeft en om de moed ons voedsel te delen. Vergeef ons onze schuld, want dikwijls zijn wij onverschillig voor uw liefde. Leer ons de anderen vergeving schenken, steeds opnieuw, zonder bitterheid. Leid ons weg uit de bekoring van hoogmoed en onoprechtheid. En verlos ons van het kwade. Want Gij zijt de vrede en de vreugde, de kracht en de heerlijkheid tot in de eeuwen der eeuwen. Amen.

Vredewens

Wij lopen vooruit op wat nog niet is, wij spelen in op uw toekomst, Heer. Langzaam en moeizaam, in hoop en vrees, werken wij uw belofte uit, bouwen wij aan een stad van vrede, de nieuwe schepping waar Gij ons licht zijt, alles in allen.

(Huub Oosterhuis)

Die vrede van de Heer zij altijd met u. * Geven wij elkaar een teken van die vrede.*

Slotgebed

Gij die onze levensdagen kent, hun vreugde en hun leegte en hun lange duur – Gij die achter alle dood verborgen zijt, de levende, gedenk ons hier – Gij die geen naam vergeet, geen mensenkind veracht, gedenk en zegen ons.

Gij die de oorsprong zijt van al het goede dat gedaan wordt: wees in ons hart, in onze ziel, in ons verstand; dat wij bij machte zijn het ergste leed iets te verzachten, dat wij opwegen tegen de wanhopigen; dat allen die zich mensen noemen niet doorgaan met de verwoesting van deze aarde, met de jacht en de moord op mensen. Doe lichten over ons uw aangezicht en geef ons vrede.

(Huub Oosterhuis)

Lied om af te sluiten

Beurtzang uit psalm 72

tekst: Vijftig psalmen / muziek: J. Eijgenraam

Refrein:

Voor kleine mensen is Hij bereikbaar,

Hij geeft hoop aan rechtelozen,

hun bloed is kostbaar in zijn ogen,

Hij koopt hen vrij uit het slavenhuis.

Hij zal opkomen voor de misdeelden,

Hij zal de machten die ons dwingen,

breken en binden, Hij zal leven,

onvergankelijk, als de zon.

Voor kleine mensen…

Zoals de dauw die de aarde drenkt,

zo zal Hij komen en in die dagen

zullen trouw en waarachtigheid bloeien,

zal er vrede in overvloed zijn.

Dan dragen de bergen schoven van vrede

en de heuvels een oogst van gerechtigheid,

een vloed van koren, golvende velden,

een stad rijst op uit een zee van groen.

Voor kleine mensen…

Zijn naam is tot in eeuwigheid,

zolang de zon staat aan de hemel.

Zijn naam gaat rond over de aarde,

een woord van vrede, van mens tot mens.

Voor kleine mensen…

Gesprokkeld door Geert Dedecker

Zoeken in Preken Online