15e zondag door het jaar C - 2004

C-cyclus · Tijd door het jaar · 15e zondag · groen

Er was een jonge man,
die juist zijn rijbewijs gehaald had.
Overmoedig als hij was,
nam hij met een veel te hoge snelheid de bocht,
hij remde, begon te slingeren
en kwam hals over kop in een sloot terecht.

Op dat moment kwam juist een pastoor voorbij.
Die dacht bij zichzelf:
“Eigenlijk moet ik hier helpen,
maar ik ben juist op weg naar een begrafenis.
Ik kan de mensen daar toch niet laten wachten,
iemand anders zal de politie
en de ambulancedienst wel waarschuwen”.
En hij reed door.
Zijn godsdienstige plichten belet­ten hem te helpen.

Direct daarna kwam een sjieke mercedes voorbij.
De chauffeur keek in de spiegel en dacht:
“God zij dank, er is niemand achter mij!
Niemand zal kunnen getuigen
dat ik die man niet geholpen heb.
Ik kan die bloe­dende man
toch niet in mijn nieuwe auto leggen.
Daarvoor betaalt de verzekering zeker niets terug.
In elk geval ik heb hiermee niets te maken”.
Hij drukte op het gaspedaal en reed verder.

Tenslotte kwam een Turkse gastarbeider voorbij
in een oude tweedehandswagen
propvol geladen met allerlei bagage,
want hij ging op vakantie naar huis.

Maar aan al die dingen denkt hij niet.
Hij stapt direct uit, maakt plaats in zijn auto,
legt de bloedende jongen erin,
brengt hem direct naar het ziekenhuis
en regelt daar alles voor die onbekende.
Die gastarbeider was geen christen,
hij kende ook niet
de parabel van de barm­hartige Samaritaan,
maar hij hielp de jongen.

Van die Samaritaan wordt niet gezegd
dat hij met de juiste principes en normen
door het leven gaat.
Wel staat er dat hij medelijden kreeg…
Letterlijk: “Hij werd in zijn ingewanden gegrepen”.

De Samaritaan gaat meteen tot de daad over.
Dan volgen een hele reeks “doe”-woorden:
hij gaat naar hem toe, hij giet olie en wijn op zijn wonden,
hij verbindt ze, hij legt hem op zijn rijdier…
Alles wat de Samaritaan bij heeft
dient nu allemaal om die man te verzorgen, zelfs zijn geld.

Hij handelt vanuit zijn buik,
vanuit een bewogenheid,
en ‘gegrepen zijn’ door het lot van die jonge man.
De ellende van die man die daar toevallig ligt
grijpt hem in zijn diepste wezen aan.
Naastenliefde, goede mensen,
is geen zaak van het verstand maar van het hart!\

“Wie is mijn naaste?”
Het antwoord op die vraag verkrijg je niet met je verstand, maar vanuit je hart.
Als wij goed geluisterd hebben
dan zullen wij gehoord hebben
dat Jezus op het einde van de parabel
het accent helemaal verschuift.
Jezus leert ons vandaag niet te vragen:
“Wie is dan mijn naaste wel en wie niet?
Wie moet ik beminnen en wie niet?”
maar wel:
“Welke mens in nood kom ik vandaag tegen,
die ik mag beminnen en concreet helpen,
zodat ik misschien zijn naaste kan worden?”\

Hiermee raken wij de kern van het chris­tendom.
We stoten hier op de méést revolutio­naire gedachte:
het christendom is geen “leer” zoals het Boeddhisme;
het is ook geen “wet” zoals het Jodendom;
maar het is een “gebeuren”…

Er moet iets beleefd worden.
Er moet iets gedaan worden.
Er moet een levengevende relatie beleefd worden,
zowel met God als met de mens in nood.
Daarom zegt Je­zus tot tweemaal: “Doe dit!”
Die relatie, dat bondgenootschap met God,
bevrijdt ons van alle zelfbekrompenheid
en maakt ons zelf gelijkvormig aan Christus.

Jezus is zelf het prototype van de barmhartige Samaritaan. Jezus gaat hierin tot het uiterste.
De Samaritaan doet een greep in zijn portemonnee…
En het kost hem heel wat…
Maar Jezus geeft zichzelf, helemaal…!!!
Eerst alles wat Hij heeft,
daarna zijn hele leven,
met Lichaam en Geest, met Vlees en Bloed.

Wie is uw naaste?
Jezus zelf is in eerste instantie uw naaste geworden.
Hij heeft de eerste stap gezet
om in onze ellende te delen.
Met als doel dat ook wij onze gelukzaligheid prijsgeven
en de naaste worden voor anderen.

De vraag is dus niet: “Wie is mijn naaste?”
Maar wel:
“Wie van ons zal de naaste zijn
voor dat Soedanese kind met honger?
Wie van ons zal de naaste zijn
van die eenzame of van die zieke?
Wie van ons zal de naaste zijn
voor die huilende man, voor die huilende vrouw?”

Naaste van iemand ben je
als tot in je diepste laat raken door iemands lot.
Naaste ben je als je de barmhartige liefde tegenover iemand in de praktijk brengt.

Goede mensen,
op wie willen wij lijken:
op die priester en die leviet, of op die Samaritaan?
Jezus zegt tot elk van ons:
“Ga dan en doe gij evenzo.”

Doen zoals die Samaritaan
wil voor ons concreet zeggen:
doen zoals Jezus ons heeft voorgedaan.
Onze liefde tot de naaste wordt op dat moment
de liefde van Christus voor elke mens in nood.

Godsdienst bestaat niet alleen in mooie woorden,
maar ook in een daadwerkelijke zorg
voor de mens in nood.
“Doe evenzo…”:
met dat woord zullen wij nooit klaarkomen…
Maar wij kunnen wel proberen
om aan die liefde van Christus gestalte te geven
in ons dagelijks leven,
door zover te gaan in onze naasten­liefde,
dat het ons pijn doet.
Want echte liefde mag pijn doen, zegt Jezus.

Zoeken in Preken Online