15e zondag door het jaar C - 2004

C-cyclus · Tijd door het jaar · 15e zondag · groen

EEN NAASTE WORDEN


De kernboodschap van het christendom
wordt samengevat in die ene zin:
God beminnen en de naaste.
God is niet een driemaal hoogheilige, onbereikbare Albeheerser,
niet een strenge, veeleisende en straffende Rechter,
maar onze bezorgde en barmhartige Vader voor allen.
En tegenover die barmhartige Vader
kunnen wij alleen onze dankbaarheid en liefde echt tonen
als wij ons naaste beminnen.
Maar dan komt ook bij ons de vraag op van de wetgeleerde:
“Wie is dan wel die naaste die wij moeten beminnen?”

Dit is een vraag
naar de wettelijke grenzen van onze liefde.
“Hoever moet mijn liefde in theorie gaan?
Tegenover welke mensen ben ik als christen verplicht liefdevol te zijn?
Tot en met de kring van mijn vrienden en familie…?
of tot en met de mensen van mijn partij…? of van mijn eigen volk…?
of tot en met mijn geloofsgenoten…?
of tot en met de mensen van mijn ras…?
Tot hoever precies moet mijn liefde wel reiken…?”
Het is de vraag van iemand
die in een sterke positie staat
en die meent zelf te kunnen bepalen
naar welke anderen hij toegaat of niet,
en wanneer hij die stap zal zetten.

Maar als wij goed geluisterd hebben
dan zullen wij gehoord hebben dat Jezus
op het einde van de parabel
de vraag eigenlijk helemaal omdraait.
Na heel Zijn verhaal vraagt Hij niet:
“En wie is nu de naaste van die “sterkeren” die, één na één,
voorbijkwamen op de weg van Jericho?”
maar wel: “Welke van die voorbijgangers heeft zich als naaste gedragen
van die gehavende man, van die “zwakkere” langs zijn weg?
Wie heeft zichzelf tot naaste gemaakt?”
En daarop luidt het antwoord natuurlijk:
diegene die hem barmhartigheid heeft betoond.

De parabel van Jezus vraagt ons dus liefdevol te zijn,
niet op het ogenblik en tegenover de persoon door onszelf gekozen,
maar tegenover elke mens, die zich op eender welk moment aandient,
in de nood van het ogenblik.

Eigenlijk zegt het christendom
dat een “wettelijk omschreven” kring van naasten niet bestaat,
dat er geen groep mensen kan afgebakend worden,
tegenover wie ik als christen verplicht ben liefdevol te zijn,
want dat veronderstelt dat er anderen zijn
tegenover wie ik niet zou verplicht zijn liefdevol te zijn.
Neen, ik kan alleen zelf “naaste worden” van iemand,
door mijn concrete daden van goedheid en zorg,
telkens opnieuw onderweg,
bij toevallige ontmoetingen,
tegenover eender welke mens die in nood verkeert.

Jezus en Zijn evangelie vraagt van ons
dat wij ons dus niet laten leiden
door onze vooringenomen standpunten,
dat wij niet a priori grenzen willen vastleggen
en categorieën mensen willen uitsluiten,
maar dat wij ons dagelijks gedrag zouden laten bepalen
door de kwetsbaarheid van de andere mens op onze weg.
Christen-zijn is voortdurend willen uitkijken
naar iemand van wie ik de naaste zou kunnen worden,
aan wie ik hulp zou kunnen bieden.
Mijn uitgangspunt als christen is dus niet mijn sterk standpunt,
maar de concrete nood
van eender welke andere zwakkere die ik ontmoet.
Waarom?
Omdat ik besef dat ik mij eigenlijk niet hooghartig sterk moet wanen,
maar dat ik mij het best bescheiden en dankbaar voel.
Want, de keren dat ik langs de kant van de weg lag,
heeft God mij reeds herhaaldelijk
Zijn barmhartigheid getoond en nieuwe mogelijkheden geboden.

Jezus leert ons dus vandaag niet te vragen:
“Wie is dan mijn naaste wel en wie niet?
Wie moet ik beminnen en wie niet?”
maar eerder:
“Welke mens in nood kom ik vandaag tegen,
die ik mag beminnen en concreet helpen,
zodat ik misschien zijn naaste kan worden?”

En, wie erop uit is om dag aan dag te proberen
de naaste te worden van de behoeftige op zijn weg,
die bemint God echt,
de barmhartige Vader voor allen.

Zoeken in Preken Online