Homilie op de 14e zondag door het jaar C: “Op zending met weinig bagage!”
(Lc. 10, 1-12.17-20)
Tielt, 7 juli 2013
Af en toe zien we in het T.V.-journaal beelden van een overzetboot die kapseist omdat hij te zwaar geladen is: te veel mensen, te veel bagage. Dat gebeurt meestal in een Aziatisch of Afrikaans land. De beelden zijn schrijnend: mensen die verdrinken in de onstuimige zee en smeken om hulp.
Sinds lang is het een gemeenplaats de Kerk te vergelijken met een bootje, het bootje van Petrus.
Dat bootje van Petrus werd in de loop der tijden beladen met heel veel ballast, beladen met heel zware discussies en doctrinaire twisten onder theologen. Die onenigheden liepen meestal uit op het afkondigen van een dogma, een kerkelijk leerstuk, dat meestal voor gewone mensen onbegrijpelijk is.
Erger is dat ze dat bootje beladen hebben met veel morele principes en normen, die veelal niets te maken hadden met het evangelie of Jezus’ blijde boodschap. Integendeel! Die blijde boodschap werd een keurslijf, waarin mensen zich ongemakkelijk voelden. Het doet me denken aan het bed van Procrustes. Procrustes was een mythologische figuur met de bijnaam van een rover in Attica. De gevangen reizigers rekte hij uit op zijn bed als ze te kort waren en hun uitstekende ledematen zaagde hij af als ze te lang waren. Uiteindelijk werd hij door Theseus gedood. Te lang hebben de kerkleiders gehandeld als Procrustes. Geen wonder dat vele christengelovigen zich ongemakkelijk voelden en gebukt gingen onder tal van schuldgevoelens. Het geweten was bijzonder negatief en zegt ons vooral wat we niet mogen doen. Weet je dat 6 van de 10 geboden negatief geformuleerd zijn? Het zijn verboden: je mag niet vloeken, niet doden, geen ergernis geven, geen onkuisheid bedrijven, niet stelen of bedriegen, je niet bezondigen aan achterklap en liegen en niemands goed begeren. Vooral inzake het formuleren van seksuele spelregels was de Kerk bijzonder sterk en heel negatief. Je kent de historie van dat vroom kwezeltje dat fier was op het einde van haar leven in de biecht te kunnen zeggen dat ze nooit een slechte gedachte gekoesterd had. Waarop de pientere biechtvader zei: “Juffrouw, heb je ooit in je leven wel een goede gedachte gehad over menselijke seksualiteit? Heb je ervoor gezorgd dat aan jongeren de nodige voorlichting werd gegeven of heb je daarover angstvallig gezwegen en het probleem genegeerd? Heb je je eigen vrouw-zijn ontwikkeld tot schoonmenselijkheid of ben je verschrompeld tot een verwelkte bloem en een dor hart?”
Het geweten werd daardoor herleid tot een soort rood licht: “Opgepast! Er is gevaar!” Of het loerende oog van God, zoals je het nog kunt zien op oude prenten: “God ziet mij. Hier vloekt men niet!” Terwijl ons geweten veeleer Gods Geest moet zijn, die ons leidt naar wat God van ons verwacht: een spirituele G.P.S. Dat alles heeft veel onheil gesticht, heel veel scrupulositeit verwekt, vooral bij getrouwde mensen. Wij moeten dat betreuren. Je kunt nochtans vanuit het evangelie zoveel zinvols zeggen over de relatie van man en vrouw in het huwelijk: respect voor elkaar, vergevingsgezindheid, tederheid in de omgang, gezamenlijke bekommernis voor elke mens op je levensweg. Dat alles is zoveel zinvoller dan de bedmoraal, waaraan kerkelijke moralisten zich bezondigd hebben.
Te veel dogma’s, te veel verboden! En met een rugzak, zwaar van dogma’s en verboden, is het moeilijk lopen.
Misschien hebben we dat bootje van Petrus, de Kerk, ook te zwaar beladen met machtige structuren en met pracht en praal. Geloven en christen zijn kreeg zoveel toeters en bellen dat de kern van de evangelische boodschap nog maar nauwelijks werd gehoord en gezien. Gelukkig hebben we nu een nieuwe paus, die een heel andere koers vaart: los van uiterlijk vertoon, terug naar de kern van het evangelie. Terecht! Net als Luther in de 16e eeuw komt paus Franciscus op voor versobering en durft hij reageren tegen de misbruiken in de Kerk, zelfs in de Curie van het Vaticaan. Hij heeft de moed afstand te doen van wat de kerk zich in de loop der eeuwen ten onrechte toegeëigend heeft, maar wat haar niet toekomt: macht, aanzien, het monopolie van de waarheid, het altijd beter weten, enz… We moeten terug naar af, terug naar wat essentieel is, terug naar de zending die Jezus aan de 72 leerlingen gaf in het evangelie dat we zopas beluisterd hebben. Hij vroeg hun dat ze geen solospelers zouden zijn maar dat ze samen erop uit zouden trekken, zonder beurs, zonder reiszak: niet uit zijn op profijt, op geld, op invloedrijke relaties waardoor je misschien gemakkelijker een plaatsje krijgt in een katholieke instelling. Dat is reeds een sterke boodschap voor de mensen op onze dagen, die niets meer gratis willen doen. Ik hoor dat in sommige gezinnen kinderen betaald worden om hun kamer in orde te brengen of mee te helpen aan de afwas. En meer en meer hoor ik klagen dat sociale verenigingen geen vrijwilligers meer vinden, want ze worden er niet voor betaald.
Jezus zei ook aan Zijn leerlingen dat hun eerste woord moest zijn: Vrede aan dit huis! Wat een belangrijke boodschap! Er is zoveel onvrede, zoveel jaloersheid, zoveel oorlog en ruzie in onze wereld: in de politiek, in de gezinnen, in de wijde wereld. Wie door Jezus gezonden is moet de moed opbrengen te reageren tegen de vele boze geesten, die de maatschappij verpesten.
Jezus geeft aan Zijn leerlingen ook de opdracht de zieken te genezen. Ook in onze tijd zijn er veel zieken, meer dan dokters en verpleegsters aankunnen. En veel gezonde mensen worden ziek omdat onze maatschappij ziek is.
Om iets van Gods goedheid en vrede te brengen hoef je geen zware opleiding of training te hebben, wel een rugzak vol godsvertrouwen en apostolische ijver.
En dan komt op het einde dat prachtige woord van Jezus: verlies de moed niet als je boodschap niet aanslaat, als de mensen niet luisteren: “Schud dan het stof van je voeten”, zegt Jezus. D.w.z. veeg er dan je voeten aan. Je hebt geprobeerd. Je hebt je best gedaan. Maak je dus geen zorgen over het resultaat.
Dat is een troost ook voor elke predikant als hij vaststelt dat de mensen niet naar zijn sermoen luisteren.
Gabriël Buyse, pastoor-deken em. Tielt
Homilie op de 15e zondag door het jaar C:
“Kriebels van medeleven en medelijden!” Lc. 10,25-37)
Tielt, 14 juli 2013
Ben je ooit al bedrogen geweest als je geld gegeven hebt aan iemand die er je om vroeg met een onweerlegbaar en ontroerend verhaal en met de vaste belofte dat je het op het einde van de maand zou terugkrijgen? Ik wel en zelfs meerdere keren. Neem het me niet kwalijk, maar als je in je mildheid nog nooit bedrogen werd, is dat een bewijs dat je nog niet dikwijls iets gegeven hebt of iemand geholpen hebt. Wie iets weggeeft of iemand helpt, wordt af en toe bedrogen. Dat is een feit.
Dat is zelfs voor vele mensen een reden of althans een excuus om aan niemand iets te geven of om nooit iemand te helpen. Waarom zou je wel?
Die oude buurvrouw, moet je ze helpen? Ze heeft geld genoeg en ze heeft twee getrouwde dochters, fit en gezond, die ook niets te kort hebben. Ze kan haar maaltijden aan huis laten bezorgen door het O.C.W.
Die depressieve man die bij mij komt aanbellen op een moment dat het mij niet past, moet ik mijn tijd en geduld daarin investeren? Eigenlijk moet hij zichzelf genezen. Ten andere, als de psychiaters hem niet kunnen helpen, wat kan ik dan voor hem doen? Hij heeft trouwens geen enkele reden om depressief te zijn. Die schooier, die wat geld vraagt, moet ik me over die man ontfermen? Hij krijgt het levensminimum zonder te werken. En hij zit nogal veel op café. Dat hij begint met een pint minder te drinken! Het schijnt ten andere dat hij vroeger welstellend was maar alles erdoor gedraaid heeft. Moet ik dan betalen voor zijn dwaasheden? En die kleurlingen die op straat of aan mijn deur komen bedelen met een klein kind op hun arm! Dat ze gaan bedelen in hun land van herkomst! En moet je nog iets geven voor de missies, waar ze alles kapot geslagen of in brand gestoken hebben? En moet je nog iets geven aan de Kerk, waar het aantal kerkgangers elk jaar nog kleiner wordt en waar ze grote sommen moeten uitbetalen aan de slachtoffers van het seksueel misbruik door geestelijken en religieuzen?
Zoveel redenen of althans verontschuldigingen om te doen wat de priester en de leviet deden in het evangelieverhaal dat we zopas beluisterd hebben. Ze gingen in een boog om de mens in nood heen. Ook die priester en leviet hadden daar wellicht redenen voor en wellicht, zoals wij heel vaak hebben, een hard oordeel over die sukkelaar . Misschien dachten ze bij zichzelf: Waarom was die man daar alleen op weg van Jerusalem naar Jericho? Laten we geen risico’s nemen en doen alsof onze neus bloedt, alsof we niets gezien hebben. Voor de rest ergerden zij zich aan de onvoorzichtigheid of tenminste de onbedachtzaamheid van die mens in nood.
Maar onlangs heb ik, uit onverdachte bron, namelijk uit de mond van Paul Magnette, de nationale voorzitter van de Waalse Parti Socialiste, enkele maanden geleden dat rake zinnetje gehoord:” S’indigner c’est bien, s’engager c’est mieux”, wat wil zeggen: “Het is goed je aan sommige mensen of toestanden te ergeren, maar je ervoor inzetten is beter.”
De vraag die Jezus ons vandaag stelt, is deze : Kun je je enkel ergeren bij het zien van mensen in miserie of kun je daarbij nog kriebels van medelijden krijgen in je buik, die je ertoe aanzetten iets voor hen te doen?
Wanneer het kriebelt in de buik van jonge mensen, is het vermoeden groot dat ze verliefd zijn. Plots wordt het leven voor hen heel anders: zonniger, uitbundiger. Op die momenten zijn ze moeilijk in te tomen. Ouders kunnen dan niet anders dan de teugels vieren. En soms doen ouders dat met een beetje heimwee naar hun eigen jonge jaren, toen het ook nog kriebelde in hun buik.
Het kriebelde ook in de buik van de barmhartige Samaritaan, een vreemdeling voor die Jood in nood. Het waren geen kriebels van verliefdheid, maar wel kriebels uit medelijden.
Bij het zien van die mens langs de weg, beroofd van alles en halfdood, stelde hij zich niet de vraag: Wat kwam die onvoorzichtige man hier alleen doen? Of, hoe krijgen we de rovers te pakken? Neen! Maar het beeld van die man in nood raakte hem tot diep in zijn buik. Hij werd ontroerd. Dat is het eerste wat nodig is om iemand te helpen: kriebels van medelijden in je buik krijgen.
Maar die barmhartige Samaritaan deed nog meer. Hij handelde deskundig. Hij ontsmette de wonden van de gekwetste en legde een verband erop. Hij bracht hem naar een herberg en betaalde alles. Ook dat laatste is belangrijk. De onlangs gestorven oud-premier van Engeland, de iron lady Margaret Thatcher, heeft eens gezegd: “Niemand zou zich de barmhartige Samaritaan herinneren als hij enkel goede bedoelingen had. Hij had ook geld.”
Sterke bewogenheid, wat geld en een beetje bekwaamheid: de drie zijn nodig om iemand te helpen. Bekwaamheid zonder bewogenheid en zonder een beetje geld maakt het onmogelijk iemands nood te lenigen. Als je iemand echt wilt helpen, moet je soms op zoek gaan naar een persoon of een dienst die deskundig is en er meer van kent. Sommige mensen hebben iemand nodig om bij die dienst te raken en er iets voor te betalen.
De vraag die Jezus vandaag aan elkeen stelt, is deze: Vind ook jij, net als de priester en de leviet, redenen of verontschuldigingen om onverschillig te blijven voor de miserie van anderen, om nooit iets van het jouwe te geven of niemand te helpen? “S’indigner c’est bien, s’engager c’est mieux.”
Gabriêl Buyse, pastoor-deken em. Tielt