Ik ontmoet hem in zijn atelier: Een tekentafel vol met schetsen, allemaal nog maar half af. De beeldhouwer zelf is koortsachtig aan het werk aan één van de schetsen. Ik ga naar hem toe: “Waar werk je aan?”
De beeldhouwer kijkt op van zijn tekentafel, en hij vertelt me dit verhaal: “Ik heb een grote opdracht gekregen, nog wel van de bisschop. Ze gaan een nieuwe kathedraal bouwen, en ze willen dat ik voor de buitenkant zeven beelden maak, de zeven dagen van de schepping. Zo’n opdracht, daar droom je van als beeldhouwer, dus ik ben gauw aan het werk gegaan. De zon en de maan van de vierde dag van de schepping waren er zo, en ook de vogels en vissen van dag vijf zag ik meteen voor me. Maar hoe harder ik aan al die dingen werkte, hoe meer ik me realiseerde dat ik wegliep voor de belangrijkste vraag: Hoe moet ik God afbeelden? Hoe ziet Hij er uit, als het al een hij' is? En omdat ik er niet uitkwam, ben ik met die vraag teruggegaan naar de bisschop. De bisschop luisterde, en zei: Beeldhouwer, je hebt groot gelijk. Hoe God er uitziet weten we niet: “Niemand heeft ooit God gezien” (Joh 1,18). Maar ik zal je iets geven.’ De bisschop pakte een vel papier, schreef er iets op, en gaf me dat mee. En sinds ik dat gelezen heb, weet ik hoe ik God moet afbeelden. Het papier met de tekst die ik van de bisschop kreeg, ligt hier op tafel: ik ken hem inmiddels uit mijn hoofd. Neem hem dus maar mee, en kom terug als ik de beelden af heb.”
Ik heb de tekst meegenomen, en toen ik hem las, herkende ik het. Het is een lied, een van de oudste liederen uit het christendom. Hoe oud het is weet niemand precies, waarschijnlijk werd het een jaar of twintig na Jezus’ dood geschreven en gezongen. De melodie van het lied is verloren gegaan, maar de woorden hebt u zojuist gehoord: Het is de eerste lezing van vandaag.
Het antwoord op de vraag van de beeldhouwer (Hoe moet ik God afbeelden?) zit meteen in de eerste regel:
“Beeld van God de onzichtbare, is hij, Jezus Christus,
eerstgeborene van heel de schepping.”
De beeldhouwer heeft dus bevestigd gekregen wat hij al wist: God is “de onzichtbare”, de ongrijpbare. Van die God, de onzichtbare, hebben we een beeld. Waar in onze vertaling beeld' staat, staat in het Grieks van het Nieuwe Testament het woord Eikoon , icoon. Jezus Christus is beeld, icoon van de onzichtbare God. Als je wilt weten hoe God eruitziet, moet je naar hem kijken, moet je kijken naar hoe hij leefde, moet je luisteren naar de verhalen die er over hem worden verteld: Hij is God op zijn menselijks’.
En hij is “Eerstgeborene van heel de schepping.” Dat moet je niet in de tijd verstaan, maar als Eerstgeborene, de eerste die vooropgaat en die anderen, die heel de schepping de weg wijst.'\ Met die tekst is de beeldhouwer aan de slag gegaan, en u kunt het resultaat van zijn werk nog steeds bekijken als u naar Chartres gaat: Daar, aan de noordelijke toegangspoort van de kathedraal staan zijn zeven beelden van de schepping. Één van die zeven beelden de schepping van de mens’ staat vandaag op de voorkant van uw boekje, en hier voor in de kerk nog wat groter. Je ziet God aan het werk, bezig de mens te scheppen. En je ziet op de plaats van God het gezicht en het lichaam van Jezus.
Dat is bij alle zeven beelden zo: Steeds is God afgebeeld in de persoon van Jezus. De beeldhouwer moet verder gelezen hebben in het lied:
“In Hem is alles geschapen
alles in de hemel en alles op aarde,
het zichtbare en het onzichtbare,
vorsten en heersers, machten en krachten,
alles is door hem en voor hem geschapen.”
Dat woord alles' valt heel vaak in het lied. En als de dichter het woord uitlegt, gebruikt hij dubbelzinnige woorden: "vorsten en heersers, machten en krachten." Je mag bij die woorden gerust aan de heersers van onze tijd denken, aan de machten van economie of politiek, aan de kracht van legers of de verleidende macht van de reclame. Al die macht, rijkdom, uiterlijkheid, het heeft niet het laatste woord, zegt dit lied, het zijn krachten die deel uitmaken van Gods schepping: Hij heeft ze in de hand, en hij heeft ze aan ons gegeven om er goed gebruik van te maken.\ \ Als ik nog eens naar het beeld kijk, wordt mijn aandacht door iets anders getrokken. Hoe heeft de beeldhouwer het scheppen uitgebeeld? Het lijkt alsof God aan het boetseren is, alsof de beeldhouwer God heeft afgebeeld als zijn collega. Maar als je naar de handen van Jezus, de handen van God kijkt, is daar iets geks mee: Zijn die handen aan het boetseren? Zijn het niet eerder liefdevol strelende handen? Of zijn het de handen van een barmhartige Samaritaan: Hij is op zijn hurken gaan zitten bij de beroofde man, hij heeft hem een beetje rechtop geholpen, laat hem steunen op zijn been en houdt heel voorzichtig zijn hoofd vast: Beeld van de onzichtbare God is Hij, Jezus de Christus , die ons ondersteunt als we berooid en geslagen zijn, die ons optilt als wij klein en bang zijn, die als een barmhartige Samaritaan voor ons zorgt.\ \ De handen van Jezus, de handen van God in het beeld van de beeldhouwer, leiden mijn ogen naar het hoofd van Adam. U weet: Adam, dat betekent "de mens", iedere mens, u en ik. Als ik kijk naar het hoofd van Adam, is het alsof ik in een spiegel naar mezelf kijk. En als ik kijk naar zijn gezicht, valt me op hoe veel het lijkt op het gezicht van Jezus: dezelfde ogen, dezelfde mond, dezelfde kin, hetzelfde golvende haar. Ik denk dat de beeldhouwer daarmee iets heeft willen zeggen: "Je weet toch wat er in dat scheppingsverhaal over ons gezegd wordt: Dat we geschapen zijn naar het beeld van God toe? We zijn het nog niet, het volmaakte beeld van God, als je naar mij kijkt zie je mij, met al mijn mooie en lelijke kanten, en ik zal niet zeggen dat ik al helemaal beeld, icoon van God’ ben. Maar ik ben er naar op weg, als een jongere broer van Jezus, toegroeiend naar de dag dat ook ik zal zijn wat hij is, icoon van Gods liefde: Zo wordt God zichtbaar in Jezus, en nu ook al een beetje zichtbaar in ons."
Ik wil u tot slot nog op één detail in het werk van de beeldhouwer wijzen. Als u kijkt achter het hoofd van Jezus, dan ziet u daar een aureool met een kruis erin. Dat op zich is niet bijzonder, zo wordt Jezus meestal afgebeeld. Maar het past zo mooi bij het lied dat we in de eerste lezing hoorden. Luister maar naar de tweede strofe:
“Oorsprong is Hij,
Eerstgeborene van de doden.
In Hem heeft heel Gods volheid willen wonen,
En door Hem en voor Hem
Heeft God alles met zich willen verzoenen,
Alles op aarde en alles in de hemel,
Door vrede te brengen
Met zijn bloed aan het kruis.”
Je hoort hoe woorden uit de eerste strofe hier terugkomen: Daar was Jezus de eerstgeborene van heel de schepping', hier de eerstgeborene van de doden’, degene die voorop gaat in de verrijzenis. En ook hier hoor je weer de aandacht voor `alles’: Alles in de hemel en alles op de aarde, het is allemaal onlosmakelijk verbonden met God door Hem, de Verrezene. En wij, Adam, de mens, wij zijn op weg daar naar toe: Een leven als verrezen mensen, een leven dat niet langer gebukt gaat onder angst, of onder verdriet, of onder een zeurend gevoel van zinloosheid. Hij, Jezus, kent die angst, dat verdriet, de zinloosheid. Hij heeft ze ervaren in zijn leven, hij heeft ze ervaren op Goede Vrijdag: Eerstgeborene is hij, ook in ons lijden. En ook: Eerstgeborene in de verzoening, eerstgeborene in de verrijzenis, de grote ontmoeting met God waarnaar wij op zeg zijn, en waarvan we hier soms al even iets mogen proeven.
En zo is het lied uit de eerste lezing van vanochtend een lied waar alles bij elkaar komt: Schepping, Goede Vrijdag, Pasen. De kern van ons geloof, het zit allemaal in dat lied.
En je kunt het allemaal terugzien in dat ene beeld aan de kathedraal van Chartres. Die beeldhouwer, die moet ervan geweten hebben.
15e zondag door het jaar C - 2007
C-cyclus · Tijd door het jaar · 15e zondag · groen