Beste lezer,
“Neen, het woord is dicht bij u, in uw mond en in uw hart. Gij kunt het dus volbrengen.” Aldus in de eerste lezing.
Dat woord, zo dichtbij, slaat op de geboden van God. En daarover horen we als bijzonderheden: zij zijn niet te moeilijk om ze te volbrengen. Ze hoeven ook niet heel ver weg gezocht te worden, ze liggen niet in de hemel en we hoeven er de zee niet voor over te steken om ze te leren kennen. En we zouden er aan toe kunnen voegen: je hoeft er niet katholiek voor te zijn, je hoeft er geen Latijn voor te kennen, je hoeft er de bijbel niet voor na te pluizen, je hebt er geen pauselijk of bisschoppelijk gezag voor nodig.
Het woord is heel dicht bij en de conclusie: je kunt het dus volbrengen.
Volbrengen: dat betekent dat je er wel iets voor moet doen. Voor de TV zitten te kijken is niet genoeg.
En in de evangelielezing horen we een wetgeleerde aan Jezus vragen wàt je er dan wel voor moet doen. Jezus laat hem zelf het antwoord geven: “God beminnen met heel je hebben en houden en je naaste als jezelf.” Jezus is het helemaal met zijn antwoord eens.
Nu hebben wij een vraag: “God beminnen met heel je hebben en houden…Is dat dan niet heel ver van ons vandaan?” En het tweede stuk: “Je naaste beminnen als jezelf.” Dat is eerder een gemakkelijke dooddoener die we zo vaak horen.
De schriftgeleerde mag dus best vragen: “Wie is mijn naaste?” En daarop antwoordt Jezus met het beroemde verhaal van de barmhartige Samaritaan dat u zojuist gehoord (of gelezen heeft!). Daar is geen speld tussen te krijgen… Zou je denken!
Veronderstel dat die Samaritaan een mobieltje bij zich had gehad en zijn vrouw had opgebeld: “Ik kom vermoedelijk later thuis. Ik zit hier met een probleem.” En dat zijn vrouw gezegd had: “Ja maar, ik moet om zeven uur per se de auto hebben om de kinderen naar de volleybaltraining te brengen.”
En dat hij zijn zakenpartner had opgebeld met de mededeling: “Ik kan niet op tijd in de vergadering zijn want ik zit hier met een probleem.” En een kwaad antwoord van hem krijgt.
Niet lang geleden heb ik het verhaal gehoord van een vrouw die na haar werk op weg was naar huis. Vlak voor haar raakte iemand van de weg. Ze stopte en zag dat het er heel slecht uitzag en dat ze zelf niet kon helpen. Ze belde 1-1-2 en wachtte tot politie en ambulance er waren. Zo handelde zij als de barmhartige Samaritaan. Toen ze het later tegen kennissen vertelde kreeg ze te horen dat ze gek was en dat ze zich nooit met dat soort dingen moest inlaten. Wij hebben al zoveel verplichtingen, wij moeten al aan zoveel dingen denken. Moeten we dan ook nog barmhartige Samaritaan zijn?
Past dat mooie verhaal van Jezus nog wel in onze tijd? Of moeten we maar toegeven dat barmhartigheid of mededogen niet meer vanzelfsprekend bij onze cultuur of ons gedrag horen?
Zullen we dan maar verstandig zijn en ons gedragen zoals de priester en de leviet? Of ons onverschillig uit de voeten maken?
Het verhaal van Jezus blijft alleen ijzersterk overeind als we onszelf terugkennen en verplaatsen in de positie van het slachtoffer dat hulp nodig heeft en niet in de rol van Barmhartige Samaritaan.
Dan komen we uit bij de woorden: “Wat gij wilt dat u geschiedt, doe dat ook de ander.”
Die woorden zijn zo’n 4000 jaar oud, ontstaan toen mensen begonnen te ontdekken dat ze niet alleen wolven voor elkaar waren maar ook naasten van elkaar.
Dat het zo moge blijven.