Jezus aanvaardt “vastberaden de reis naar Jeruzalem”. Vastberaden betekent goed overwogen en beslist. Jezus van Nazaret weet wat Hij wil. De “dagen van zijn verheffing” naderen “hun vervulling”. Hij heeft zijn lot in Gods handen gelegd. Gebed is voor Hem geen ijdel woord. Hij spreekt met God dag en nacht. Hij leeft met Hem en weet ook wat God wil. Hij kent zijn wil over Hemzelf en over allen. Hij zal overwinnen over het kwaad en over de dood die van het kwaad het gevolg is. Als Hij zal verheven zijn op het kruis, zal Hij “allen tot Zich trekken”. Hij zal allen zo leren sterven dat zij hun leven zullen terugwinnen. Hij zal hen zo hun leven leren verliezen dat zij het om zijnentwil zullen redden. De inzet van Jezus’ leven is groot. beslissend voor iedereen. Als de dagen van zijn laatste strijd naderen, trekt Hij “vastberaden naar Jeruzalem” op. Daar zal alles gebeuren. Daar zal het lot van alle mensen beslecht worden.
Jezus’ vastberadenheid is al aangevochten. Aan het begin van zijn prediking heeft Hij de duivel weerstand geboden. Er is geen wikken en wegen in zijn leven. “De mens wikt maar God beschikt” is Hem vreemd. Hij komt altijd vastberaden over. Geen kwaad in Hem schijnt Hem te weerhouden en geen kwaad op zijn weg houdt Hem tegen. God leeft in Hem en het is God die Hem leidt. Hij weet dat de engelen de uitvoerders zijn van de lotsbestemming die God voor de mens bepaalt. Bij het begin van zijn optreden dienen zij Hem na zijn vasten in de woestijn. Als de doodsangst Hem zal aangrijpen zal een engel Hem sterken in de Hof van Olijven. Een legioen engelen kan zijn Vader Hem zenden. Maar Jezus heeft Zich met zijn lot vereenzelvigd. Het is God die zijn lot geworpen heeft en met Gods wil vereenzelvigt Hij Zich. “De liefde zoekt zichzelve niet”. “Niet mijn wil maar de uwe geschiede”. De weg naar Jeruzalem is geen zelfrealisatie.
De Donderzonen Jakobus en Johannes verstaan dat niet. Voor hen gaat Jezus naar Jeruzalem om er de macht te grijpen en koning te worden. Zij schijnen vastberaden als hun Meester. Toch zullen ook zij Hem laten vallen. Op het cruciaal moment. C’est le cas de le dire. Ze willen de Samaritanen dadelijk neerslaan. “Vuur uit de hemel” moet hen “verdelgen”. Dat lag in de lijn van de opvattingen van die tijd. Als de Messias kwam zou een grote strijd losbreken. Een leger engelen uit de hemel zou de goeden helpen en de kwaden, de onzuiveren verslaan. Daarna zou de Messias heersen. Gods Rijk zou dan voorgoed aanbreken. Maar Jezus is niet de Messias die wij wensen. Wij verstaan Hem niet vanzelf. Wij willen zelf ons lot in handen nemen. God en zijn engelen mogen ons daarbij helpen. Omgekeerd, weten dat ons lot in Gods hand is, dat het zo, alleen zo, goed bestemd is, daarom met Hem omgaan dag en nacht, in het diepe en vredesvolle besef van zijn leiding, en vastberaden de weg gaan die Hij ons wijst, daartegenover staan wij vreemd en zelfs vijandig. Met geweld banen wij onze weg door het leven, angstig om ons deel niet te verliezen, triestig omdat wij niet al bereiken wat we wensen, verveeld omdat geen verovering bevredigt, vermoeid omdat de strijd nooit ophoudt, ontgoocheld omdat het paradijs telkens verder ligt, de vreugde missend van de vastberaden Jezus.
De ogenblikken waarop wij Gods roep horen, of die van Jezus of van de profeet Elia, die momenten waarop het absolute absoluut is, waarop we alles vrij kunnen achterlaten, omdat we weten dat God voor álles en állen zorgt, ook voor wat en wie ons het meest heilig is, bezit en familie voor wie we zélf willen zorgen, zonder op de Vader van alles en allen te vertrouwen, krijgen we steeds moeilijker in zicht. We nemen heel het leven zelf in handen en zijn het al kwijt lang voor we het beseffen. We willen het redden en verliezen het. We houden het in eigen handen en leggen het niet in die van God. We vergeten, verdoven en verstikken wat we weten: “Wat God bewaart is wel bewaard”. We willen éérst nog afscheid nemen, éérst wat bezit veilig weten, éérst nog onze vader begraven. Zo is het leven voorbij eer we Jezus gaan volgen, de mantel van de profeet opvangen en omslaan.