Zowel de eerste lezing als het evangelie van vandaag laten nogal radicale taal horen. Bij zo’n straffe taal moeten wij – de softie-christenen – even slikken. Wat is hier aan de hand? Misschien moeten we eerst en vooral voor ogen houden dat deze tekst in een bepaalde tijd geschreven is en dat men dan andere kijk had op de toekomst dan wij nu. De mensen in de eerste eeuw van onze tijdrekening waren er van overtuigd – volgens bepaalde exegeten ook Jezus – dat het einde der tijden nabij is. Bovendien voelt Jezus waarschijnlijk ook de tegenstand tegen zijn Boodschap en bijgevolg voor zijn persoon groeien. Twee gegevens die ons zeggen dat er haast mee gemoeid was om nog bij zoveel mogelijk mensen de Blijde Boodschap te verkondigen. Als de nood hoog is, dan moet je uiteraard niet met flauwe excuses afkomen, neen, dan moet je proberen zoveel mogelijk mensen te redden door hen de Blijde Boodschap te verkondigen. Vanuit die angst voor het zeer nabije einde kunnen we misschien het radicale van Jezus plaatsen maar ook het voorstel dat zijn leerlingen doen om diegenen waar ze niet welkom zijn even weg te donderen. Jezus wijst hen terecht – en terecht – want iemand die een Blijde Boodschap komt verkondigen die komt niet om te vernietigen maar om te redden, maar blijkbaar is het menselijk dat een leerling van Jezus dat wel eens vergeet.
Vandaag zijn we helemaal niet overtuigd dat het einde van de wereld nabij is, op enkele uitzonderingen na, zoals de getuigen van Jehova. En dus kunnen we ons afvragen of Jezus vandaag ook zo’n radicale taal zou spreken als toen. We zullen het antwoord nooit weten. Het lijkt me wel wat te verregaand om de radicaliteit die Jezus hier vraagt van zijn leerlingen en volgelingen helemaal onder het tapijt te vegen. Want als de Kerk alleen maar zou bestaan uit mensen die wel gelovig zijn, maar voor wie geloof altijd maar op de tiende plaats komt, dan staat de Kerk er echt slecht voor. Gelovig in het leven staan is anders dan niet-gelovig in het leven staan, het vraagt een bepaalde levensstijl, een bepaald engagement. Ik denk niet dat het heilzaam is om dit engagement uit te spelen tegen andere engagementen zoals in het evangelie gebeurt omdat ik er van overtuigd ben dat veel van die engagementen elkaar niet in de weg staan. Je kan volgens mij perfect een gezinsmens zijn én gelovig, een kind dat zorg draagt voor zijn ouders kan ook gelovig zijn, enz. …
Gelovig zijn is voor mij niet iets dat naast de andere engagementen staat, het is iets, beter nog Iemand die al mijn andere engagementen verdiept en verstevigt.
Dit gezegd zijnde komen we bij de actualisatie van dit evangelie. Als Jezus of ons geloof ons vraagt iets te doen, kunnen wij daar dan onmiddellijk op ingaan of steken we ons meestal weg achter tijdsgebrek, onze familie, vrienden, het werk, … ? Kunnen wij mensen die hongeren naar een medemens even zeggen dat ze moeten wachten omdat we nu effe geen tijd hebben? Als je je als gelovige engageert in een samenleving, in een gemeenschap dan hoor je daar ook paraat voor te staan. Als ik naar de 112 bel, dan verwacht ik dat er hulp komt, onmiddellijk. Die brandweer of ambulance moet ook niet nog even vlug naar huis rijden om te zeggen dat ze een opdracht hebben. Als we daar geen excuses aanvaarden, dan zijn we ofwel ook radicaal ofwel moeten we aanvaarden dat dit radicale mag gevraagd worden van mensen die zich engageren.
Mogen we dus besluiten dat Jezus met recht en rede een engagement vraagt van diegene die zich willen inzetten voor het Rijk Gods? Jezus vraagt dat niet aan al zijn volgelingen, enkel aan diegenen die Hij persoonlijk roept om Hem na te volgen. Als christen mogen we ons natuurlijk allemaal geroepen voelen, maar diegene die “een religieuze roeping” hebben en er gans hun leven willen aan wijden, dat zijn diegene van wie Jezus verwacht dat ze de hand aan de ploeg slaan. Het gaat dus om priesters, zusters, broeders, lekenbroeders, pastorale werkers, godsdienstleerkrachten, …. Ik denk dat Jezus en met Hem de geloofsgemeenschap daar één en ander mag van verwachten. Of het celibaat daar dan al dan niet bij helpt, is een andere vraag. We weten alleen dat Petrus getrouwd was en we lezen nergens dat hij gescheiden is of dat Jezus het hem kwalijk neemt dat hij getrouwd is. We moeten dus vooral opletten om radicale taal uit een bepaalde tijd niet radicaler te maken door tussen de regels te gaan lezen.
Jezus spreekt radicale taal om bij zo veel mogelijk mensen de Blijde Boodschap te kunnen brengen, hen te redden uit het zinloze van dit bestaan. Bij Hem en dus bij alle geroepenen gaat het dus niet in de eerste plaats om henzelf, maar wel om de ander. Dat is bijzonder goed nieuws, we kunnen alleen maar hopen dat er altijd weer mensen zich geroepen mogen voelen om dit te blijven doen. En … we hoeven ons zelfs niet in te houden om die Blijde Boodschap van een God die liefde is voor te leven en door te geven …