11e zondag door het jaar C

C-cyclus · Tijd door het jaar · 11e zondag · groen

VOETWASSING

(Haar vele zonden zijn haar vergeven,

want zij heeft veel liefde betoond…)

Toen Hij voor hen knielde

tijdens het avondmaal

en hen de voeten waste

op de dag van het verraad,

toen herinnerde niemand

van de leerlingen zich nog

hoe Hij zelf dit teken had geleerd

van een vrouw

die enkele dagen tevoren maar

met een kruikje en een handdoek

Zijn hoofd en haren had gezalfd

bij een avondmaal…

Zij beseften niet hoe Hij toen door haar

gezalfd en gezegend werd

met liefdeskracht die het verraad

dat toch van alle tijden is

voorgoed achter zich laat.

Zij beseften niet hoe die vrouw

Hem toen met dat gebaar

genezen had

en Zijn ziel had vrij gemaakt

voor Zijn verrijzenis…

(naar Jos Van Pelt)

Leef maar

Leef maar

naar het licht toe,

verder dan ik kan reiken.

Geen hand houdt je vast.

Al zou ik

je willen koesteren,

je huisvesten in tedere holten

van mijn bestaan.

Mijn lichaamswarmte

kan je niet behoeden.

Kou kruipt in onze kleren.

Vuur tast ons aan.

Ik zalf je

voorzichtig.

Ben kwistig met balsem.

Wil zien hoe je opstaat

en stenen opzij rolt.

Uit duizenden zal ik herkennen

de zoen van je adem,

de klank van je stem.

Leef. Ik geef

wat ik niet heb.

Elk hebben wordt eenmaal verliezen.

Liefhebben alleen

zal nog duren:

zorgvuldig jouw plaats

in mijn huis bewaren.

En zonder omzien

je tegemoet gaan.

Desnoods over water.

(najaar 1993)

Kris Gelaude, in ‘Teder asiel’

‘Gehoord op de radio, wachtend in de file, in een uitzending over het zwarte gat waarin mensen vallen na een ongeval of zware ziekte, als ze zich moeten aanpassen aan een blijvende handicap: “De grootste ervaring van mijn leven was de bewustwording van mijn kwetsbaarheid. Validen zijn de grootste gehandicapten, omdat ze niet beseffen hoe teer, breekbaar, uniek het leven is…”’ (Guido Vanhercke in ‘Autobiografie van een ziel’)

Een zalver is ook een gewonde – Marcel Weemaes

Ik kreeg voor enkele jaren een cadeautje:

een stenen wit beeldje

dat twee figuurtjes voorstelde:

een groot figuurtje

dat een kleiner figuurtje

in bescherming hield,

zijn twee handen als warme schelpen

om de zwakke schouders van zijn beschermeling.

De schenker voorkwam dat ik tot een te oppervlakkige en eenzijdige interpretatie van de in steen gehouwen close-up zou overgaan en gaf mij met het beeldje een gebruiksaanwijzing, een soort bijsluiter mee.

Ze zei: ‘Soms ben je deze’, en ze wees naar het grootste, ‘en soms ben je deze’, en ze legde haar vinger op het kleinste van de twee figuurtjes.

Ik was dus alle twee,

beschermer en beschermeling.

Ik moest dat niet ontkennen.

Het cadeautje staat nog bij mij thuis. Ik bewaar het zorgvuldig, het beeldje en de bijsluiter. Het was me geschonken nadat een meisje van twaalf jaar in het ziekenhuis overleden was. Met het verplegend team samen had ik het meisje en haar familie begeleid. Ik voelde me met het meisje mee gestorven.

Niet zo lang geleden heb ik het beeldje benut tijdens een liturgieviering in intieme kring, om minder te moeten preken en meer te kunnen zeggen.

Ik heb ondermeer het volgende gezegd:

Alles is twee. Een jager is ook het rillend konijntje, een voorganger is ook een volgeling, een arts is ook een zieke, een gelovige is ook een twijfelaar, een zalver is ook een verwonde, een expert is ook een misser, een chef is ook iemand die een leiband nodig heeft, een trooster is ook een huiler, een verpleger is ook een zorgbehoevende, een leraar is ook een leerling, een piloot is ook een stuurloze, een dirigent van een symfonisch orkest is ook de kleine trommelaar die slechts gedurende twee maten iets te zeggen heeft.

Een bidder is ook een vloeker.

Een vader en moeder zijn ook hun dromend of pruilend kind. Een levende is ook een stervende (zegt Goede Vrijdag), en een stervende is een levende voorgoed (zegt Pasen)…

Wij geloven allemaal dat deze tweevoudigheid in ons zit, ons ingeboren is en onaflegbaar onze persoonlijkheid kenmerkt.

En ofschoon we voor stereoketens kiezen om de muziek helemaal te horen, gaan we in werkelijkheid vaak de mono-toer op en zweren we mono-toon bij de helft van wie we in werkelijkheid zijn.

We identificeren onszelf – maar weten dat nauwelijks – met het ‘grootste figuurtje’. Wij zijn de dragers, de wijzen uit het oosten met geschenken, wij zijn de troosters en zalvers en voelen ons goed, terwijl we onze handen beschermend laten rusten op de schouders van de kleine figuurtjes naast ons.

Mijn vraag is: beschermen we wel echt? Of duwen we onszelf een beetje af, omhoog en nog wat hoger op de rug van onze beschermelingen?

Verhogen we soms niet de onmacht van anderen door onszelf bijna nooit te herinneren dat ‘het kleine figuurtje’ onze eigen tweede helft is?

Zou ik als vader niet sterker en completer uitvallen indien ik het kind in mij eens hoorde schreien?

Zou niet een zieke aan zijn arts wat genezing kunnen bieden, indien de arts afstapte van de idee dat zijn eigen verwondingen onder een afsluitend verband moeten blijven?

Zou een priester of religieus niet bevrijdender spreken en getuigen indien zij hun eigen onmacht en nood aan bevrijding niet zo angstvallig verdoken hielden?

Zouden wij als Kerk niet geloofwaardiger worden, als we ons een heel stuk kwetsbaarder zouden durven opstellen?

Als ik het kleiner figuurtje in mij wat minder het zwijgen oplegde, zou ik dan niet harmonieuzer bij mezelf thuis zijn en veelstemmiger, completer leven met en voor anderen?

Ik wil op zoek blijven naar een antwoord op mijn eigen vragen, en zou mij erin verheugen indien u/U mee zocht.

Ik heb het voordeel van het witte stenen beeldje dat ik dagelijks voor ogen zie.

Aan wie het eens graag wil lenen, geef ik het gewillig mee: mijn groot en klein figuurtje.

(uit ‘Niet van brood alleen – leefboek’, p. 75-77)

‘Jezus bevond zich te Betanië in het huis van Simon de melaatse…(Marcus 14,3)

Betanië – dat betekent letterlijk: ‘Het huis van de arme’. Daar eindigt in het evangelie van Marcus het levensverhaal van Jezus van Nazareth. Daar lijkt het allemaal dood te lopen. Van daaruit wordt het lijdensverhaal ingezet, het verhaal van de ‘passie zonder com-passie’…

Betanië ligt vlakbij Jeruzalem. Nog geen uur te gaan te voet – ongeveer drie kilometer. En toch liggen die twee plaatsen in het aanvoelen van mensen mijlenver uit elkaar. Het ‘Huis van de arme’ ligt terzijde, aan de rand en in de schaduw. De ‘Stad-van-de-vrede’, de ‘Sjaloomstad’ ligt in het centrum en trekt het volle licht naar zich toe.

Jeruzalem ten tijde van Jezus heeft verraad gepleegd aan zijn bestemming. De gedroomde sjaloomstad zit in de greep van twee machtsblokken: het politiek-economisch establishment enerzijds, en de verstarring van tempel en religie anderzijds. Het zijn twee handen op één dikke buik.

Betanië ligt vlakbij Jeruzalem: de krottenwijk naast de wolkenkrabbers, de slums in de marge van de beursgebouwen, de kathedralen en de uitgangsbuurt. Zoals in zo menige wereldstad op vandaag.

Het ‘Huis van de arme’ ligt altijd in de slagschaduw van de macht.

In Betanië woont Simon de melaatse. Een uitgestotene. Een verliezer. Een onreine, een loser. Bij Simon in Betanië vinden vele lotgenoten elkaar terug, want soort zoekt soort. In het ‘Huis van de arme’ vinden de daklozen een woning en de melaatsen een thuis. Buitenstaanders, aan-de-rand-geduwden en uitgeslotenen ontmoeten elkaar niet in het centrum van de stad der mensen, want daar is geen plaats voor hen. Zij vinden zichzelf terug en herkennen elkaar in Betanië, in het ‘Huis van de arme’. Zij zoeken er samen wanhopig naar iets van vrede…

In Betanië wonen de mensen waar Jezus mee bevriend is. In het huis van Simon de melaatse is Hij kind aan huis. Zelf was Hij immers ook een verliezer geworden.

Wie zich heden ten dage christen wil noemen, wie volgeling van Jezus wil zijn, mag nooit van Betanië weg lopen op die plaats terzijde laten liggen. Hij of zij moet geduldig en nederig van hart bij Simon de melaatse aan huis leren te komen, en er genieten van de gastvrijheid en de vriendschap die de meeste armen zo kenmerkt.

Wie de Blijde Boodschap wil verkondigen op vandaag, zal aandacht moeten hebben voor naamlozen, thuislozen, vluchtelingen en asielzoekers, heroïnehoertjes, armoezaaiers en randbewoners van de stad Jeruzalem…

Het was twee dagen voor het Paasfeest…(Marcus 14,1)

Dat wil zeggen: Goede Vrijdag was vlakbij, was eigenlijk reeds aangebroken. Het uur van de dood zou gaan slaan voor de ‘Vriend der armen’. De hogepriesters en schriftgeleerden zochten wanhopig hoe ze Jezus zouden kunnen ter dood brengen. De groten van deze wereld, de opgeblazen angsthazen spannen reeds hun web en zoeken in zijn entourage naar één die verrader van dienst wil zijn. Zij verharden zichzelf ondertussen tot stenen muren waarop kwetsbare mensen zich te pletter lopen. We kennen dat. We herkennen dat.

En dan gebeurt er iets. Er komt een vrouw binnen in het ‘Huis van de arme’, bij Simon in Betanië, en zij draagt onder haar bovenkleed een albasten kruikje vol heel dure balsem. Temidden van al die mannen die daar aan tafel zitten, is zij de enige die beseft dat de dood voor Hem vlakbij moet zijn. Zij is de enige die dit heeft gehoord en gezien. Zij is de enige die in het zicht van de passie overloopt van com-passie. De enige die probeert er iets aan te doen. De enige die probeert Hem nabij te zijn in Zijn eenzaamheid, zijn doodsangst en verlatenheid.

Zij breekt doorheen de muren van onderscheid en goed fatsoen. Zij loopt al binnenkomende in dat huis de vooroordelen en de scheidingslijnen tussen mensen onder de voet.

Omdat zij gelooft:

‘Er is achter de muren

een tuin van sjaloom

ogen voor blinden

vrijheid voor geboeiden

brood voor wie honger heeft

vrede en liefde voor iedereen…’

Zij zingt binnensmonds, in haar hart en in haar hart een liedje, die vranke vrouw. Het is een refreintje uit het Lied der liederen, het Hooglied :

‘O mijn lief,

draag mij als een zegel op je hart,

als een zegel op je arm,

want sterk als de dood is de liefde…’

Zij bleef geknield, richtte zich wat op en langzaam zochten haar handen naar het flesje dat ze in haar kleed verborgen had. De Heer keek haar aan. Zij brak het albasten vaasje met de nardusbalsem voor de ogen van al die pottenkijkers stuk. De felle geur sprong naar buiten en allen keken ademloos toe hoe zij Zijn voeten zalfde, zonder woorden, maar teder in gebaren.

En Jezus zag haar doende, en gaf geen tegenspraak. De balsem was haar niet te duur en haar streling deed Hem deugd. Dit was Gods welbehagen.

Voor haar, voor Jezus en misschien voor de rest van het gezelschap, was het heel duidelijk wat zij wou zeggen, hoewel zij het niet onder woorden bracht: het was haar belijdenis van trouw tot in de dood.

Deze vrouw had met haar groot verlangen iets gedaan. En haar verlangen heeft iets met haar gedaan. Door haar tranen kwam ze dicht bij de kern van zichzelf en werd ze zachtjesaan genezen.

Dan nam ze een engagement op; mensen bijstaan in hun passie met compassie. Ze ontdekte haar eigen liefdesbekwaamheid in dat gebaar van gedurfde tederheid. En toen werd alles anders en nieuw.

En nooit meer moest haar groot verlangen weg worden gestopt, want de trouw werd het kenmerk van haar bestaan.

Zij wist dat zij intens gebeden had, maar zonder woorden. Ze was er blij mee, en lachte door haar tranen heen.

En met handen vol tederheid liet ze Hem weten:

‘Vriendje mijn vriendje

ik wil je bewaren

want straks ga je dood.

Ik zal je tranen sparen

in een kruikje vol liefde.

Dat moet genoeg zijn

om je te weren

tegen de muur van de dood…’

En ze wist eens en voorgoed : het mooiste in een mens is het verlangen…

Als je zoveel onbegrip trotseert, als je zoveel op het spel durft te zetten, dan kan het alleen de liefde zijn die je drijft, gedragen door een groot verlangen.

In Betanië, in het ‘Huis van de arme’, wordt door deze vrouw aanschouwelijk onderwijs gegeven voor de ogen van ons allen. Dààrom is het God allemaal begonnen: dat er een nieuwe aarde en een nieuwe hemel komt, een nieuw ‘Jeruzalem’, waar geen dood meer zal zijn, geen tranen meer en geen oeverloos verdriet, geen muren meer van dodelijk onderscheid – want al het oude is voorbij…

Van deze vranke vrouw uit het evangelie leren wij dat liefde, gedragen door een groot verlangen, de sleutel is. Zonder berekening het beste geven van jezelf. Je niet laten storen door ‘wat zullen ze van me denken’, ‘wat haalt het allemaal uit’, of ‘loop ik niet het risico dat ik mij hopeloos belachelijk maak..?’

Als de dood ons overrompelt en doet verstijven van de angst, wat moeten we dan?

Dàn, zegt deze vrouw, moeten we naar de liefde grijpen. Dan moeten we ons verstand en onze berekening aan de kant schuiven. Dan grijpen we best overmatig en overmoedig naar het albasten flesje vol tederheid, om elkaars kwetsuren te helen en onszelf en de ander van de dood te genezen.

‘Komt geweld de liefde bedreigen, haal de balsem.

Zalf je liefste, en bezweer de angst.

Verder dan de muren van de dood reikt het verlangen.

Geur van balsem, streel ons zacht.

Liefste liefde, blijf genezen

al wie op elkaar zijn aangewezen.

Maak ons sterker dan de nacht…’

Wat die vrouw hier doet, in dit merkwaardige verhaal, is in de ogen van de ooggetuigen pure verkwisting en luxe. Zij zaten er dan ook bij…en keken er naar. Het is écht van het goede véél te veel. Het is onverantwoord, het gebeurt zonder nadenken en helemaal impulsief.

Maar het ontroert de man van Nazareth. Dit zo vrouwelijke, zo kinderlijk- naïeve gebaar, dit zo lijfelijk, zo zinnelijk nabij willen zijn van wie ten dode benauwd is , door iemand die door compassie wordt bewogen.

En Jezus geneest er van. Hij ervaart dit gebaar als een genezende tegenkracht tegen de dood. Hij duidt het als een voorspel op Zijn verrijzenis,, een prelude op pasen. Het ‘Huis van de arme’ wordt op dat moment eventjes het ‘Huis van vrede’ in de grootstad; de bunker waar vluchtelingen zijn opgesloten wordt één moment een huis waar ruimte is voor zeer velen…

In Betanië heeft het verder heel die Goede Week gegeurd naar pasen – er hing een vleugje van het paradijs daarbinnen, een aroma uit de tuin met het lege graf. Dank zij die lieve vrouw die Jezus heeft gezalfd.

En Jezus zelf heeft er de hele verdere week naar geroken, naar de verkwisting van die gedurfde tederheid. De geur van haar compassie droeg Hij een week lang in Zijn kleren. Hij rook er nog naar bij het Laatste Avondmaal, in de Hof van Olijven, voor de Hoge Raad van het sanhedrin, voor Pilatus en op Golgotha. Tot in het graf droeg Hij die geur van tederheid en van verkwisting met zich mee. Dank zij die vrouw met haar albasten kruikje…

De mompelaars die daar verder een hoop kritiek bij gaven, en deze vrouw onmiddellijk verwijten begonnen te maken,- zij begrepen er niets van. Wat zouden zij er van begrepen hebben, dat een mens een ander mens gewoon liefheeft? Dat je, vanuit een groot verlangen, desnoods de hele stad en de hele wereld zou willen afzoeken om je geliefde te vinden en te zalven tegen de dood? Had je je tijd, je geld, je talent, je aandacht en energie…écht niet beter kunnen besteden, mevrouwtje?

Tja – misschien wel!

Maar..;eigenlijk begrijp je er niets van, als je zo redeneert. Jezus komt tegen die redelijkheid in opstand, tegen zulk geredeneer, zulk gemompel en geroddel. ‘Het is goed, wat ze gedaan heeft’, zegt Hij. Dít is pas evangelie – goed nieuws voor de armen in Betanië, die dag na dag leven met de dood voor ogen…

Die vrouw met haar overdaad en haar verkwistende tederheid hààlt het in dit evangelievehaal. Zij heeft het laatste woord. Zij krijgt van de Gezalfde man van Nazareth alle gelijk van heel de wereld. ‘Voorwaar Ik zeg u: waar ook ter wereld de Blijde Boodschap verkondigd zal worden, zal tevens ter herinnering aan haar verhaald worden wat zij gedaan heeft…’ (Marcus 14, 9).

Wij moeten die twee dimensies van het evangelie niet tegen elkaar uitspelen. De arme steunen met onze materiële bijstand én hem liefhebben en omringen met onze tederheid: die twee sluiten elkaar niet uit, maar in. Het ‘evangelie van de arme’ en ‘de blijde boodschap van de charme’ – dat zijn de twee handen van het grote Lichaam dat de Kerk is. En de Kerk, die heeft geen andere handen dan de onze…

Maar in het zoeken naar het wankele evenwicht tussen die twee, mogen we uiteindelijk altijd het laatste woord aan de liefde geven. Want alleen de liefde is sterker dan de dood.

Dus:

‘Laat ons maar van liefde zingen

laat ons maar de dood weerstaan

laat ons maar elkaar omringen

met de moed om door te gaan’

(Herman Verbeek)

De wereld is zo arm aan liefde-zonder-woorden!

Nog altijd heeft God er Zijn welbehagen in als mensen elkander zalven, soms met woorden, soms alleen maar met gebaren.

Soms denken wij dat zalven overbodig is, omdat er zoveel pijnstillers zijn en tranquilizers bij de vleet.

Maar…hebt gij ooit uw valies gemaakt om naar de kliniek te gaan voor een riskante ingreep? Het afscheid was een afscheid zonder woorden, misschien een kus, een arm om uw schouder of een kruisje en een traan…Gebaren, zoveel sterker dan een tranquilizer.

Dat heeft Jezus ook gevoeld enkele uren voor Zijn grote lijden.

Sindsdien wil Hij dat elke christen teder is in zijn gebaren…

Een vrouwelijk geloven.

Een vrouw, zo vertelt Marcus 14, 1-9, kwam naar Jezus toe met een albasten vaasje zeer dure balsem, en ze goot het uit over Jezus’ hoofd. Toen de leerlingen dit zagen waren ze verontwaardigd en ze zeiden: ‘Waar is dat nu voor nodig?’. Judas vindt het zelfs zo gortig dat hij onmiddellijk vertrekt en Jezus verkoopt voor dertig zilverlingen. In de grond hebben de leerlingen gelijk, zozeer gelijk dat niemand hen met logische argumenten kan tegenspreken. Ze hebben het grootste gelijk van de wereld. Wat niet nuttig is, is overbodig. Zo redeneren ‘mannen’. Ze hebben het trouwens van die vrouw met haar kruikje ook niet begrepen. Mannen geloven nu eenmaal anders dan vrouwen – en soms geloven ze zelfs helemaal niet…

Gedurfde tederheid…

En als de dood komt, wat dan? Dan zegt die vrouw met het albasten kruikje: dan delen we de dood. Dan wordt de stank van het graf overheerst door de geur van de liefde. Balsem tegen doodsangst.

Zullen we elkaar maar zalven? Als koninginnen en koningen, als kinderen van de liefde : gezalfd worden om het sterven aan te kunnen…

Het lijdensverhaal bij Marcus begint met een vrouw en eindigt met vrouwen. Aanvang en slot geuren bij hem naar odeur!

Zou lijden dan toch verzacht kunnen worden door liefde, door goedheid, door zo maar verkwistende en niet-berekende zachtheid?

Als Jezus nog steeds lijdt in de ledematen van Zijn lichaam, zou er dan misschien nóg behoefte zijn aan mensen die met balsem rondgaan, aan mensen met een vaasje vol goedheid en een kruikje vol barmhartigheid?

In het lijdensdrama van de wereld zijn genoeg hoofdrolspelers. Maar er is grote vraag naar randfiguren, anoniem en zonder pretenties. Overal waar het écht om het evangelie gaat, zijn zij de echte actoren, diegene die er voor zorgen dat het verhaal van passie en compassie verder gaat…

Als het kan, probeer misschien eens te solliciteren, deze week. Er is nog plaats voor jou op het schouwtoneel dat de wereld is…

Hoofd

Het kan

spoken in

je hoofd,

gedachten

die niet

te stoppen

zijn.

Het kan

spoken in

je dromen,

zoveel woede

en verdriet,

die maar

aanhouden.

Je kunt

zo verlangen

naar handen

om je hoofd,

handen die

je troosten,

handen die

zacht zijn

en genezen,

handen die

je helpen

om hoofd

en hart

weer

in rust, harmonie

en vrede

te brengen.

Je kunt zo

verlangen naar

handen die je

open wonden

behoeden

(Marinus van den Berg)

Ah, dat onstelpbare verlangen naar genegenheid. Nijg naar me, kijk, kom dichterbij, voel me, omarm me. Het zijn de handen die ons vorm gaven, die we missen. Het zijn de ogen die ons schiepen uit niets, die we willen zien, want enkel in die ogen zijn we goddelijk, goed en mooi. De mooiste blik schiep ons. De zachtste handen hadden ons lief. Die aanraking heeft ons mens gemaakt. Naar die aanraking hunkeren wij steeds weer…

Zoals het liedje van Oosterhuis zo mooi zingt:

‘Wek mijn zachtheid weer,

geef mij terug de ogen van een kind.

Dat ik zie wat is.

En mij toevertrouw.

En het licht niet haat…’

Gezalfd worden is mogen ervaren aan je lijf en aan je ziel dat je bemind wordt. Uitstijgen boven de eigen angst. Door sterke armen opgetild worden in een ruimte van vrede en vrijheid. Wat een verlossing, wat een nieuwe geboorte, als je mag voelen dat een ander wil afdalen tot in je diepste eenzaamheid. Wat een genezing, als je ondervindt dat je gezocht wordt door de Liefde. Dat iemand in mij geïnteresseerd is; dat ik gewaardeerd word zoals ik ben – het is niet te geloven dat zoiets mij mag overkomen…

O lieve Zaligmaker en Heelmeester Jezus van Nazareth, ik zou je willen bidden voor ieder mens die wacht – misschien al jaren lang – op een ander mens die hem zalven en genezen kan. Dat ieder van hen aan de lijve mag ondervinden: ik wordt aangeraakt en vrij gemaakt door zachte handen, en ingelijfd in een warme kring van tederheid…dan kom ik thuis, en mag ik zijn voorgoed: verzoend met het diepste van mijzelf, daar waar mijn angsten en kwetsuren wonen…

Dit is een verhaal met een reukje aan…De God van de Bijbel, de God van Jezus van Nazareth komt in een mensenleven binnen als een handoplegging, als een streling voor het oog, als een zachte bries. Zalving is: die streling, die zachte liefkozing, dat minnespel en zinnenspel…

Een mens moet gezalfd worden om het sterven aan te kunnen. Ook het dagdagelijkse sterven van ondank en gemis.(zou alleen al vanuit dit evangelieverhaal geen schitterende theologie van het sacrament van de ziekenzalving te ontwikkelen zijn..? En de chrismamis op Witte donderdag – zou dit geen prachtige lezing zijn die daar volkomen in past? Maar welke bisschop durft het aan; welke Vaticaanse commissie die het liturgisch leesrooster opstelt durft er zelfs maar aan te denken..?)

Steeds weer breken

Steeds weer breken

mijn zinnen, mijn woorden als glas.

Ik wist niet dat spreken,

ik wist niet dat leven

zo kwetsbaar was.

Hein Stufkens

Je hoeft niets te zeggen

Je hoeft niet

in woorden

te praten

met mij

je hoeft niets

in woorden

te zeggen

je hoeft alleen maar

en dat is genoeg

je arm om mijn schouders

te leggen

(Ida Vos)

‘en bang zijn van

te lief zijn voor elkaar

te breekbaar worden maar

de luchtsprong wagen

nooit kwam ik

zachter op jouw

grond terecht…’

(hanna kirsten)

‘Ik streel de lijnen van je lief gezicht

totdat het onuitwisbaar in mijn vingertoppen ligt

en ik het in den blinde

wanneer je weg zult zijn

terug kan vinden…’

Om het licht van jouw gelaat

Om het licht

van jouw gelaat

wil ik bidden.

Dat je geboren wordt

in mij.

Dat je opstaat,

Jezus,

in mij

oog en oor

van jou,

jouw handen

en voeten,

jouw manier

van leven dus,

mijzelf verlatend

om de ander

nabij te zijn

en om de aarde

die mij lief is

te helpen dragen.

En als ik je woord

mag geloven,

zal ik nog groter

wonderen doen

dan jij.

Om het licht

van jouw gelaat

wil ik bidden.

Voor mensen

in het donker,

verstrooid

over de hele wereld;

voor kinderen,

vroeg groot gemaakt

in oorlog en haat,

en voor volwassenen,

nog altijd

klein gehouden

in het harde spel

om de macht.

Dat ze jouw gezicht

mogen zien

in mensen

die niet meer praten

over privé en bezit,

maar die komen

als jij,

om te delen

en te helen.

Om het licht

van jouw gelaat

wil ik bidden.

Voor allen

die eenzaam zijn,

die verkleumd,

verschrompeld

wachten,

of er ooit nog eens

iemand

hen zal aanraken

van allen die voorbijgaan.

Ik bid jou

voor iedere mens

die wacht

op een ander,

op jou

misschien wel

in mij.

(Kompasliturgie)

Kom in mij. Win. Ontwapen mij.

Zie mij. Doe mij aan.

Weersta mij. Wacht mij. Delf in mij.

Ontdooi mijn naam.

Ontraadsel mijn bestaan.

Kom in mij. Maak geluid in mij.

Dood is diep in mij.

Versteend mijn stem. Ontsta in mij.

Doe pijn. Doorgloei

mij. Leef mij. Licht in mij.

Kom uit mij. Scheur mij. Kind van mij.

Mens, in mij ontwaakt.

Ontvang mij, overschaduw mij.

En ga met mij

waar niemand met mij gaat.

(Huub Oosterhuis)

Gebed

Jij Gezalfde, Christos,

broer van mensen,

wees in ons midden,

hier bij de melaatsen

aan de tafel van Simon,

aan de tafel van de kleinen

die gisteren ‘hosanna’ riepen,

als was Jij een geweldenaar

meer dan in de liefde.

Geen wapens heb Jij

anders dan de ontroering,

anders dan je ogen, zo aandachtig,

anders dan je armen, wijd uitgestrekt,

anders dan je woorden:

‘Reken, Abba, hun de moord niet aan;

ze weten niet wat ze doen’.

Als water met een zwaard geslagen

ben Jij, weerloos, en zie: Je leeft.

Althans zij zag het,

die vrouw met balsem

die Jou bewaarde

door je sterven heen.

En Jij zag het,

die laatste avond

met het matzebrood

van doortocht door macht en dood;

Je pakte het, kreeg de geest,

en riep verrast:

Ik ben dat brood, die wijn,

gebroken en verdeeld.

Je riep:

Wees zelf dat brood, die beker,

en deel je uit en geef je prijs,

dat kinderen overleven

moord en dood,

verkrachting en alle haat,

opdat ze mogen leven.

Balsem ons met jouw geest,

deel met ons jouw sjaloom

(Fred Keesen)

Woorden verdwijnen… (H. Oosterhuis)

Met dat refrein: alles is eindig – maar de liefde blijft…

Hij is gebalsemd

nog eer Hij de stervensprijs betaalde.

Gebalsemd door ontroering

in het hart van een vrouw

door tranen van hars

tedere olie

van standvastige bomen.

Mijn geliefde is gebalsemd,

de gezalfde van de goede geest.

De kosmos geurt naar lente,

naar liefde

sterk als de dood…

De zachte krachten zullen zeker winnen in ’t eind - dit hoor ik als een innig fluistren in mij: zoo ’t zweeg zou alle licht verduistren alle warmte zou verstarren van binnen.

De machten die de liefde nog omkluistren zal zij, allengs voortschrijdend, overwinnen, dan kan de grote zaligheid beginnen die w’als onze harten aandachtig luistren

in alle tederheden ruisen horen als in kleine schelpen de grote zee. Liefde is de zin van ’t leven der planeten

en mense’ en diere’. Er is niets wat kan storen ’t stijgen tot haar. Dit is het zeekre weten: naar volmaakte Liefde stijgt alles mee.

Henriëtte Roland Holst

Er is zoveel leven dat vruchteloos wegvloeit uit mensen. Zoveel schreien om alles wat verloren gaat en nergens ter sprake kan komen…En op de duur wordt je hart een diepe, doffe kuil waarin een meer van tranen te slapen ligt. Kleine, stille parels van gestold verdriet, die glinsteren in een echo-put van groot gemis. En precies daarom is het van levensbelang dat er toch ergens iemand is die heel zorgzaam en attent dat kleine vijvertje van tranen in een mens niet negeert – en tenminste wéét dat het er is, en het misschien in het geheugen van zijn hart in kaart brengt, het daar ‘in-prent’ als het ware, het opslaat om het snel terug te kunnen vinden als de tijd van ontmoeting met de Messias is gekomen…

En dus moet een mens er maar op vertrouwen, tegen alles in, dat ieder ogenblik de wereld nieuw kan worden; dat er elk moment Iemand kan komen die een arm om je schouder slaat en met Zijn zakdoek alle tranen wegveegt, al het diep en sluimerend verdriet van een heel leven lang…Iemand die dat diepste gezicht van je erkent, en je aankijkt als een naaste, een broer, een zusje, een geliefde medemens. Iemand die uit de hemel neerdaalt als een engel van God en alle leven in je weer wakker maakt. Dan springt je hart van vreugde op, van zaligheid omwille van dat eindelijk weer wakker worden. Want:

‘Opstaan is een lang karwei

is voor de dood

is in de pijn

een woord waarin een zoen…’

(Herman Verbeek)

Wat een verrijzenisgebeuren: in de stroom van zovele mensen ineens een gezicht herkennen, en vingers voelen, zacht en lief. Voelen en weten voorgoed: ik ben gezocht en aangeraakt temidden van de menigte, ik word voortaan veilig gedragen in zachte handen; ingelijfd in een warme kring van liefde en mededogen, van passie en com-passie. Daar ben ik voortaan thuis, voorgoed genezen van mijn heim-wee, en mag ik zijn: verzoend met alles in mijzelf en om mij heen. Dan mag ik lachen om het wondere geschenk van nieuw geboren zijn. Het is een paastafereel waarop niets anders te zien is dan een arm om een schouder en een flesje parfum in de hand van een vrouw…

De vrouw met het vaasje uit het verhaal van Marcus laat ons nog meer zien. Voor het oog van de mensen doet ze iets onverantwoords, maar door Jezus wordt ze geprezen. Voor de omstaanders handelt ze onnadenkend en impulsief. Jezus echter peilt haar hart en stelt haar tot voorbeeld. Tegen alle weerstanden in van pijnlijke discussies, van polarisaties rond de persoon van Jezus, deed ze wat haar hart haar ingaf. Ze was door niemand gevraagd of aangemoedigd. Dit moest ze alleen doen. Ze doorbrak de hevige en listige plannen om Jezus uit de weg te ruimen. Ze vraagt niets. Ze verontschuldigt zich niet. Ze gaat recht op haar doel af en gaat aan de kant van de verliezer staan.

Ze spreekt niet. Ze verantwoordt zich niet. Anders dan het woord plaatst zij een gebaar.

Ze breekt een heel kostbaar vaasje, haar hele bezit eigenlijk. Haar appeltje voor de dorst wordt op een paar seconden verspild. Echt iets voor een vrouw, denk je dan.

Met handen geurend naar de balsem overrompelt ze Jezus met een teder gebaar van diepe genegenheid. En het risico wordt beloond…

Allicht, want ze doet het vanuit een hartverwantschap, hou en trouw. Daar komt – zoals elke wijding – zalving bij, dat is streling, testbare liefkozing, minnespel, want het gaat om de Gezalfde. Tussen God en mens is een relatie, niet van dogmatiek of leerstelligheid, maar van overgave en trouw, bijna aanhalig. God heeft een mens gezalfd, God heeft ‘de’ mens gezalfd, God heeft de mensen achter Hem aan gezalfd. Het Rijk van God is één grote zalving…

Weten van God is een weldaad, geurig als kostbare balsem. Hij komt in een mensenleven binnenals een handoplegging…

Haar kostbaarste bezit schenkt zij uit over het hoofd van dit ten dode opgeschreven Koningskind. Liefde is altijd overvloedig, zij wordt nooit mondjesmaat gegeven, zuinigjes afgemeten, nooit druppel voor druppel.

Voor Jezus is deze vrouw een engel Gods, die met haar geurige pantomime Israëls mooiste lied heeft uitgebeeld:

‘Gij richt voor mij een maaltijd aan

voor de ogen van wie mij naar het leven staan.

Gij zalft met olie mijn hoofd,

mijn beker vloeit over…’ (psalm )

Mij treft vooral de machteloosheid van de daad van die vrouw. Het is een behoorlijk extravagant gebaar wat zij maakt. Die hoogstpersoonlijke betrokkenheid, met haar tranen en haar kussen en haar haren, en dan die zeer dure olie, waarmee zij Jezus’ voeten zalft. Twee stappen buiten in het stof, en het hele effect is weer verloren. Marcus vertelt zelfs dat ze de kruik breekt en de hele voorraad in één keer opmaakt. Geen wonder dat daar de discipelen bezwaar maken en vinden dat het geld beter aan de armen besteed had kunnen worden. Het is ook zo’n volkomen zinloos gebaar. Wat heeft het voor nut? Het hééft geen nut, geen blijvend effect, maar misschien zit daarin juist de meerwaarde en de blijde boodschap. Het doet mij denken aan een gedicht van Herman De Coninck, dat heet: ‘Poëzie’:

‘Zoals je tegen een ziek dochtertje zegt:

mijn miniatuurmensje, mijn zelfgemaakt

verdrietje, en het helpt niet;

zoals je een hand op haar hete voorhoofdje

legt, zo dun als sneeuw gaat liggen,

en het helpt niet;

zo helpt poëzie’

Het helpt niet wat die vrouw doet; het is een volkomen machteloos gebaar. Zij kan met dat gebaar Jezus niet beschermen tegen het cynisme van de farizeeën, tegen de vijandschap van de religieuze elite of de lafheid van de Romeinse overheid, ze kan de dood niet bij Hem weghouden. Het helpt niet, zoals poëzie niet helpt, verdriet of pijn niet kan wegnemen. Maar luist in het besef van die onmacht ligt de waarde; zoals ook de erkenning van verdriet veel waardevoller en troostender is dan de lichtpuntjes die er vast ook wel zijn, en alleszins dan aansporingen als ‘kop op’ en verzekeringen dat het wel zal slijten…

Dat was even een uitstapje naar de poëzie, die het van woorden moet hebben en van horen zeggen. Maar in dit tafereel van de zalving valt juist de woordenloosheid op. Er is een fysieke nabijheid, een grote intimiteit, die het zonder woorden kan stellen. Want die ene hoofdpersoon, de vrouw, zegt helemaal niets. Ze licht haar uitzonderlijke daad niet toe. Ze zegt niet: ‘omdat ik je daar en daar heb horen prediken, is er iets met me gebeurd…’ Of: ‘omdat je mij toen en toen hebt aangekeken met die ogen…, die blik waardoor ik me gezien wist, tot in de kern van mijn wezen gezien en aanvaard, dáárom…’ Nee, woorden zijn overbodig. Ze zouden zelfs afbreuk doen aan de intimiteit, aan de kostbare band die er op dat moment bestaat tussen Jezus en de vrouw. Haar daad zegt genoeg: dit is grote liefde…

Door de vergeving die zij heeft gekregen, is er ruimte gekomen om niet meer met zichzelf bezig te zijn, ruimte om de ander te zien, te erkennen in wie hij werkelijk is. Grote liefde, dat is de ander zien zoals God hem of haar bedoeld heeft. De vrouw kréég in haar vergeving een nieuw begin, zij máákt nu ook met dit gebaar een nieuw begin. En waarom zouden wij dat ook niet kunnen – of op zijn minst proberen met elkaar..?

Zoeken in Preken Online