De Doper aan het woord (2009)

C-cyclus · Advent · 3e zondag van de Advent · roze

* Johannes de Doper is een bijzondere adventsfiguur. We hoorden reeds vorige week het optreden van deze boetepredikant. Vandaag voltooit hij op matige toon de donderpreek die hij pas te voren had uitgesproken met uitlatingen als “Gij adderengebroed” en de harde eis om vruchten voort de brengen die passen bij bekering (Lc 3,7-9). En warempel. Zijn provocerende taal boekte succes.

1. Zijn toehoorders vroegen hem nu: “Wat moeten wij doen ?”

  • Zijn talrijke luisteraars kwamen uit alle lagen van de Judese samenleving. Volgens Matteüs waren er zelfs farizeeën en sadduceeën bij. Lucas vermeldt tollenaars en militairen, mensen die bij de Joodse populatie gewoon geen aanzien hadden: de tollenaars wisten het volk uit te buiten, en soldaten dienden de bezetter. De “Pax Romana” was anders dan de Joodse “Sjaloom”. Kortom gespuis was erbij. Juist dat schorremorrie zal later ook Jezus bereiken. Maar toch komen zij Gods barmhartigheid opzoeken. Hun vraag is vanzelfsprekend. Het is de vraag die ze gewoon haalden vanuit het wettische Jodendom: “Wat moeten wij doen ? Wat moeten wij verrichten ? Wat is onze opbrengende prestatie ?” - Het is de vraag die later de wetgeleerde aan Jezus zal stellen, en ook de rijke jongeman: “Wat moet ik doen om het eeuwig leven te verwerven? " (Lc 10,25; 18,18).

  • En het antwoord van de Doper is simpel en sereen. Hij spreekt niet over de uiterlijke formaliteiten van de Thora waaronder velen gebukt liepen. Hij lanceert evenmin opstand of revolutionaire theorieën voor maatschappelijke structuurhervormingen. Hij is praktisch en direct: Gods heil wordt zichtbaar als we hier en nu weten te delen met wie in nood is, in onthechting en eerlijkheid. Geen corruptie maar daden van liefde en rechtvaardigheid. Voor deze oproep tot sociale inzet was Lucas zeer gevoelig. Doch het ging er gewoon om de ware geest van de Wet en niet om de dode letter (Dt 15,1-15). Voor Joden was dat niet nieuw. De Messias zou dit herstellen (Jes 11,4; Ps 72,12-13). Daardoor - zegt de Doper - bewijst ge de ernst van uw bekering en maakt ge van dit doopsel geen leugen. Daarom vroegen velen zich af of de Doper soms de Messias niet was ? Hij ontkende dit en zei dat een Sterkere na hem zou komen, wiens schoeisel hij niet waardig was los te maken.

2. Die Sterkere zal dopen met de heilige Geest en met vuur.

  • Johannes de Doper zei dat hij zelf moest verminderen om de Andere te laten groeien (Joh 3,30). Hij verdwijnt wanneer Jezus opdaagt. Wanneer hij later vanuit zijn gevangenis gezanten stuurt naar Jezus, zegt Jezus dat niemand uit vrouwen geboren groter is dan Johannes de Doper, doch dat de kleinste in het Rijk Gods groter is dan hij (Lc 7,28). Met de Doper zijn we dus nog niet echt in het Rijk Gods. En Jezus zal dit beklemtonen wanneer Hij meldt dat de Wet en de Profeten - dus heel het Oude Testament - van kracht waren tot aan Johannes de Doper, maar dat sindsdien de Blijde Boodschap van het Rijk Gods wordt verkondigd (Lc 16,16). Er kwam als het ware een breuk.

  • Met Jezus is er een tweede doopsel op komst. Een doopsel van Geest en vuur. De eerste bekering onder de Doper was een eerste stap. Jezus brengt ons tot een tweede stap: “Vuur ben Ik op aarde komen brengen, en hoe verlang Ik dat het reeds oplaait” (Lc 12,49). Iets totaal nieuws wordt hier aangeboden. Het is het vuur dat helemaal zal losbranden op Pinksteren en de jonge Kerk gloed en drijfkracht zal geven. Het vuur van de Geest dat loutert en herschept. Vuur dat ons doorgloeit. De kracht van het ware doen en handelen, Vanuit die geestervaring schreef Paulus dat de mens geheiligd wordt niet door het presteren van de werken van de Wet (Rom 3,20.27-28), maar “God is het die in u zowel het willen als het doen tot stand brengt om zijn heilsplan te verwezenlijken” (Fil 2,13). De vraag “Wat moet ik doen ?” wordt nu omgedraaid in “Wat laat ik God doen door mij ? Hoe mag ik instrument zijn van zijn werk ?” Dit is geen zelfprestatie meer, geen doen alleen op eigen kracht en volgens mijn eigen visie, maar het werk van Gods genade in mij.

  • Dit doen gaat dan zeer ver. Verder dan wat de Doper vandaag aan zijn toehoorders vroeg. In dat vuur zijn heiligen verder gegaan dan wat ze op eigen kracht zouden hebben aangekund. De apostelen konden in die kracht de vervolgingen aan en de marteldood trotseren. Het was het vuur van de duizenden gekende en ongekende martelaren van twintig eeuwen kerkgeschiedenis. De heilige Damiaan van Molokaï heeft niet gevraagd “Wat moet ik doen om het eeuwig leven te verwerven ?” De Geest brak hem open om God alles te laten doen in hem. “Vier (vuur) moet branden” zei Constant Lievens. Hij trok naar Chotanagpur (Indië), waar hij zich mateloos ingezet heeft niet alleen voor de kerstening, maar tevens voor de sociale opstanding van de Adibasi, de kastelozen, tot hij zijn leven ervoor heeft gegeven. Belangloze, onberekende en universele liefde.

* De ware advent voor ons is dat wij breken en delen met anderen - denk aan welzijnszorg - doch niet als een afgemeten louter humane prestatie op eigen kracht, maar gedreven door de drang van Gods liefdegeest in ons, aangewakkerd door zijn heilig vuur. Daarom is onze sociale bewogenheid nooit volledig deze van het evangelie, als ze niet gevoed wordt vanuit het geloof. Dit is vanuit de stuwing van het gebed en vanuit de diepe verbondenheid met Jezus de Heer, die altijd komend is.

Zoeken in Preken Online