U hebt wellicht ooit gehoord van die mens, die de wijde wereld introk, om er carrière te maken. Omdat zijn ouders, die hem wel kenden, dat grootse plan niet zo zagen zitten, naaiden ze in de slip van zijn jas een goudstuk, als een appeltje voor de dorst. Ze spraken er met hem niet over, want ze dachten bij zichzelf: wanneer hij weet wat hij bij zich draagt, dan is het eerste het beste café goed genoeg. Zo ging die mens de wereld in. Het ging hem voor de wind. Hij leefde, verdiende geld en verloor het weer en tenslotte verviel hij tot armoede en stierf helemaal berooid, moe en zat van ellende. Door de armenzorg werd hij begraven. En die ontdekte wat hij bij zich droeg. Hij zelf heeft het nooit geweten, omdat hij nooit naar zichzelf had omgekeken. Wat zo dicht bij was, had zijn ellende kunnen verlichten.
De gelovige jood is er van overtuigd, dat in de schepping, waarin wij ons bevinden, Gods licht en kracht is uitgezaaid. God heeft zijn lichtende energie laten uiteen spatten in miljoenen kleine gouden talenten, die Hij neerlegde in levende en niet levende schepselen. Zo weerspiegelen allen tezamen Zijn grootheid.
Wijzelf zijn uit God geboren, een Godsvolk gezaaid in deze aarde. De mens hoeft die Goddelijke energie in hemzelf maar aan te boren en naar boven te halen. En daarmee is de vraag uit het evangelie beantwoord: Wat moeten wij doen? Gods talent in ons op het spoor komen; het beeld dat wij van God zijn zichtbaar maken. We hebben daarbij als voorbeeld Jezus Christus. Dat is wel nodig, want die Godsvonk blijft vaak door de chaos waarin wij leven, verstopt. Het is als een vuur onder de as. Dat vuur moet worden aangeblazen en gevoed. Zo niet, dan dooft het vroeg of Iaat. Zo gaat het ook met de Godsvonk in ons. Gods energie blijft verborgen als wij niet ontdekken, aanblazen en voeden.
Vandaag klinkt de roep: ‘vreugde.’ Dat betekent zoiets als: blaas dat vuur in je aan; geef het voedsel; wek de geestkracht in jou, want de Heer is immers dichtbij! Bij wijze van spreken in de slip van je jas. je bent in de wereld neergezet met een geweldige schat. Maar hoe gaat het? In plaats van te zoeken achter onze eigen ogen en oren, in onze eigen bagage waar die schat verborgen is, gaan we de wereld in en proberen te verdienen, carrière te maken. En hoe meer we verzamelen, hoe groter we worden. ‘Vergaren’ en ‘hebben’ betekent in onze wereld een naam krijgen, een ‘ik’ zijn. Maar ik denk, dat Jezus van Nazaret ons Iaat zien, dat het geen kwestie is van nemen en pakken, van uitputten en profiteren, van schatten zoeken buiten onszelf. Het is veel meer een kwestie van geven. En wat je moet geven, heb je bij je. Het is in je hart, achter je ogen, in je oren, onder je handen. Wij zijn zwanger van God, om zo te zeggen. Ieder van ons en wij samen. Wij lijken op Maria. Het enige dat wij te doen hebben is Hem ter wereld brengen. Ik weet niet of het u vergaat als mij, maar soms, ’s avonds terugkijkend op de dag die voorbij is, moet.ik constateren, dat een dag voor mij pas goed is geweest, wanneer ik een ontmoeting had met mensen; wanneer ik een gesprek mocht voeren, dat er toe deed; wanneer ik wat vreugde kon zijn voor iemand die verdriet had.
Wat moeten wij doen? Zo luidt de vraag uit het evangelie. En Johannes zegt: ‘gewoon doen wat je moet doen. Je hoeft niets bijzonders te doen. Ontdek de schat die in je is en gebruik die.’
‘Hij zal u dopen met heilige Geest en vuur’, zo luidt de belofte van Johannes de Doper. Hij zal je onderdompelen in geestkracht. Hij zal ervoor zorgen dat je mens van God kunt zijn. Deze Geest zal doen wegbranden wat die schat verduistert en verborgen houdt. Ik hoop voor u, voor mij, dat wij juist in de komende kersttijd de schatten willen opdelven die wij bezitten. En dat wij ervan kunnen uitdelen. Gedeelde vreugde, dubbele vreugde.