De aanhef van de lezing van de prediking van Johannes de doper is dreigend: ‘Addergebroed, wie heeft jullie wijsgemaakt dat jullie veilig zijn voor het komende oordeel?’ Het beeld van een laatste oordeel, van een Godsgericht is ons vreemd geworden, als iets van vroeger om de mensen koest te houden. Herkenbaarder is het verlangen bij elk van ons om iets van het leven te maken, iets te betekenen voor anderen.
‘Behoren tot het uitverkoren volk (kinderen van Abraham),zich tot het ware geloof bekennen’, zegt Johannes, biedt helemaal geen garantie om gered te worden, versta om gelukkig te worden.
‘Breng vruchten voort ! is zijn oproep. Daarop volgt de vraag ‘wat moeten wij doen?’ en de verschillende antwoorden naargelang de vraagstellers.
De kern van zijn antwoorden lijkt mij te zijn : ’Wie heeft moet delen met wie niets heeft’ en ‘wie macht heeft , mag zich niet verrijken ten koste van anderen.’.
De bijbel leert ons dat elke mens zijn elementaire behoeften moet kunnen voldoen en dat wij daar als gemeenschap verantwoordelijk voor zijn. ‘De vruchten die een nieuw leven waard zijn’, waarover Johannes spreekt houdt een omkering in van perspectief: armoede niet langer als onvermijdelijk noodlot, maar als menselijke verantwoor-delijkheid.
Het confronterende van de lezing van de campagne van Welzijnszorg en van armoede op zich is dat het onze eigen levenswijze, onze levensstijl in vraag stelt.
De link tussen rijkdom en armoede ligt vervat in de brutale uitspraak : ‘er is genoeg voor ieders behoefte, niet voor ieders vraatzucht’. Deze gedachte schoot mij opnieuw te binnen toen deze week bekend werd gemaakt hoeveel euro wij in ons land gemiddeld uitgeven aan kerstgeschenken.
‘Breng vruchten voort !’ zegt Johannes de doper. De slogan ‘Samen armoede uitsluiten’ is hiervan een vertaling in de campagne van Welzijnszorg.
‘ Wat moeten wij doen’?
Met schroom wil ik hier iets over zeggen: schroom, omdat ik weet dat in deze gemeenschap hier mensen er veel consequenter in hun leven een antwoord op geven dan ik.
Ik zal het niet hebben over de structurele aanpak (door wetgeving, fiscaliteit, sociale zekerheid en collectieve voorzieningen) die zou moeten voorkomen dat mensen in armoede terechtkomen, hoe belangrijk deze ook zijn en hoezeer ik ook overtuigd ben dat we ook daarin kunnen handelen.
Financieël bijdragen
Structurele maatregelen volstaan evenwel niet om armen een menswaardig bestaan te waarborgen. Daarenboven blijven er altijd mensen door de mazen van het net vallen. Er zijn dan ook steeds mensen en instanties die hun noden proberen te lenigen op verschillende vlakken: voedselhulp, huisvesting, budgetbeheer, opvoedingshulp, tewerkstelling, gezondheidszorg, integratie,… De meeste van deze initiatieven doen een beroep op overheidstoelagen, maar die volstaan veelal niet.
Daarom doet Welzijnszorg een beroep op onze vrijgevigheid om projecten te kunnen ondersteunen. Voor de Leuvense regio gaat het om sociale economieprojecten, een sociaal verhuurkantoor, een buurthuis, een inloopcentrum, opvoedingsondersteuning en opvang van schoolmoeë jongeren.
Destijds heb ik in scouting de 1% actie gelanceerd in het kader van het Jaar van de Rechtvaardigheid onder de slogan ‘Echt aardig: rechtvaardig. We hebben toen de regering gevraagd het budget voor ontwikkelingssamenwerking op te trekken tot 1% van het BNP.(intussen is dit nog steeds slechts 0,57). Omdat we vonden dat we dit niet enkel aan anderen moesten vragen hebben we toen alle groepen opgeroepen om 1% van hun inkomsten ook te besteden aan ontwikkelingsprojecten en aan de leiders gevraagd om dit ook te doen met hun eigen inkomen. Sindsdien is dit voor mij wat een leidraad in mijn bijdrage voor projecten allerhande. Ik vond dat nogal ferm van ons, zeker omdat we kozen voor één inkomen en vier opgroeiende kinderen hadden.
Ik was dan ook nogal verbouwereerd toen ik – in voorbereiding van deze viering – het themanummer over armoede las van het tijdschrift voor geestelijk leven, waarin de Nederlandse auteur boudweg stelt ‘dat rijken (en hij bedoelt daarmee wel degelijk de middenklasse) een tiende van hun geld kunnen missen zonder hun eigen goede leven ernstig schade aan te brengen’.
Het doet me zeker nadenken - en u misschien ook -. Dat ene procent dat wij afstaan doet ons eigenlijk geen zeer en mede daarom is mijn betrokkenheid bij de problematiek niet echt toegenomen.
Persoonlijke ontmoeting van armen
Ik zet mij als vrijwilliger nu in voor een vormingsorganisatie van laaggeschoolden jongeren en sinds vele jaren ook voor een technisch en beroepsschool. Zo heb ik weet van de problematiek van jongeren uit de onderkant van de samenleving en hoe moeilijk het werken is met deze groep. Maar ik heb daar enkel bestuursverantwoordelijkheid en kom dus zelden in contact met de jongeren zelf.
Mijn meest directe ervaring met wat armoede betekent gaat terug naar een periode van 20 jaar geleden. Wij hadden met een twaalftal mensen een ‘klusjesgroep’ opgericht, die bij mensen die in de miserie zaten, karweien gingen opknappen: verhuizen, behangen en schilderen, poetsen, herstellingen uitvoeren,…We hebben dit gedurende zo’n vijftien jaar gedaan en ik heb in die periode ervaren wat Marcel vorige zondag heeft beschreven wat het begrip ‘fijnzinnigheid’ inhoudt. Door bij deze mensen te gaan werken – en als ze enigszins konden vroegen we hen ook om mee te werken en een deeltje van de materiaalkosten te betalen – vernamen we heel wat van wat ze hadden meegemaakt. In de groep werd overigens vooraf en nadien over hun situatie gereflecteerd. Op zo’n momenten werden we individueel en als groep ‘gevoelsmatig geraakt en kwamen we tot inzicht’.
Een heel waardevolle periode die we hebben moeten afsluiten omdat binnenkwamen de sociale diensten eigen klusjesdiensten hebben opgericht en omdat de meeste van ons het professioneel te druk kregen.
Er bestaan verschillende initiatieven (o.m. ATD vierde wereld, verenigingen waar armen het woord nemen, welzijnschakels,…) waar armen mekaar en anderen ontmoeten met de bedoeling om uit hun isolement te geraken, de eigen situatie onder ogen te zien en er samen proberen iets aan te doen.
Ik verwijs in dit verband ook naar de Leuvense projecten waarvoor vandaag uw financiële steun wordt gevraagd. Meerdere werken met vrijwilligers.
Dit vergt een ernstig engagement en is de volle betekenis van de slogan van de campagne ‘Samen armoede uitsluiten’
Ik sluit af met de oproep om een kleine of grote intentie neer te schrijven op de vraag die ons vandaag wordt gesteld: ‘Wat moeten wij doen?’ Het gaat erom letterlijk ‘ons brood te breken en te delen’ en zo mogelijk ook een beetje ons leven te delen.
U kan tijdens de offergang uw briefje in de spleten van de muur steken. Wie daar graag langer over nadenkt of er thuis nog wil over spreken wordt uitgenodigd zijn inbreng op kerstavond mee te brengen. Ze zullen dan de stal versieren waar de uitgestotenen van 2000 jaar gelden als eersten Jezus hebben verwelkomd.