Sinds de zogenaamde “Zalige Zaterdagavond” in onze kerk op de afgelopen 9e september (in het kader van die televisie-serie: “Help! De kerk stroomt vol”); sinds die avond heb ik contact met een buurtgenote, een vrouw van begin zestig nu. Ze werd geboren in Indië, maar na de oorlog komt ze met haar ouders en zusje naar Nederland … Haar vader heeft lepra en verblijft, samen met haar moeder, in een leprakolonie op de Veluwe. Zijzelf (en later ook haar zusje) komen terecht in een katholiek, door zusters geleid meisjesinternaat in Amersfoort. Daar heeft ze het niet fijn - om niet te zeggen: ze heeft dat internaat beleefd als een hel … Tussen de nonnen zitten een paar èchte secreten met een wrede, sadistische manier van opvoeden mag je gerust zeggen. Ze wordt er gepest en gediscrimineerd. De vrouw in kwestie heeft een boek geschreven over haar jeugd. Daarin vertelt ze hoe op een dag er een paar krantenknipsels vallen uit het brevier van de zogenaamde “kantoorzuster”: “Ik raapte ze op en schrok van wat ik zag. Op het ene knipsel stond een lange rij naakte mensen als verdoofd te wachten. Op het andere was een gebouw met een lange schoorsteen te zien. “Dat is de hel,” zei ze (de kantoorzuster). “Als je heel gehoorzaam bent, hoef je later niet in die grote oven. Daar gaan alle mensen naar toe die God niet gewild heeft en joden die Jezus pijn hebben gedaan. Iedereen kan aan je zien dat je zieltje gevlekt is. Jij komt vast nooit in de hemel.”[8] Je zult als kind maar dit soort dingen meemaken … het zal je maar gezegd worden … U begrijpt, dierbare gasten en parochianen van de Vredeskerk: het leven van de vrouw over wie ik spreek is voor het leven getekend door dat katholieke meisjesinternaat.
Mensen in deze wereld gaan elkaar te lijf met gróf en met subtiel gewéld. Dat geweld kan fysiek zijn, lijfelijk, maar ’t kan ook verbaal zijn, met woorden. Mensen maken onderscheid tussen mensen: tussen mensen die zogenaamd “goed” zijn en mensen die zogenaamd “fout” zijn. En de goede mensen zijn altijd zoals zijzelf. En de verkeerde mensen dat zijn altijd de mensen die anders zijn dan zijzelf. “Discriminatie” noemen we dat. OP aarde,, onder de mensen, is dat een groot probleem. Vandaag is het 10 december en de Internationale Dag van de Mensenrechten. Amnesty International roept ons vandaag op die discriminatie aan de orde te stellen en aan te klagen en een halt toe te roepen onder het motto: " Make some noise against discrimination”, “maak een beetje herrie tegen discriminatie.” Amnesty heeft daarbij ook de hulp ingeroepen van geestelijk leiders en pastores in Nederland. En natuurlijk geven wij aan de oproep graag gehoor. Vorige week hebben wij in deze kerk gehoord hoe in het boek van de profeet Jesaja ene “rabsake”, de legeraanvoerder van de machtige koning van Assyrië, geweldig tekeer ging tegen koning Hizkia van Juda en zijn mensen. Allerlei verwensingen en bedreigingen werden geuit. Groffe taal klonk er: “jullie zullen je eigen stront eten en je eigen pis drinken.” Ja, Hizkia en de zijnen zijn natuurlijk fout en de assyriërs, hún koning en legeraanvoerder zijn natuurlijk goed. Het is, mensen, precies even erg als in dat meisjesinternaat, waar natuurlijk de zusters altijd gelijk hadden en de meisjes zelf per definitie altijd aan het kortste eind trokken en bepáálde meisjes het pispaaltje waren … Wat doe je in zulke omstandigheden? We horen vandaag hoe koning Hizkia, door de woorden tot hem en zijn volk gericht totáál verdóófd en knock-out geslagen; hoe hij naar de tempel gaat. Hij heeft van de koning van Assyrië een brief gekregen met heftige bedreigingen: “Laat u niet misleiden door de Heer, uw God, in wie u uw vertrouwen hebt gesteld” zo staat er in die brief. En: “Denk maar niet dat jullie gered worden. Want: die en die andere volken werden door mijn voorouders uitgeroeid en die zijn toch ook niet door hún goden gered?” Uitroeien. Totale vernietiging. Hizkia legt deze brief met deze gitzwarte boodschap; hij legt deze brief néér in de tempel, ópen legt hij hem néér voor de Heer. Wij doen dat ook in zulke omstandigheden. Ook wij komen hierheen met onze zorgen en noden die soms ook huizenhoog en onoplosbaar kunnen lijken en die voor ons ook héél bedreigend kunnen zijn. We spreken die zorgen en noden hier uit, overhard of in de stilte van ons hart of we schrijven ze op in het intentieboek dat altijd geopend klaarligt aan het begin van het middenpad hier in de kerk. Ik zeg altijd mensen, de kerk is net een compressie-vat: Je kunt er stoom afblazen. Je kunt er zuchten en lucht geven aan je hart als dat vol is van smart. “Red ons uit zijn handen” - zo klinkt de hartekreet van koning Hizkia. En de profeet Jesaja zal in de naam van God antwoord geven. In dat antwoord schildert hij de hoogmoed van de Assyrische koning: “Mijn vele strijdwagens brachten mij tot op de hoogste bergen, tot in de verste hoeken van de Libanon. Zijn hoogste ceders veldi ik, zijn machtigste cipressen. Ik drong door tot zijn hoogste toppen, tot in zijn diepste woud.” Oftewel: geen zee of bergtop gaat mij te hoog! Jesaja gaat er in de naam van God op in: “Ik zie je zelfgenoegzaamheid, je razernij is tot mijn oren doorgedrongen. Ik sla mijn haak door je neus en leg mijn bit in je mond en voer je op je schreden terug.” God zal die Assyrische koning een toontje (of heel wat toontjes!) lager laten zingen … Het gaat slecht met hem aflopen … Het is net als Maria zingt in haar Magnificat: “Machtigen haalt Hij omlaag van hun troon, eenvoudigen brengt Hij tot aanzien; Behoeftigen schenkt Hij overvloed, maar rijken gaan heen met ledige handen.”[9] Die zusters van dat meisjes-internaat lazen of zongen deze woorden iedere dag, maar je kunt je afvragen: hebben zij ze ooit begrepen? Want, hádden zij die woorden begrepen, dan zouden ook zij wel een toontje lager hebben gezongen ten opzichte van de meisjes. Dan zouden ze minder autoritair, bescheidener en liever voor hen geweest zijn …
In het evangelie van vandaag wordt ook het één en ander gecorrigeerd. Johannes de Doper neemt woorden in de mond - óók al van de profeet Jesaja: “Maak de weg van de Heer gereed, maak recht zijn paden! Iedere kloof zal worden gedicht, elke berg en heuvel geslecht, kromme wegen recht gemaakt, hobbelige wegen geëffend.” In gedachten zie ik bij deze woorden altijd hoe een grote wegenbouwer een korte metten maakt met een mooi ruig romantisch ongerept landschap. Verschrikkelijk! Maar uiteraard gaat het daarover níet veelgeliefden. Ik denk met die “kloven” (dalen) enerzijds en met die bergen en heuvels anderzijds: Jesaja en Johannes de Doper denken daarbij aan bepaalde geestesgesteldheden. Het gaat om “uitschieters naar boven” en “uitschieters naar beneden” oftwel: om mentale onevenwichtigheid. Mensen kunnen zich “top” (“toppie”) voelen: heel goed, geweldig, euforisch, “himmelhoch jauchzend” zeggen de duitsers. Maar ze kunnen zich ook “down” voelen: somber, náár, vervelend, “zum Toten betrübt” zeggen opnieuw de duitsers oftewel in onvervalst mokums: klote! Bergen, heuvels, dalen en kloven afvlakken en ophogen betekent niet dat het de bedoeling is dat je een saaie Piet wordt. Maar het betekent wel: je leven rustig leven in en vanuit een middelpunt - en niet voortdurend koortsig op- en neergaand van crisis naar crisis leven … Gisteravond in het avondgebed op de vooravond van deze tweede adventszondag klonken hier de woorden: “Voor de komst van de hoogste Koning moet het hart van de mensen gezuiverd worden, zodat wij Hem waardig tegemoet gaan; want zie, Hij komt en zal niet talmen.” Wat betekent dat? Wat betekenen deze woorden voor U en voor mij? Misschien betekent het wel mensen dat we óp moeten staan uit onze leunstoel en in beweging en in aktie moeten komen! Dat zegt in ieder geval Ricus Dullaert, met wie ik als student in één huis heb gewoond, Ricus die jarenlang hier in Amsterdam pastor was voor drugsgebruikers en nu al een weer heel wat jaren in Zuid-Afrika aidslijders en hun families bijstaat. In een interview in het blad “Roodkoper”[10] (en hiermee wil ik afsluiten) wordt hem de vraag gesteld: “Vreet het feit dat uw werk niet meer is dan een druppel op een gloeiende plaat nooit aan uw motivatie?” En Ricus geeft dan als antwoord: “Doemdenken helpt niet. De druppel op de gloeiende plaat is een smoes van de duivel. Een verleidingstruc om je in je leunstoel te houden. Een mosterdzaadje kan uitgroeien tot een immense boom. Daar geloof ik in en dat zie ik hier gebeuren.” Dat het ook voor ons mag gelden veelgeliefden: dat ook wij het mogen zien groeien in ons eigen leven, in Amsterdam, in Holland. Dat wij mogen groeien, mogen toegroeien naar Hem, naar Jezus die naar ons toekomt, die niet zal talmen. Amen.