Eerste zondag van de advent (2000)

C-cyclus · Advent · 1e zondag van de Advent · paars

De kerkelijke kalender van de feesten van de heiligen begint op 1 januari van ieder jaar; die van de zondagen en jaarfeesten op de 1e zondag van de Advent. Daar zit een betekenis achter nl. dat we nu al, nu we nog -in onze streken- in de donkere dagen zitten, nu al uitzien naar … Dat is niet vreemd, uitzien naar, verlangen naar is mensen eigen. We zijn gevoelig voor ’nieuw’, voor ‘beter’; we zijn er mee bezig. Dus, we wáchten niet op maar vérwachten, zien uit naar, verlangen. Soms moet je afwachten maar als het gaat om Advent - dan is het goed om iets te verwachten, bezig te zijn met. Een zieke hoopt op genezing; ook al voelt hij die misschien niet, hij weet dat er iets is, iets dat ‘beter’ is. De meesten van ons voelen misschien niet veel inzake Advent, maar we mogen wéten dat er iets is, iets beters dan we al hebben.

Wat we doorgaans al hebben is gezelligheid, intimiteit bij de kerstboom en wat dies meer zij. Is er meer?

In de 1e lezing hebben we de profetie van Jeremia gehoord. Jeremia profeteerde als het ware op de puinhopen van Jeruzalem, dat door de Babyloniërs werd aangevallen en zou worden verwoest als dat toen nog niet gebeurd was. Hij profeteert kort en krachtig: de belofte zal worden vervuld, de stad zal heten ‘Heer, onze Gerechtigheid’.

Dat is hoop, maar dat zal niet vanzelf tot stand komen. Daartoe is nodig wat we hebben gezongen/gebeden in de tussenzang “Naar u gaat mijn verlangen, Heer”/“Tot U in den hoge richt ik mijn geest”. Jeremia is er zeker van dat hij op goede grond staat - om dat zo maar te zeggen. Hij zit niet neer op de puinhopen en in de ellende maar staat op en doet, in zijn geval doet hij zijn mond open. Als wij verwachten, zullen we ook doen, nl. ons richten naar … “Naar U gaat mijn verlangen Heer/Tot u in den hoge richt ik mijn geest”. Maar, hoe je dat?

In het evangelie speelt uitzien naar ook een grote rol. De terugkeer uit de ballingschap was allang vervuld, de tempel was herbouwd, groter dan eerder. Wat nu bij de gelovige Jood speelde was wat wij noemen het laatste oordeel, de jongste dag, -wij zeggen de laatste dag- als iedereen weer ontwaakte om te worden beoordeeld. Dat hebben we twee weken geleden gezien bij de profeet Daniël. Daarnaast leefde bij hen actueel de hoop op de komst van de Messias, die alles weer goed zou maken, vrijheid zou bewerken. De Joden hadden het niet goed onder de Romeinse bezetting en op godsdienstig gebied liep ook e.e.a. nogal mank. Hun godsdienst werd belaagd door partijvorming in godsdienstige kringen en een dodende invulling van de Wet belemmerde hun geloofsbeleving.
De volgelingen van Jezus hebben in hem de beloofde gezien, de Messias, en in hem ook de rechter op het einde der tijden die allen zou beoordelen. Dat was ook het evangelie van twee weken geleden. Na zijn dood hadden zij maar één uitzicht, één verlangen, nl. dat hij zou komen om zijn Rijk, het beloofde Rijk van zijn Vader definitief te vestigen; een Rijk nog groter dat dat van David. Bij al hun samenkomsten spraken zij die hoop uit: Maranatha: kom Heer/ de Heer komt. Op dat ene verlangen stelden zij hun hoop, de tempel was weer verwoest en hij was hun nieuwe definitieve en onverwoestbare tempel.

Het is voor ons misschien wat moeilijk om ons in te leven in hun situatie. De hele wereld om hen heen was ‘heidens’, men kende God, de Abba van Jezus, en Zijn waarheid niet en of het er allemaal zo sociaal aan toeging is de grote vraag. (“Hebt elkander lief” was niet voor niets het grote gebod van Jezus.) Middenin die wereld brandde een klein vlammetje van Gerechtigheid: zijn volgelingen. Zij wilden niets liever dan dat hun vlammetje een vuur werd dat de wereld rond zou gaan. Wellicht kunnen wij in onze situatie ons iets in denken dat overeenkomt met hun verlangen.
Hun uitzien naar betrof niet alleen sociaal gebied, waar Jeremia het over had, maar ook het geestelijke “… om hem te dienen in heiligheid en rechtvaardigheid” zingt Zacharias na de geboorte van zijn zoon Johannes. Als Jezus dan in het evangelie zegt “Wanneer dit alles zich begint te voltrekken, sta dan op recht en fier want uw verlossing is dichtbij” geldt dit ook voor ons gééstelijk onvermogen, beperktheid, onvolwassenheid; een verlossing uit een tekort omdat we uitzien naar, verlangen. Uitzien naar goed kunnen bidden, uitzien naar hem leren kennen, uitzien naar je in Hem geborgen weten, uitzien naar een besef dat Jezus Christus met je meetrekt, uitzien naar … zegt u het zelf maar.
Jezus zegt “Weest daarom waakzaam bidt …” Als wij ons verlangen willen leren kennen, willen honoreren, is het consequent om iets te doen. Zou het niet goed zijn om in deze adventtijd iedere dag een (extra) gebedje te zeggen, te bidden, in je binnenkamer? “Het stil gesprek met de Heer is weggelegd voor wie Hem vrezen” vertaalt de dichteres. Wie ontzag hebben voor Hem, weten dat HijZ hen ontziet. Een stil gesprek door je geest omhoog te richten, je handen te openen om op te vangen, te ontvangen.

Ik hoop dat e.e.a. ook jongeren aanspreekt. Je zoekt wellicht iets nieuws, dat is zeker jongeren eigen. Het is echt niet verkeerd om bij je zelf te beginnen, vanuit jezelf je geest naar omhoog te richten. “Als je de wéreld wilt verbeteren, begin bij jezelf”. Begin bij jezelf te verlangen naar … Is dat in te vullen? Of is het beter om het open te laten en af te wachten wat het is? Het sluit vast en zeker bij jou zelf aan.

Naar U gaat mijn verlangen, Heer/Tot U in den hoge richt ik mijn geest. Zullen we ons een paar minuten de tijd gunnen om daarvan iets te proeven?

Zoeken in Preken Online