Ik wil samen met U even kijken naar Peter, Hij is ziek, heeft AIDS. Hij is opgegroeid in een streng gereformeerd gezin op de Veluwe. Rond zijn 18-de werd hem duidelijk dat hij homosexueel van geaardheid was. Lange tijd wist hij dit verborgen te houden, maar op een keer werd hij betrapt met een vriend. Dat betekende grote heibel in de familie en de dominee kwam eraan te pas, dreigend met hel en verdoemenis als hij niet zou veranderen.
Zijn vader stelde hem voor de keuze: ofwel je verandert je leven ofwel je bent mijn zoon niet meer en dan is er voor jou geen plaats meer in ons gezin. Hierop reageerde Peter met: ik kan mijn geaardheid niet veranderen, ik heb het al genoeg geprobeerd. Dan is daar de deur, zei zijn vader, en hij kon vertrekken.
Peter kwam, via kennissen, in Utrecht terecht waar hij op een klein zolderkamertje woonde. Maar na enkele jaren van wisselende relaties, werd hij ziek en bij onderzoek bleek dat hij AIDS had. Vanaf dat moment was hij een paria, door iedereen gemeden. Hij durfde zich bijna niet meer op straat te vertonen,’ alleen de de hoogst noodzakelijke boodschappen kwam hij nog te deur uit. Hij zat met al zijn miserie te vereenzamen op zijn kamertje.
Op eenzame avonden verlangde hij naar zijn familie. Op een avond schraapte hij al zijn moed bijeen en schreef hij een brief aan zijn ouders, waarin hij zijn excuses aanbood dat hij anders was dan zij gehoopt hadden. Hij schreef ook hoe hij Aids opgelopen had en een hele moeilijke tijd doormaakte. Maar hij kreeg geen antwoord op zijn brief.
Hij hoorde zijn vader gewoon zeggen: je verdiende loon, God straft je voor je zonden. Hij dacht vaak aan God, maar hij kon niet meer geloven in de God die hij van zijn ouders had meegekregen. Maar op een dag werd er aan de deur geklopt, en toen hij opendeed stond daar een jongeman die zich voorstelde als Jan en zei dat hij namens de een of andere instantie kwam en dat hij wist dat Peter AIDS had en dat hij zijn buddy wilde zijn.
Peter wist niet goed wat hij hier mee aan moest. Hij was wantrouwend maar Jan wist hem wat op zijn gemak te stellen en dat eerste bezoekje werd gevolgd door een tweede en al heel gauw was Jan een regelmatige bezoeker. Zeker twee keer in de week was hij een avond bij Peter waarbij over van alles gepraat werd, soms tot diep in de nacht. Peter keek steeds meer naar die bezoeken uit zijn buddy ging steeds meer voor hem betekenen, hij was zijn hulp en toeverlaat in moeilijke dagen.
Anderhalf jaar later stierf Peter met Jan aan zijn zijde, en Jan was de enige die bij zijn crematie was. Tot zover het verhaal van Peter en Jan. Of Jan een gelovige mens was, is niet bekend, maar wat hij deed was zonder meer christelijk, terwijl die christelijke familie van Peter onchristelijk handelde.
Als je de evangelieverhalen leest dan zie je daarin een Jezus die heel veel aandacht had voor de zieken en gebrekkigen, een Jezus die ook steeds wist te vergeven. Er worden vele ontmoetingen vermeld waarin een helende kracht van Jezus uitging, waardoor die zieken en verschoppelingen weer toekomst kregen.
In die Jezus was God aan het werk, God die herder en hoeder wil zijn van alle schapen, heel bijzonder ook van de zieke en gebrekkige schapen, zoals we in de eerste lezing hoorden. En zoals God geboren werd in Jezus, zoals we met kerstmis zingen, zo wil Jezus steeds weer tot leven komen in ieder van ons, juist ook in onze zorg voor de zieken en gehandicapten. En, natuurlijk, wij kunnen geen wonderen doen zoals Hij, maar van de aandacht en zorg die wij kunnen geven gaat ook een helende kracht uit waardoor zieken hun lot beter kunnen dragen. Zoals die Jan een buddy was voor Peter, zo moeten wij allemaal buddies zijn voor de zieken, voor mensen die het moeilijk hebben, dan schijnt ook door ons het licht van kerstmis.
Eerste zondag van de advent (1997)
C-cyclus · Advent · 1e zondag van de Advent · paars