Is dat nou nodig, zou je zeggen, zo ’n angstaanjagende lezing?
Moeten er echt zulke verschrikkelijke dingen gebeuren voordat God binnen ons vizier komt?
Dan zou angst dus toch de uiteindelijke basis zijn van ons geloof.
Er zijn altijd mensen geweest die dat vinden. Dat alle ellende in de wereld en in je eigen leven,
dat dat van God komt en dat je dat allemaal moet zien als een dreiging en soms zelfs als een straf.
Maar de God zoals ik Hem ervaar is vooral ademruimte, levensruimte.
En in die ruimte mag alles zijn: de zon, de bergen, regen, aardbevingen, vloedgolven,
vogels en kamelen, liefde, geluk, haat en nijd, honger en dorst, ziekte en dood, moord en doodslag.
Ikzelf ben er ontstaan, ik mag er bloeien en ik zal er vergaan. Alles wat bestaat en leeft en beweegt
is in die ruimte. Is in God. Is geborgen. God - aan alles voorbij.
En op andere momenten ervaar ik Hem als een zorgzame, dragende kracht die troost biedt
op momenten dat mijn leven niet zo verloopt zoals ik hoop.
Of als een vuur dat mij in de nacht de weg wijst, een wolk die overdag voor mij uittrekt,
de wind onder mij vleugels, die mij draagt door het leven.
God als de uiteindelijke garantie onder mijn bestaan, geborgenheid aan de oever van de chaos.
Als het niet te begrijpen geheim dat de bron is van alle leven.
Maar ik kan mij níet voorstellen dat zo ’n God ook maar iets heeft met dreigen en straffen
om te bewijzen dat Hij bestaat en dat Hij machtig is. Dat móet gewoon onzin zijn.
Zo is de Schrift ook zeker nooit bedoeld.
Integendeel: de schriftverhalen, ook het Evangelie van vandaag met die donkere beelden,
willen ons een hart onder de riem steken. Het zijn juist verhalen tégen de angst.
De eerste lezing van de profeet Jeremia is zo’n 600 jaar vóór Christus geschreven:
de tijd dus dat het volk is gedeporteerd naar dat goddeloze noorden, naar Babylon.
Die dingen gebeuren, dat is onontkoombaar.
Maar de profeet kan daarbij zijn mond niet houden. Hij spreekt en zegt aan, hij zwijgt en stelt vragen!
Hij stelt in Gods naam dat onrecht aan de kaak.
Want meer dan ooit leeft in hem de hoop op toekomst voor zijn land en volk.
Hij wordt natuurlijk opgepakt, maar in de duistere stilte van zijn gevangenschap
hoort hij in zijn ziel de stem van God die zegt: er komt een tijd dat Ik mijn belofte vervul:
er zal een koning komen die recht doet; en de stad van de mensen zal heten:
God is onze gerechtigheid.
Bijna 700 jaar later schrijft Lucas zijn Evangelie. Het is dan kort na het jaar 70.
Je proeft in zijn woorden dat er pas verschrikkelijke dingen gebeurd zijn.
En dat is ook zo. Want het Romeinse leger onder Titus is als een allesverwoestende golf
over de stad gegaan. Zelfs de hoogheilige tempel ligt in puin.
Dat moet een traumatisch gebeuren zijn geweest, ook voor de jonge kerk van die dagen.
Niet voor niets klinken er woorden van paniek, radeloosheid, schrik en spanning.
Maar wat Lucas hiermee wil is zijn mensen bemoedigen.
Hij zegt: laat je niet uit het veld slaan. Blijf vastberaden uitzien naar bevrijding.
Hij houdt ze Jezus voor ogen, die zegt:
er is toekomst voor jou, voor de wereld, je verlossing is nabij; er is geen reden tot wanhoop.
Ik lees hier trouwens ook in, dat Jezus zelf wel degelijk weet heeft
van al die angstaanjagende dingen die er kunnen gebeuren in de wereld en in ons leven.
Mensen die bang zijn voor de toekomst: Hij zal hun angst nooit kleineren.
Hij gaat er ook niet over in discussie. Maar Hij zegt: dat is het einde niet!
Wat Hij altijd verkondigt is: uitzicht, verwachting.
Het laatste vonkje hoop dat er in mensen is zal Hij altijd blijven koesteren en aanwakkeren.
Steeds is Hij er op uit om ons nieuwe geestkracht in te blazen.
Hij zegt: Er zullen tekenen zijn aan zon en maan; volkeren verkeren in angst;
we weten soms niet wat ons overkomt en al helemaal niet waaróm;
en je kunt gewoon in de war raken door wat er allemaal aan schokkends gebeurt
in de wereld, in de kerk, in je eigen leven.
Hij kent onze angsten, maar zijn antwoord is altijd: tóch een hoopvol bericht,
een goed woord, een blijde boodschap.
Voor allen die het niet meer zien zitten, die de hoop bijna hebben opgegeven,
die de ellende op tv niet meer kunnen zien, die het moede hoofd haast in de schoot willen leggen
bij alles wat er om hen heen gebeurt: tot hen zegt Hij:
sta op, heft uw hoofd omhoog, want uw verlossing is nabij.
Altijd roept Hij op tot hoop, tot vertrouwen.
Want in zijn levensvisie zijn wij niet zomaar overgeleverd aan de machten van de duisternis,
omdat wij, met God in ons, zelf de toekomst mede bepalen.
Tegen mensen die in duisternis zitten zegt Hij: Kijk, er komt licht, zie je het niet?
Je verlossing is nabij!
Hij spreekt zoals alle profeten, die Gods stem in hun ziel hebben gehoord:
zorg dat je niet afgestompt raakt, dat je je hart, je geest, je ziel, je diepste wezen
niet uitlevert aan negatieve krachten.
Och, ieder van ons moet deze woorden maar vertalen naar zijn eigen leven toe.
Want ook u en ik maken van alles mee. En we hebben genoeg reden tot angst en zorg, zou je zeggen.
Als je soms hoort wat mensen allemaal moeten meemaken aan dingen waar ze
compleet machteloos tegenover staan, dan heb je daar gewoon geen antwoord op.
Maar toch: we zijn niet geroepen tot angst en ontmoediging, maar tot hoop en leven.
We zijn geroepen om te allen tijde te leven in de ruimte die God is.
Jezus zelf gaat ons daarin voor. In zijn eigen leven laat Hij zien hoe je het
uit de kracht van God kunt opnemen tegen wanhoop en angst.
Wees waakzaam en bíd, staat er. En bidden, dat is toch: in jezelf en om je heen
ruimte maken voor God: dat Hij in jou geboren mag worden,
dat zijn Geest je bewoont en verwarmt en verlicht, zoals Hij is geboren en gekomen in Jezus.
Als wij, samen met andere gelovigen, niet de hoop in de wereld levend houden, wie dan wel?
Wees daarom waakzaam, wordt ons aan het begin van de Advent gezegd.
Pas op dat de slaap je niet overmant: dat je niet wegdoezelt in de schemering
tussen nacht en morgen, in het gemiddelde tussen goed en kwaad, tussen God en afgod,
tussen mens en onmens.
Laat je niet opjagen tot hebben en houden, tot nog meer van alles en nog groter.
Die roes, die bezetenheid, daar kun je je tegen verzetten.
Wees waakzaam en zoek het geluk waar het te vinden is.
Blijf verlangend uitzien naar Gods koningschap:
dat is het leven waarin God niet buitengesloten wordt,
maar waar Hij aanwezig is en overal bij betrokken wordt. Blijf leven in God.
Dat wordt ons aangezegd opdat wij bij alles wat er gebeurt toch niet ontmoedigd raken,
maar licht ontsteken, steeds meer licht, en samen gericht blijven
op wie God en wat goed is in onze samenleving.
Ik hoop dat dit schriftwoord ook u weer goed doet.
We zingen erover!