Inleiding
Vandaag is het begin van de Veertigdagentijd. “Verzamel het volk, beleg een heilige bijeenkomst. Nu is er die gunstige tijd, vandaag is het de dag van het heil.” Niet alle plaatsen zijn even heilig, want op sommige plaatsen is God meer dan op andere plaatsen. Zo is het ook met de tijden. Er zijn heilige tijden, tijden die Hem meer zijn toegeheiligd. Denkt u maar aan een heilig Jaar tussen de andere jaren, zoals het jaar 2000, het Jubileumjaar. En zo is er ook een heilige Vastentijd. Wij maken geen vieringen naar eigen believen, want we zijn opgenomen in een geschiedenis, zoals het volk Gods door de geschiedenis trekt en vieringen heeft: ontmoetingen van God met zijn volk. Die kun je niet naar believen verschuiven, naar voren halen, wegzetten, tussen haakjes zetten, nee, dat is nu en anders niet. Dat heeft iets met gemeenschap te maken, dat we samen zijn, geen individuen. Maar als je het samen doet, kan dat het nadeel hebben dat je het niet, of te weinig, met je hart doet. Dat je het doet omwille van de ander, om gezien te worden, om je aan te sluiten, erbij te horen, maar dat je het te weinig doet voor God, die in het verborgene ziet. Daar wordt dus de nadruk op gelegd: te leven met God die in het verborgene is; voor Hem aalmoezen geven, voor Hem bidden en voor Hem vasten. Vasten van het hart noemen we dat.
HomiliE
Jezus begint zijn prediking met de woorden: “De tijd is vervuld, het Rijk Gods is nabij. Bekeert u en gelooft in de Blijde Boodschap” (Mc
1,15). Dat is ook de mogelijke formulering bij het opleggen van het
askruisje. Je kunt ofwel zeggen: ‘Mens, bedenk dat gij stof zijt en tot
stof zult wederkeren’, of: ‘Bekeert u en gelooft in de Blijde
Boodschap.’
Bekering niet zozeer van gedrag, niet zozeer
anders gaan leven, anders handelen, maar een andere manier van zijn,
een andere mentaliteit, een andere geesteshouding. Het is niet zo dat
er nu een tijd aanbreekt dat we gaan vasten, gaan bidden, aalmoezen
geven, maar wij willen de dingen doen die we altijd al doen, nu doen
vanuit een andere mentaliteit, vanuit een andere gezindheid. Niet om er
beter van te worden voor de mensen, om er eer mee in te leggen, beloond
te worden met aandacht, waardering, goedkeuring.
De ommekeer
die zich in ons mag voltrekken is de ommekeer van de geesteshouding. De
mens is, of hij nu bekeerd is of niet, op zichzelf betrokken, op
zichzelf gericht. Door de zondeval zijn wij van op God gerichte mensen,
op onszelf gerichte mensen geworden. Dat is heel ons doen en laten
binnengedrongen: ‘Hoe word ik er beter van? Hoe krijgen de mensen van
mij een betere indruk? Welk voordeel heb ik ervan? Hoe kom ik er beter
op te staan bij de mensen, bij de buurt, bij vrienden, in de publieke
opinie?’ Deze grondhouding dringt ook door in de dingen die wij voor
God doen, in de religieuze dingen, in de godsdienstige handelingen,
vasten, aalmoezen geven, bidden. Onze eigenliefde dringt ook door in de
dingen die wij voor God doen, ook daarin zoeken wij onszelf. Of je
zoekt troost in het gebed, of goede gedachten, of je onderhoudt de
regel omdat dat nu eenmaal voorgeschreven is, en niet van binnenuit.
Bekering bestaat er dus in de dingen voor God te doen en niet voor
jezelf.
Er moet zich een copernicaanse revolutie voltrekken.
Copernicus was een astronoom in de zestiende eeuw, die inzag dat het
wereldbeeld zoals de mensen zich dat spontaan vormen - de aarde in het
middelpunt en alle planeten en sterren draaien er omheen - berust op
gezichtsbedrog. Het lijkt zo. Nee, niet de aarde staat in het
middelpunt, de zon staat in het middelpunt en alle planeten en sterren
draaien om de zon. Dat was een revolutionair inzicht, een ommekeer. Dat
is een beeld van de revolutie die zich in de Veertigdagentijd in ons
moet voltrekken. Niet jij staat in het middelpunt, God staat in het
middelpunt. Dat inzicht geeft een heel bijzondere vreugde. Zegt Moeder
stichteres niet: ‘het is een grote vreugde om iets te doen voor God
alleen.’ Het geeft ook vreugde wanneer je iets voor de mensen doet, een
schouderklopje krijgt, een aai over je bol, maar die vreugde is niet te
vergelijken met de vreugde die je krijgt in het diepst van je hart als
je iets doet voor God alleen. Dan geeft Hij je troost, innerlijke
troost.
Dus de bekering bestaat erin de dingen te doen voor God alleen.*“Scheurt uw hart en niet uw kleren. Keer terug tot de Heer uw God.”
“Beoefent uw gerechtigheid niet voor het oog van de mensen om de
aandacht te trekken,… maar als gij een aalmoes geeft, laat uw
linkerhand dan niet weten wat uw rechter doet, opdat uw aalmoes in het
verborgene blijft en uw Vader, die in het verborgene ziet, zal het u
vergelden. “*Vergelden met innerlijke vreugde.
Bidt niet om op te vallen bij de mensen. “Bidt tot uw Vader die in het verborgene is. … Vast voor uw Vader die in het verborgene is.” Dus niets tussen jezelf en Hem. Niets voor jezelf alleen.
Als
wij ons zo tot God keren, als wij alles wat er tussen God en ons in
staat wegdoen en ons zo bloot geven aan God, zijn we dan welkom? Keert
Hij Zich dan ook tot ons? Kunnen wij rekenen op een open Hart? Dat is
nu net de inzet van het Nieuwe Verbond: “Wij smeken u in Christus Naam”, zo begint Paulus de passage waaruit u in de tweede lezing hebt horen voorlezen, “laat u met God verzoenen.” God
is het die door Jezus Christus de wereld met Zich heeft verzoend. Het
eerste woord dat Jezus spreekt is niet: ‘bekeert u’, maar het eerste
woord is: “Het Rijk Gods is nabij gekomen.” Gods
koninklijke heerschappij is nabij gekomen. God wendt Zich met een
welwillend gelaat tot de mens. En wat er tussen zit, onze zonden, onze
zelfzucht, heeft Hij gedragen. “Hem die geen zonde heeft
gekend, heeft God voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij door Hem Gods
eigen heiligheid zouden worden.” Wat er tussen ons en de Vader in
stond, heeft de Zoon op Zich genomen, weggedragen. Nu is de weg vrij.
De weg van God naar ons en van ons naar God, door een gezindheid van
boetvaardigheid, van zuiverheid van hart.
Dat is ook de zin
van het askruisje As is wat overblijft als iets helemaal verbrand is.
Al het onzuivere, al het ‘ik’ gerichte is weg, dat is in de dood
tenslotte weggenomen. Ze zeggen wel eens: ‘de zelfzucht sterft een
kwartier na je dood.’ Daar kom je dus nooit vanaf. De bedoeling is dan
ook niet dat je in je strijd overwint, maar de bedoeling is dat je in
de strijd blijft. Heel de wereld zal ten slotte eens in vuur of water
vergaan, om zo plaats te maken voor een nieuwe wereld, een nieuwe
schepping. Dat is begonnen in Jezus. De as is as van verbrande takken,
palmtakken, die wij in de hand hielden om Hem bij zijn intocht in
Jeruzalem, in het nieuwe Jeruzalem, de Kerk, toe te wuiven, bij de
intocht die voor Hem tegelijkertijd zijn uittocht was, het begin van
zijn uittocht. Hij ging ten onder en wij staan op. De christelijke dood
is een bevrijdend gebeuren, is een intochtgebeuren. Laten we ons te
binnen brengen dat vergankelijkheid de poort naar de onvergankelijkheid
is.