Uit het dagboek van Nicodemus, voorheen schriftgeleerde in de tempel te Jeruzalem.
Geschreven zo’n 10 jaar na de verwoesting van de tempel door de
Romeinse overheersers, dat is in onze jaartelling ongeveer in het jaar
80.
Nicodemus schreef:
Ik heb vandaag bezoek gehad. Dat gebeurt niet vaak meer. Ik ben een
oude man, eenzaam achtergebleven in de verwoeste stad Jeruzalem. Steeds
nog verlang ik naar de tijd, dat de tempel het middelpunt van onze stad
en van mijn leven was. Ik was er leraar, en leerde de jongemannen van
mijn school de oude verhalen. Hoe God ons volk gemaakt heeft, ons zijn
wet heeft gegeven, en onze voorouders naar het beloofde land heeft
geleid. Maar ook de verhalen over de slechtheid van onze koningen, de
afgodendienst van het volk. Over de profeten die steeds weer probeerden
koningen en volk tot de orde te roepen. Over de straf van God, dat hij
het volk in ballingschap liet wegvoeren, de tempel verwoesten. En over
de goedheid van God, dat hij zijn volk genadig was, terugbracht naar
haar land en heilige stad, en de tempel weer liet herbouwen.
Nu zijn we weer in zo’n tijd van godverlatenheid: de Romeinen hebben de
tempel verwoest, Jeruzalem geplunderd, het volk vermoord of verspreid
over de wereld. Wij enkelen die achtergebleven zijn kunnen slechts
bidden dat God zijn volk genadig zal zijn, opnieuw zal herbouwen wat
hij ooit zelf is begonnen. Zo slijt ik mijn laatste dagen in deze stad
vol ellende.
Maar nu is er iemand teruggekeerd in Jeruzalem, die ik al heel lang
niet meer gezien had: En hij kwam bij mij op bezoek. Johannes, de zoon
van Zebedeus. Hij was destijds, het is al zo’n 50 jaar geleden, de
jongste van de 12 leerlingen die Jezus van Nazareth om zich heen
verzameld had. Hij was nog maar een jongen, toen hij met Jezus optrok.
Hij heeft het eind van Jezus’ leven, die onrechtvaardige veroordeling
en die verschrikkelijke terechtstelling van heel nabij meegemaakt. Ik
ook, maar ik stond er toch wel anders tegenover dan hij. Hij was
Jezus’ meest geliefde leerling, ik was slechts een geheime bewonderaar
van Jezus. Ik heb Jezus’ optreden van begin af aan gevolgd. Het was
verbazend wat hij deed, mensen genezen, boze geesten uitdrijven. Ik ben
toen eens op een nacht naar hem toegegaan om van hemzelf te horen door
welke kracht hij die dingen kon doen. Maar al pratend met elkaar leek
het dat Hij en ik in heel verschillende denkwerelden verkeerden. Ik
werd er weinig wijzer van. Toch heb ik alles wat er daarna door en met
hem gebeurde met grote belangstelling gevolgd, al was het in het
geheim, want ik wilde mijn taak als leraar niet kwijt raken, en de
andere schriftgeleerden moesten helemaal niks van Jezus en zijn
volgelingen hebben.
Toen hij ter dood veroordeeld was heb ik hem zien sterven, vanaf een
afstand. Maar toen iedereen naar huis was gegaan, omdat de sabbat
begon, heb ik met enkele bekenden er voor gezorgd dat zijn lichaam
begraven werd, omdat we het niet konden aanzien dat deze rechtvaardige
mens als een misdadiger dagenlang te kijk zou blijven hangen. Een
kwestie van respect. Wat er daarna allemaal gebeurd is heb ik alleen
maar van horen zeggen: geruchten dat het graf na drie dagen leeg was.
Hoe het ook geweest is, 50 dagen na de dood van Jezus gingen zijn
leerlingen de straat op, en één van hen, Petrus hield een redevoering
die bij velen enorm aansprak. Hij beweerde dat Jezus niet dood is, maar
leeft, en aan ieder die zich op hem richt een heilige geest geeft. Die
volksoploop liep toen uit in een enorm doopfeest waarbij misschien wel
3000 mensen zich lieten dopen. Ik heb het vanaf een afstand allemaal
waargenomen. Ik herinner me nog altijd het lied dat daarbij gezongen
werd, die steeds herhaalde melodie, die ene zin: Dat wij volstromen met
levensadem en weten eindelijk geboren. Dat lied speelt nog vaak door
mijn hoofd.
Na die tijd zijn de meeste van Jezus’ leerlingen de wereld ingetrokken
om het verhaal van zijn leven en sterven, en het geloof dat hij toch
leeft, aan zoveel mogelijk mensen te vertellen. Johannes heeft eerst
een poos voor de moeder van Jezus gezorgd, maar later is ook hij
weggetrokken uit Jeruzalem.
Maar nu is hij terug en vandaag is hij bij mij langs geweest. Johannes
wilde mij spreken omdat hij het plan heeft opgevat om het hele verhaal
van Jezus op te schrijven, alles wat hij heeft gedaan en gezegd, en
alle gebeurtenissen rond zijn sterven en de opstanding uit de dood.
Daarmee wil Johannes een getuigenis maken dat voor alle mensen die nu
en in de toekomst leven onomstotelijk zal aantonen, dat Jezus, zo zei
Johannes het vandaag, “Gods eniggeboren zoon” is.
Johannes wilde van mij graag horen hoe mijn nachtelijke gesprek met
Jezus destijds gegaan was. Dat gesprek, hoe onbegrijpelijk het ook was,
is mij altijd bij gebleven, en ik kon Johannes een bijna woordelijk
verslag ervan doen. We hebben samen gelachen om mijn domme opmerking
van destijds, dat het toch niet mogelijk is dat een mens terugkeert in
de moederschoot om opnieuw geboren te worden. Maar ja, ik begreep die
woorden van Jezus over opnieuw geboren worden niet. Toen niet, en, zei
ik tegen Johannes: “nu nog steeds niet”. Ik zei: “Ik heb altijd geleefd
met het idee van God als hoeder van ons uitverkoren volk, streng maar
rechtvaardig. Die wil dat wij zijn Thora, de tien geboden, naleven, en
verder de godsdienstige plichten volbrengen die Mozes ons heeft
geleerd. Dat is niet zoiets als wedergeboren worden, dat is juist
vasthouden aan overlevering en traditie.”
Toen begon Johannes uit te leggen: over Abraham, dat hij wedergeboren
werd toen hij wegtrok uit zijn vaderland, over Isaak, die wedergeboren
werd toen hij niet geofferd werd door zijn vader, over Jacob, die vocht
met God, en van toen af een ander mens was. Over het volk Israel dat
opnieuw geboren werd, toen het wegtrok uit het slavenhuis Egypte. Al
die verhalen die ik bijna mijn leven lang al zo goed ken werden vandaag
opeens nieuw voor me. En hij vertelde over de mensen die door Jezus
waren aangesproken, en vanaf dat moment nieuwe mensen waren: mensen met
een visioen voor ogen, een koninkrijk der hemelen, waarin de ene mens
er is voor de ander. Johannes eindigde zijn betoog: “Gods wetten , dat
zijn geen starre regels, maar liefdevolle aanwijzingen voor waarachtig
leven, zodat mensen zullen zijn zoals ze bedoeld zijn.” En opeens
besefte ik, dat de ernst van de situatie in deze verwoeste stad
Jeruzalem niet is, dat de tempel er niet meer is, dat de godsdienstige
rituelen niet meer worden nageleefd, dat de heilige boeken niet meer
worden gelezen. De ernst van de situatie is, dat hier onrecht heerst,
de Romeinse machthebbers en hun handlangers de mensen uitbuiten, dat
het volk in sloppenwijken leeft, dat ze niet genoeg te eten hebben, dat
kinderen sterven van vervuiling en ziektes die in feite eenvoudig
genezen kunnen worden. En ik zei: “Weet je wat nodig is? Dat deze stad
opnieuw geboren wordt. Kon dat maar, een stad die nieuw en stralend
neerdaalt uit de hemel. Een nieuw Jeruzalem”.
Johannes keek strak voor zich uit. “Ik zie het voor me " zei hij, “een
stad Gods, mooi getooid als een bruid in de morgen”. We bleven een poos
stil, alsof we beide hetzelfde visioen zagen.
“Zou ik op mijn oude dag nog opnieuw geboren kunnen worden?” vroeg ik.
Johannes zei: “Vandaag is het begin van je nieuwe leven. Wat je fout
hebt gedaan in het verleden hoeft je niet te weerhouden om vandaag het
goede te doen. Er is vergeving van zonden, heeft Jezus gezegd.”
Ik vertelde Johannes van dat lied dat nog zo vaak door mijn hoofd
speelt: Dat wij volstromen met levensadem en weten eindelijk geboren.
We hebben het samen gezongen. Daarna is Johannes weggegaan, met de
belofte dat hij snel terug zou komen om me het hoofdstuk over mijn
gesprek met Jezus voor te lezen.
Enkele weken later schrijft Nicodemus in zijn dagboek:
Ik heb uitgezien naar het tweede bezoek van Johannes, maar hij is niet
gekomen. Vandaag ontving ik uit handen van een man een bundel papier.
De man vertelde dat Johannes door de Romeinse machthebbers uit de stad
is verbannen. Hij is op transport gesteld naar een eenzaam en ver
eiland: Patmos.
Ik ben gretig in de bundel papier aan het lezen gegaan. Het bevat het
hele verhaal van Jezus leven, sterven en opstanding. Voor en tussen de
verhalen heeft Johannes een aantal stukken toegevoegd waarin hij
beschouwingen geeft over de betekenis van Jezus.
Hij heeft dat in een prachtige stijl gedaan. Neem nou de eerste regel,
waarmee zijn geschrift begint: In den beginne was het woord, en het
woord was bij God, en het woord was God.
Het is of hij het eerste boek van Mozes over de schepping van de aarde
heeft willen aanvullen, voltooien. Natuurlijk heb ik snel gezocht naar
het verhaal over mijn gesprek met Jezus. Johannes heeft letterlijk
opgeschreven wat ik hem heb verteld. Maar hij heeft er een heel stuk
aan toegevoegd. Dat heeft hij opgeschreven alsof Jezus dat zelf tegen
mij heeft gezegd. Maar ik kan het me niet herinneren. Het moet wel
zo’n filosofische beschouwing van Johannes zelf zijn. Onbegrijpelijke
woorden, vind ik:
“Zozeer heeft God de wereld lief gehad dat hij zijn eniggeboren zoon
heeft gegeven opdat alwie in hem gelooft niet verloren zal gaan, maar
eeuwig leven zal hebben. Dat klinkt zeker nog wel hoopvol, maar dan:
Wie in hem gelooft wordt niet geoordeeld, wie niet gelooft is al
veroordeeld.” Dat klinkt veeleisend en bedreigend. Zoveel geloof te
eisen van mensen, op straffe van een veroordeling. Hoort dat ook bij de
liefdesboodschap van Jezus? Ik kan dat niet in overeenstemming brengen
met de hoopvolle gedachte dat het voor iedereen altijd mogelijk is om
vergeving van zonden te krijgen, een nieuwe mens te worden.
Ik zal de teksten doorgeven aan de groep hier in de stad die zich
christenen noemt. De tekst vraagt om nadere bestudering, uitleg,
interpretatie. Als dat maar niet een bron van onenigheid gaat worden
over de juiste betekenis van Johannes woorden. Ik weet hoe
schriftgeleerden zijn. Ik ben er zelf één geweest.
Al vijftig jaar denk ik na over deze bijzondere mens Jezus. Hoe hij was als mens voor mensen is onvergetelijk.
“Alwie in Hem gelooft zal eeuwig leven hebben” schreef Johannes. Ik
weet niet of ik genoeg geloof heb. Geloven, is dat misschien niet meer
en niet minder dan verlangen te zijn zoals Hij was?
Ik leef graag verder met het idee, de hoop van wedergeboren worden,
opnieuw beginnen, vandaag, morgen, elke dag, tot aan mijn dood,
misschien wel tot na mijn dood.
Zou je dat ook mogen hopen?
Dood zijn, en dat is dan “volgestroomd met levensadem, eindelijk geboren”?\
4e zondag in de veertigdagentijd (2009)
B-cyclus · Vasten · 4e zondag van de Vasten · roze