De zondagen van de vasten zorgen voor verplaatsing. Jezus neemt ons mee naar Galilea en Jeruzalem. We volgen hem in de woestijn, we gaan met hem de berg op in Galilea, we staan met hem op het tempelplein te Jerusalem, we beluisteren een nachtelijk gesprek in diezelfde stad. We zijn er terug op Palmzondag, wanneer Grieken naar hem toekomen. We volgen Jezus tijdens het Paastriduum op weg naar Golgotha om hem als Verrezen Heer te ontmoeten in de paastuin.
De evangelist Johannes vermeldt heel vlug dat Jezus naar Jeruzalem trekt. Hij situeert Jezus binnen de Joodse feesten. Bij hem trekt Jezus drie keer op naar Jeruzalem, terwijl Jezus bij de synoptici tijdens zijn openbaar leven slechts één keer opgaat naar Jeruzalem. Bij hen komt Jezus alleen op het einde in de tempel. Elk van hen meldt de spanningen die zich daar rondom Jezus voordoen. Bij Johannes treedt dit conflict al aan het licht, van zodra Jezus een eerste maal in Jeruzalem komt. Hij plaatst het vooraan in zijn evangelie, onmiddellijk na het eerste teken van Jezus in Cana, dat zo beloftevol eindigde (Jo. 2,12). De sfeer slaat vlug om. Johannes vervroegt wat wellicht maar later komt. Het uur waarover Jezus in Cana sprak, wordt al ingevuld. Zijn einde, dood en verheerlijking is al aan de gezichtseinder, wanneer hij in de tempel optreedt.
De tempel is een vast gegeven in de bijbelse geschiedenis. Het is de ruimte waar God woont en waar mensen samenkomen. Wanneer David zijn voornemen bekend maakt om een tempel te bouwen, is de profeet Nathan terughoudend. Hij zegt aan David dat Jahwe niet voor een stenen gebouw kiest. Het plan van David ligt hem niet. God wil een andere lijn. Hij wil langs mensen bij mensen wonen (ZJ. 540).
Salomo bouwt dan toch een tempel. Die krijgt een grote rol in het religieuze en politieke leven. Hij versterkt de eenheid onder de stammen. Politieke macht en religieuze macht ondersteunen elkaar.
De tempel waarin Jezus binnenkomt, is door Herodes herbouwd. Het is de derde tempel. Rond de tempel was veel bedrijvigheid. Het offergeld moest omgewisseld, want de tempelbelasting was een vaste Joodse munt. Er kon maar met één bepaalde soort geldstuk worden betaald. Er moesten offers gebracht. Lammeren en duiven moesten toch ergens worden gekocht. De handelaars rondom de tempel, ze duiken altijd op. Veel mensen leven van de tempel en het altaar. Jezus heeft eerbied voor de tempel en hij betaalt zijn tempelbelasting. Maar hij is eveneens kritisch. Al dat gedoe er rond stoort hem. Hij neemt de kritiek van de profeten over tegen de offers. God vraagt geen offers van dieren, maar hij wenst een zuiver hart van wie naar de tempel opgaat. Dit is de eerste bewegingreden in het optreden van Jezus. Jezus houdt van de tempel en wenst dat deze mag zijn wat hij moet zijn: een plaats van gebed. Met kracht en veel impulsiviteit onderstreept hij zijn woorden. Zijn optreden is niet zo vreedzaam, een man met de karwats. De ijver voor Gods huis zal ons begeleiden opdat tempels en kerken plaatsen van gebed zouden zijn.
Maar er is meer aan de gang. Jezus doet een uitspraak waarmee hij de waarde van de stenen tempel relativeert. Hij acht hem niet noodzakelijk. De tempel is niet onmisbaar. Israël heeft tijdens de ballingschap een uitzuivering meegemaakt. Het heeft veel moeten inleveren. Tempel en koningschap werden van hen weggenomen. Zo groeide een verinnerlijking in de godsdienstzin. Jezus voorziet dat de tempel kan en zal afgebroken worden. Jezus mikt niet op stenen. Alles wat wij opbouwen kan afgebroken worden. De tempel werd door de Romeinen verwoest in het jaar 70. Oorlogen hebben veel waardevols in kerken en moskeeën vernietigd. Terroristen dreigen met de verwoesting van religieuze gebouwen. De verminderde kerkpraktijk leidt tot sluiting van kerken en doet zoeken naar een herbestemming. In de Duitse diaspora, in Nederland, bij ons hebben mensen in twee generaties kerken zien bouwen en afbreken. De dominicanenkerk in Maastricht was een tijd fietsenstalling en is nu een grote boekenwinkel. Internet legt contact met een virtuele kerk, de mailkerk, een ‘echurch’, kerk zonder gebouwen.
Jezus spreekt van afbreken en terugopbouwen. Hij wijst op zijn sterven en verrijzen en zegt dat hij de nieuwe levende tempel is. “Hij heeft zichzelf vereenzelvigd met de tempel door zichzelf als de definitieve woning van God onder de mensen voor te stellen.” (KKK 586). Hij kondigt aan, dat wij overal de Vader kunnen aanbidden (Joh. 4,21).
Naderhand hebben zijn leerlingen begrepen dat Jezus gesproken had over zijn dood en verrijzenis. De herinnering aan zijn woorden werd een bouwsteen voor hun geloof. Herinneren verloopt over twee tijden. Elementen uit het verleden herleven en worden in het heden geduid. Wat niet werd opgenomen, kan niet worden boven gehaald. Wat je nooit zag of hoorde, kan je jou niet herinneren. Herinneren helpt om samenhang te ontdekken. “De opstanding maakt een herinnering los. En de herinnering bij de opstanding geeft betekenis aan woorden die ze eerder niet begrepen hadden en die nu weer in samenhang met heel de Schrift komen te staan. Het Evangelie probeert te laten zien dat Gods Woord, de Logos, verbonden is met de feitelijke gebeurtenissen” (J. Ratzinger, Jezusboek, p. 222).
De Schrift helpt om ons in het heden te oriënteren en thuis te komen bij Jezus, de levende Tempel.