3e zondag van de Veertigdagentijd – jaar B

B-cyclus · Vasten · 3e zondag van de Vasten · paars

3e zondag vasten 2015 Bjaar

We hebben daarstraks de 10 geboden horen voorlezen zoals we ze kennen uit Exodus. Ze klinken anders dan WIJ gewoon zijn. Dat men ze een beetje anders voor ons geformuleerd heeft was zeker met goede bedoelingen : ze rijmen en in die zin is het gemakkelijker om ze te onthouden. We spreken van de 10 geboden. 9 ervan zeggen : ge zult niet= verboden. Hoe we ze nu ook willen noemen, gebod of verbod, het klinkt nogal negatief, bestraffend, zoals de verkeerswet, als we een overtreding begaan (verkeerd parkeren) dan worden we beboet, gesanctioneerd. Het jammere is als we die 10 geboden zo gaan zien. Daarom spreken theologen de laatste jaren liever van richtlijnen, goddelijke adviezen, richtingsaanwijzers: ze hebben alleen de bedoeling te leiden tot leven en geluk voor alle mensen en dat kunnen we toch niet als negatief ervaren. En misschien springen we wel wat licht om met die geboden. We zeggen: ik ga iedere zondag naar de mis, ik steel niet, brand niet en moord niet, dus ben ik een goed mens en een goede christen. Eigenlijk zeggen die geboden veel meer dan dat. Die geboden zijn kernwoorden (vandaar dat men soms spreekt van de 10 woorden), ze zeggen veel meer dan we op het eerste gezicht denken. Die geboden, goddelijke adviezen worden in de Bijbel op andere plaatsen verduidelijkt, verduidelijkt door God of verduidelijkt de mens, vooral Mozes. Eigenlijk komen die geboden, richtlijnen, in de Bijbel voortdurend terug, in telkens een andere context, andere concrete situatie. Als God zegt: ‘Je zal geen andere goden hebben’, dan betekent dat veel meer dan een andere godheid kiezen: Boedha of Artemis of welke dan ook. Wat is voor ons ‘god’? God is diegene of datgene dat ons leven leidt, bepaalt. Zo is voor sommige mensen carrière, rijkdom, macht, genot, eigenliefde hun God, de centrale kracht die hun leven en levenswijze bepalen. Het zijn goden die leiden tot egoïsme, tot ‘ikke’ en de rest kan stikken. Als God zegt ‘ge zult geen beeld van mij maken’, dan gaat dat niet over beelden in hout of gips, maar: jij zal niet beslissen wie ik ben, wie ik voor jou moet zijn, wat ik moet doen. Een beeld is onveranderlijk, blijft altijd hetzelfde én….de maker of de kunstenaar legt erin wat hij wil, hoe hij die ziet. Je zult mij niet maken tot een god van persoonlijk succes, een god van alleen wonderlijke genezingen, een god die jouw wensen vervult. Ik ben wie ik ben: een god van liefde. En als de concrete situatie van mensen en de wereld verandert, dan moet ik ook de manier van liefde (niet mijn liefde zelf) maar mijn manier van liefde, van barmhartigheid, van nabijheid veranderen. Dat heeft ook Mozes en zijn volk begrepen. En daarom zeggen ze: wij gaan bepaalde dingen niet doen wat de naburige volkeren (de heidenen zeggen ze dan) doen om te tonen dat wij alleen onze god en niet hun goden volgen En zo zijn de ’reinheidswetten’ bij de joden ontstaan: concrete toepassingen in hun tijd en hun cultuur, zoals vóór het eten wassen wij onze handen volgens een bepaald ritueel, juist om ons te onderscheiden van de volkeren die andere goden aanbidden. Dat is tijds- en cultuurgebonden (en vele joden houden daar nu nog aan vast), maar het is een uiterlijk teken dat zij alleen Jahweh willen volgen en geen andere goden. Veel indringender is het volgende: in Mozes tijd moest het land na 7 jaar braak blijven liggen. Onze oude boeren (van vóór de mest werd uitgevonden) weten dat nog zeer goed. Zoals de mens één dag in de week moest rusten (zoals God rustte op de 7e dag en God zegt: je bent geen slaaf) zo moet ook het land dat ons van voedsel voorziet rust hebben, nieuwe kracht opdoen na 7 jaar.7e dag rust.Als we 7 vermenigvuldigen met 7 dan is is 49, na 49j moet ook alles opnieuw tot ordekomen. Daarom in het vijftigste jaar moet diegene die door honger zijn land heeft moeten verkopen, zijn land terug krijgen zodat hij opnieuw in zijn levensonderhoud kan voorzien. Als je broeder geld nodig heeft, help hem dan, maar vraag geen intrest want dan geraakt hij nog dieper in de schulden. Ik hoop maar dat je begrijpt wat die ’10 woorden’ in GEEST willen duidelijk maken: help mekaar, zorg dat er leven is, écht leven voor alle mensen. Die richtlijnen die door God ingegeven zijn, noemen zij én wij: de Thora. Dat is veel meer dan niet stelen en moorden en branden. Die goddelijke adviezen staan verspreid in de ganse Bijbel, zelfs in genesis. In het schep-pingsverhaal staat in de oorspronkelijke tekst NIET: de mens zal heersen over het land en alle wilde en tamme dieren, er staat: hij zal ze ‘herderen’. Die goddelijke adviezen vinden we in de ganse bijbel terug. Daarom zou ik het graag in het vervolg ook willen hebben over de Thora: Gods richtlijnen, wegwijzers die willen leiden naar leven, leven tenvolle voor ALLE mensen: de Thora. Jezus zei: ‘geen jota (een komma) van de Thora zal ik afschaffen, in tegendeel ik kom de Thora vervullen, wil zeggen: u voorleven hoe de Thora je helpt met Gods plan in deze wereld. Daarom: zieken (in die tijd uitgesloten uit de maatschappij!!!) haalt Jezus terug in de gemeenschap, het is geen straf van God en zij mogen onze goedheid voelen. Zieken zijn méér dan hun ziekte. Vele zieken sluiten zich op, want mensen gaan niet graag om met zieken. Jezus laat zien dat mensen méér zijn dan hun ziekte, dat ze ook nog mens zijn en ook nog willen meetellen in onze samenleving, dat er ook nog leven is buiten het ziek zijn. Daarom is een bezoek aan hen zo belangrijk, niet alleen dat ze mee tellen, maar ook om nog eens over iets anders te praten, om nog iets te weten over de buitenwereld. Jezus heeft speciale aandacht voor ‘weduwen en wezen’, dat zijn de armen in Zijn tijd. Pensioen is er niet, vrouwen gaan niet uit werken, vandaar dat ze geen inkomen hebben en aangewezen zijn op aalmoezen. Op zondag (zaterdag in Zijn tijd ) wordt niet gewerkt, maar als je een zieke kan genezen op zondag, waarom niet? God wil het beste voor allen. Hij ‘vervult’, hij DOET Gods richtlijnen.

Laat me toe even de band te leggen met Broederlijk Delen van dit jaar. God wil écht leven voor alle mensen, ook de armen, de ‘weduwen en wezen ‘ in Zijn tijd. Wat we nu zien in Peru is dat de boer opgeofferd wordt aan het groot kapitaal. Hun grond, waarvan ze moeten leven, wordt voldoende voedsel ontzegt, want de mijnindustrie (het groot kapitaal) heeft hun water nodig voor de mijnontginning. En het water dat de mijnindustrie vrij geeft, is vervuild zodat het niet meer kan gebruikt worden door de boeren. Toen Kaïn Abel had vermoord, kwam God en vroeg: ‘Kaïn waar is je broer?’ We zijn elkaars broers en zussen en verantwoordelijk voor elkaar. Ook nu vraagt God ons: ’Waar is je broer in de het Andusgebergte’? Behoed hem, je bent mee verantwoordelijk voor zijn situatie. Doe wat je kan.’

Zoeken in Preken Online