3e zondag van de Veertigdagentijd – jaar B

B-cyclus · Vasten · 3e zondag van de Vasten · paars

Homilie op de 3e zondag van de vasten: “Nieuwe uitbaters van de tempel” (Jo. 2, 13-25)

Tielt, 8 maart 2015

In de herfst van het jaar 2000 was er in Parijs een tentoonstelling over “Jezus en de mensheid”. Initiatiefnemer van die expositie was de Communistische Partij van Frankrijk. Een dertigtal al of niet gelovige kunstenaars gaven daar hun visie op Jezus onder het motto “Jezus behoort tot het cultureel erfgoed van de mensheid” en , - zo redeneerden de communistische initiatiefnemers,- Hij nam het altijd op voor de onderdrukte massa. Redenen genoeg om in het jaar 2000 na de geboorte van die bijzondere persoon een tentoonstelling te wijden aan kameraad Jezus, zoals Hij in de catalogus werd genoemd. In sommige ateliers werden gedeelten uit het evangelie uitgeplozen en soms ontdekte een kunstenaar in zichzelf sporen van het geloof uit zijn jeugd. Gelovigen en ongelovigen gaven er hun visie op kameraad Jezus.

Wat zou Jezus zelf van die tentoonstelling in het Parijse hoofdkwartier van de communistische partij gevonden hebben? Zou Hij er iets van zichzelf in herkend hebben? Ik zou het niet weten. Waarschijnlijk is Hij er 2000 jaar aan gewend dat mensen naar hartenlust allerlei beelden van Hem creëren. En wij weten ook van Hem dat Hij over het algemeen niet zo erg veel vertrouwen heeft in de voorstellingen die de mensen van Hem maken. In het evangelie hoorden we zojuist dat er in de stad Jeruzalem velen in Jezus begonnen te geloven omdat ze de wonderen zagen die Hij deed. “Maar Jezus van zijn kant had geen vertrouwen in hen”, schrijft Johannes, “omdat Hij hen kende. Hij wist wat er in de mens stak”. Heden ‘Hosanna’, morgen ‘Kruisig Hem’, luidt het in een protestants kerklied.

Jezus weet wat er in de mens steekt. Eigenlijk is het een klacht: de mensen geloven wel, maar het gaat niet zo diep. Het houdt geen stand wanneer het moeilijk wordt. Is die klacht van Jezus ook tegen ons gericht? Het antwoord op die vraag zou wel eens hard kunnen aankomen. Want wie van ons zit niet met vragen omtrent zijn eigen geloven? Vaak staat ons geloof immers op zo’n laag pitje en is het niet meer dan een waakvlammetje.

Op die tentoonstelling in Parijs over Jezus en de mensheid was ook het tafereel plastisch op een schilderij afgebeeld van Jezus in de tempel dat als titel droeg “Woedeaanval van Jezus”, dat we vandaag hoorden in het evangelie. Vanuit een knalrode achtergrond komt Jezus in een hagelwit kleed naar voren, klaar om in te grijpen. De ene helft van zijn gezicht is groen, de andere helft geel. Marktkramers en tafels van geldwisselaars zie je niet op dat schilderij. De maker ervan had het goed aangevoeld. Want die eenmansactie van Jezus was niet tegen de marktkramers en geldwisselaars persoonlijk gericht, maar was op de eerste plaats een frontale aanval op de hele tempelcultus op zichzelf. Daaraan ergerde Jezus zich groen en geel.

De actie van Jezus heeft een diepe symbolische betekenis.

Het doet me denken aan het bordje dat je soms ziet aan het venster van een herberg, nl. “Nieuwe uitbater”. Daarbij denk je: een café is toch een café, het is toch om het even wie er bier serveert. Maar, wat mogelijk is voor grote anonieme magazijnen, winkelcentra, enz… waar het niemand kan schelen wie daar nu chef of directeur is, is niet meer mogelijk waar het anonieme niet kan en ook niet mag. Daar is de uitbater de ziel van het huis, het hart dat klopt. Zo begrijp ik een beetje Jezus’ ergernis en colère in de tempel van Jeruzalem. De tempel had nieuwe uitbaters gekregen, of beter, men had ervoor gezorgd dat de ziel van het huis verdwenen was en die ziel moest Jezus zelf zijn. De rechtmatige uitbater kon niet meer bereikt worden, het gebed was verzand in het geroezemoes van een markt. Wat heilig was, was ontheiligd en ontzield, profaan. Dat is het lot van alles wat met de doem van ontzieling bedreigd wordt.

Daarover valt na te denken. Is de ziel van een school gered omdat die de naam draagt van een heilige, ofschoon dat nu veelal niet meer het geval is? Is een ziekenhuis of rustoord een christelijk zorgcentrum omdat de organisatie klopt? Straalt een klooster of abdij een wijding uit om het er stil is? Ontroert een huwelijksbelofte omdat de bruid zo mooi gekleed is? Heeft een kerk een ziel omdat het een mooi gebouw is? Heeft een gezin een ziel als alles in dat huis staat wat er moet staan? Zo veel vragen, zo veel antwoorden die met niets anders te maken hebben dan met de ziel, de sfeer, het echte, waarmee we in dingen en mensen van doen hebben.

Jezus stelt zichzelf voor als de nieuwe uitbater, waarrond mensen zich voortaan verzamelen. Hij wordt zelf de tempel die niet ontzield kan worden. Pas dan kunnen mensen hoop en kracht putten uit het geloof en Hem.

Op het plein waar in Parijs de tentoonstelling van de communistische partij over Jezus in 2000 gehouden werd, stond een roestvrij stalen beeld van de verrezen Christus van drie meter tachtig hoog. De mensheid kan ook thans wellicht kracht putten uit het geloof in Hem. Hadden de communisten bijna een eeuw lang geprobeerd de herinnering aan Jezus uit te wissen, in het jaar 2000 blijken ze zelfs door de verrezen Christus gefascineerd.

Dat is de vraag die jezus vandaag aan elk van ons stelt als Hij de marktkramers uit de tempel verdreef: “Zijn wij vandaag door Jezus geïnspireerd in wat we denken en doen?”

Gabriël Buyse, pastoor-deken em. Tielt

.

Zoeken in Preken Online