2e zondag van de veertigdagentijd (2003)

B-cyclus · Vasten · 2e zondag van de Vasten · paars

Om te beginnen wil ik u een tekst voorlezen die ik onlangs tegenkwam. Die tekst gaat als volgt:
Wie loslaat krijgt meer terug dan hij losliet. Geef en u zal gegeven worden, zegt de Schrift, zaai en vruchten krijg je, honderdvoud. We liefde geeft, krijgt liefde terug; wie vertrouwen geeft, wordt vertrouwd; Wie vriendschap geeft, is nooit alleen. Maar ook het omgekeerde is waar: Wie liefde eist, krijgt haat; Wie vertrouwen verordent, wordt gewantrouwd; wie vriendschap claimt, wordt met de nek aangekeken. Op de belangrijke dingen van het leven heb je geen recht, je krijgt ze, van mensen, van God.
Tot zover die tekst en ik vond het een heel behartigenswaardige gedachte. Tegenwoordig wordt er juist zoveel nadruk gelegd op je rechten, en je rechten moet je opeisen. In een aantal zaken is dat misschien correct, maar als het gaat om fundamentele dingen van het leven, om de zaken waar je levensgeluk van afhangt, dan hebben we geen rechten, dan hebben we niets te eisen, maar alleen te geven.
Je kunt nooit tegen een ander zeggen: ik heb recht op je vriendschap, op je liefde, op je vertrouwen. Die waarden kun je alleen verwerven als je ze eerst zelf geeft. Zelfs dan heb je nog niet de garantie dat je ze ook terug krijgt, jammer genoeg blijft het soms een eenrichtingsverkeer maar zonder het zelf eerst te geven, krijg je het zeker niet.
En dat geven van vriendschap, liefde, vertrouwen, kan heel wat van ons vragen. Het kan betekenen dat je veel moet loslaten, van jezelf, van je verwachtingen, en ook van je zogenaamde rechten.
Neem bijvoorbeeld Abraham, de hoofdpersoon in de eerste lezing. Hem was beloofd dat hij stamvader zou worden van een groot volk. En dan vraagt God van hem zijn enige zoon te offeren, m.a.w. weg dromen, weg belofte. Abraham was echter bereid het liefste en dierbaarste wat hij bezat te offeren, los te laten, te geven, om Gods vriendschap te verwerven. God vraagt natuurlijk geen mensenoffers om zijn vriendschap te geven. Maar het loslaten van iets dat je dierbaar is kan heel ver gaan.
Neem bijvoorbeeld ouders. Ouders zijn automatisch geroepen om veel liefde te geven aan hun kinderen. Maar die liefde kan ook vragen dat zij op een gegeven ogenblik hun kinderen loslaten, hun de ruimte geven hun eigen leven te gaan leiden, hun eigen weg te gaan, ook als die ingaat tegen de hoop en verwachtingen van hun ouders. Maar kinderen dwingen helemaal te beantwoorden aan hun verwachtingspatronen, aan wat zij belangrijk vinden, dat resulteert in feite meestal in hun liefde en genegenheid verliezen.
Neem ook Petrus en zijn metgezellen. Ze dromen van Jezus’ koninkrijk, en zichzelf op belangrijke posten, en daar op de berg ervaren ze iets van de glorie van hun koning. Geen wonder dat ze daar wel willen blijven. Maar ook zij moeten die droom loslaten, ze moeten de berg weer af, het gewone leven in, om met moeite en zwoegen dat koninkrijk van Jezus nabij te brengen. En juist door dat te doen zijn Petrus en zijn metgezellen de grondleggers van Gods volk op aarde.
Wij allemaal verlangen naar vriendschap, naar liefde, naar geluk. Maar ook voor ons geldt dat we het eerst zelf moeten geven, en het maakt dan niet uit of je jong of oud bent, gezond of ziek en gebrekkig. Willen we gelukkig zijn, dan moeten we veel kunnen loslaten, van onszelf, onze verwachtingen, ons gemak. Maar wie loslaat, krijgt bijna altijd meer terug dan hij losliet.

Zoeken in Preken Online