Homilie op Pasen (5 april 2015): Het verhaal van doodgewone mensen, een verhaal van zien, inzien en geloven (Jo. 20,1-9)!
Tielt, 5 april 2015
Is het je niet opgevallen dat het in het paasevangelie van Johannes nauwelijks over Christus gaat? Het gaat over Maria Magdalena en een paar apostelen, die in hun verwarring haastig zichzelf als het ware voorbijlopen. Het gaat over schrik, teleurstelling en aarzelend geloof. Maar niet over Christus. Je zou toch verwachten dat Hij op Pasen in het middelpunt van de belangstelling mag staan. Het is een verhaal, niet over Christus, maar over drie nabestaanden van Jezus: Maria Magdalena, Petrus en Johannes. En het gaat vooral over wat zij zien. Het woord “zien” komt opvallend vaak voor in de tekst. Over dat “zien” zou ik vandaag iets willen zeggen. Een beetje betweterig, zoals predikanten dat kunnen. Ik hoop dat niemand me dat ten kwade duidt.
Voor dat “zien” gebruikt het Grieks drie verschillende woorden.
Maria Magdalena was een beste vriendin van Jezus. Hij had haar, zo staat er in de Schrift, bevrijd van “zeven duivels”. Erger kan het niet. Zij zag enkel dat het graf geopend was en ze dacht dat dieven Hem gestolen hadden. Haastig en paniekerig liep ze naar Petrus en Johannes om dat nieuws te vertellen.
Zo zijn er in ons midden ook nu nog veel Maria Magdalena’s: mensen die oppervlakkig kijken naar wat er gebeurt rondom hen. Misschien omdat ze altijd zo opgejaagd en gestresseerd zijn en de kunst niet verstaan van de “onthaasting”. Kardinaal Danneels heeft er een vijftiental jaren geleden zijn paasbrochure over geschreven. “Vlug” is het paswoord van onze samenleving. “Hou het kort”, vragen regisseur en journalist bij een T.V.-interview. “Schrijf bondig, anders leest niemand je”, is een vuistregel van de pers. “Wil je slagen, neem je concurrent in snelheid”, zegt de zakenman. Er zijn cursussen in snellezen: dat verhoogt de efficiëntie. “Klik en surf”: je moet niet te lang op één website blijven hangen; er zijn duizenden links te maken vol verrassingen. Internet is de nieuwe naam voor nomadisme. We zijn elektronische zwervers geworden: altijd op reis, nooit rustig. Zelfs niet als we met vakantie gaan. Ook dat wordt een ware marathon. Die begint al op de autoweg naar de rust: lekker ontspannen in de file van 80 Km. om twee weken te liggen bruinen in de zon, een week voor de voorkant en een week voor de achterkant. Uiteindelijk is de camping in zicht! Een verschroeide, platgelopen weide met nog juist die éne spar om je tent onder op te slaan: een echte boom des levens in het vakantieparadijs. En dan maar luieren op je badhanddoek op een overvol strand, waar je niet meer weet wat je ruikt: de zee of de zonnebrandolie! En verder een transistor onder elke luie stoel. Wat een ontspanning!
Al die haast en drukdoenerij zijn er de oorzaak van dat je niet meer leeft, maar geleefd wordt: een drama en oorzaak van oppervlakkigheid.
Wees niet zo gejaagd als Maria Magdalena op die paasmorgen. En staar je ook niet kapot op trieste ervaringen: een tegenslag in je bedrijf, een gestrande relatie, een kind of kleinkind dat het leven niet aankan, het gemis na het overlijden van een dierbare. Wie zich blind staart op die goede-vrijdagervaringen, raakt eenzaam, verdrietig, zelfs verbitterd. Dan word je een mens met enkel verleden, zonder toekomstverwachting. Dat is erg.
Je moet een stap verder durven zetten. Doen wat de nuchtere Petrus deed. Bij hem groeiden er vragen en inzicht bij wat gebeurd was. Zijn zien was, zoals er staat in het Grieks: nadenkend kijken. Hij nodigt ons uit om nooit te verzanden in oppervlakkigheid, om af en toe rustig na te denken bij wat er in de wereld en in ons leven gebeurt, over wat er ons bezielt, over al wat er ons kroont of kruisigt in ons werk, ons gezin, onze inzet voor anderen. Nadenkend kijken. Niet zozeer om onmiddellijk een pasklaar antwoord te vinden op al onze vragen. Dat vond ook Petrus niet. Maar hij was op zoek naar inzicht. Tijd maken voor dat eerlijk zoeken is een eerste stap naar bevrijding en uitzicht.
Tenslotte moet je ook de weg van Johannes gaan: “Hij zag en geloofde”. In het Grieks staat er: “Hij zag en raakte helemaal doordrongen”, vervuld van echt geloof en vertrouwen. Dan kom je tot de zekerheid dat elk goede-vrijdagverhaal een paasverhaal kan worden: dat uit de miserie van de ontrouw het verlangen groeien kan naar de geborgenheid in de trouw, dat de rouwsluier van angst die over onze hoop hangt kan weggetrokken worden, dat ruzies kunnen bijgelegd worden zelfs na vele jaren en vooral dat de dood niet het laatste woord heeft. Pasen is het feest waarop de tranen worden gedroogd: de tranen van het weeskind in Afrika, de tranen van de partner die in de steek werd gelaten, de tranen van de man die zijn werk verloor of van de bedrijfsleider die vreest dat hij zijn bedrijf zal moeten sluiten omdat het niet meer rendeert, de tranen van het zwarte kind dat werd afgewezen op de blanke school, zoveel tranen die in stilte worden geschreid.
Pasen vieren is geloven dat het leven bestendig is het maken van een schilderij en dat je altijd je kleuren met licht mag mengen.
Dan word je echt een verrijzenismens. Dan word je ook een licht in het kleurloze bestaan van zoveel mensen om je heen.
Dan wordt Pasen een boeiend feest: een hoopgevend verhaal van doodgewone mensen! Een feest waar de verrezen Heer toch centraal staat!
Ik wens elkeen van harte de vreugde van Pasen.
Gabriël Buyse, pastoor-deken em. Tielt