Een van de meest ontroerende dingen die een mens kan overkomen is dat iemand voor jou bidt. Je kan een prachtig gesprek hebben met iemand, maar als iemand jouw blijdschap, dankbaarheid, of jouw zorgen en verdriet en wanhoop in gebed bij de Eeuwige, je God, neerlegt, dan gebeurt er iets anders. Dan is er iemand die jouw leven even een stukje oppakt, meepakt, en draagt tot voor Gods aangezicht. Je stelt je wederzijdse relatie in een andere dimensie die soms het menselijke te boven gaat.
Vandaag bidt Jezus voor zijn leerlingen. Niet zomaar een gebed, maar een gebed dat ze het vol mogen houden wanneer ze zelf moeten getuigen van hun geloof.
Jezus bidt hier voor zijn mensen, voor de wereld, voor ons. Hij bidt dat wij in de Waarheid blijven, dat wij elkaar vasthouden. Hij bidt voor éénheid. Hij bidt voor ons dat wij behoed worden tegen de macht van het kwaad. Niet, dat wij geen kwaad tegen zullen komen. Dat vraagt Jezus niet. Dat zou ook niet kunnen. Maar wel dat het kwaad ons niet zal overmannen.
Misschien kent u het verhaal van Siddharta wel. De latere Boeddha. Hij leefde in een beschermde wereld. Zijn vader wilde ten alle tijden vermijden dat Siddharta in aanraking kwam met het kwaad en de ellende in de wereld. Alleen alles wat mooi, gaaf en jong was, mocht in de nabijheid van Siddharta komen. Maar het was een illusie van deze vader om een zoon daartegen te beschermen. Een mens zál immers hoe dan ook de wereld van een andere kant ervaren. En dat kan je overrompelen. Je lamslaan, en dán loop je het risico er in onder te gaan.
Toen Siddharta uiteindelijk toch met het kwaad en de ellende in aanraking kwam was hij diep bewogen. Het heeft hem zijn hele verdere leven beziggehouden en het maakte hem tot de Boeddha met zijn visie hoe om te gaan met het lijden van de mens. Hoe kun je dat; ontroerd zijn, begaan, zonder dat het je van jezelf afbrengt. ]
Dat is wat Jezus voor ons bidt. Hij vraagt zijn Vader niet, om ons uit de wereld weg te nemen. We zijn in de wereld, en daar horen we ook. Maar we zijn niet ván de wereld, het kwaad. Zo bidt hij voor ons. De wereld mag ons niet onbewogen laten. De mensen, goed en kwaad, zullen ons raken, altijd weer. Maar daarin mogen we onszelf niet verliezen waar het gaat om het verbond met de Vader.
Het is de kern van het gebed van Jezus. Dat wij door alles wat wij meemaken niet van de God de Vader afraken. Zijn diepste verlangen voor ons is dat wij elkaar vasthouden, en daarin ook de Vader. Want dan zullen we onszelf niet verliezen.
Ik vraag me af of er grotere woorden van troost zijn dan dit gebed, op het moment dat je alle houvast denkt kwijt te zijn.
Want dat is de situatie waarin wij vandaag met de leerlingen verkeren. Het is vandaag “wezenzondag”. De zondag waarop we het zonder Jezus moeten stellen, want donderdag is Hij ten hemel gevaren. Maar de heilige Geest die Hij ons heeft belooft laat nog even op zich wachten. Verweesd, zonder leider, zo lopen de leerlingen rond. Ze hebben Jezus nog gezien, in Jeruzalem, Jeroesj Sjalom, de stad van vrede. En Hij heeft hen meegenomen naar Betanië: Beth Ani, het huis van de armen. Dáár moet je wezen, dáár moet je getuigen van al wat Jezus heeft geleerd, met het droombeeld van een stad van vrede voor ogen. Alles is gezegd, alles is gedaan. Het ligt nu in hun handen om verder te getuigen. En dan verdwijnt Jezus voor hun ogen. Je kan de pijn en de verslagenheid bijna voelen, zoals zoveel mensen zich verlaten voelen in deze wereld.
Het is de rauwe wekelijkheid van deze zondag tussen Hemelvaart en Pinksteren in. God, waar ben je? Jezus, waar ben je? Geest, kom je nog? Maar de heilige drie-eenheid lijkt een paar snipperdagen opgenomen te hebben. De leerlingen, zo volwassen als ze al waren, staan verweesd als ouderloze kinderen. Wij staan er als gelovigen, liturgisch gezien vandaag één zondag alleen voor. We zijn in het kerkelijk jaar even op ons zelf aangewezen. Het is vandaag leven tussen herinnering en toekomst. En nu wordt het spannend.
Wat moet je met die ervaring dat je God soms níet ervaart? Dat Hij een God is in het verborgene? De grote vraag, de grote afwezige? Als de last te zwaar is om te dragen op je schouders. Op het moment dat je denkt dat je níet genoeg kracht krijgt om jouw kruis te dragen. Dan wordt de roep van de psalm mijn eigen roep: “God, waar bén je nou? Juist nu ik je zo hard nodig heb. Nu ik het niet meer zo goed weet. Nu de toekomst een groot, leeg donker gat is. En het verleden een mooie of pijnlijke herinnering.
Het is de vertwijfeling die mensen soms zo parten speelt. De spanning tussen een gelovig vertrouwen en de eeuwenoude vraag: maar waarom heb ik dan het gevoel dat ik er alleen voor sta?
Talloze malen heb ik mensen die vraag al horen stellen. Soms boos op die afwezige God, maar nog veel vaker zo aarzelend. Want mag je die vraag wel stellen als gelovig mens? Geloven is toch vertrouwen dat God er is? Altijd en eeuwig? We geloven toch dat God ons Heil is? Is er wel ruimte om eens niet te geloven?
Ervaren dat je God soms niet ervaart is zo oud als de bijbel zelf. Het volk Israël werd eerst glorieus bevrijd uit Egypte, maar de weg naar het beloofde land is lang, en midden in de dorre, droge woestijn, als ze het moeilijk hadden hebben ook zij geroepen: “God, waar ben je nu toch?” Of denk aan de profeet Elia, die doodmoe bij een braamstruik ging liggen en zei: “het is genóeg geweest Heer. Ik kan niet meer! En ik kan het niet alleen”.
Kennelijk is dát het verhaal van de mens. In de wanhoop en diepe dalen van je bestaan leer je wat léven is. Wat het leven je geeft, wat het leven neemt, en waar je staat. Het is het moment waar het op keuzes aankomt, op wat ik als mens belangrijk vind en wat niet.
Het is het onvermijdelijke gevolg van op eigen benen staan.
Wat zou het makkelijker zijn geweest als de Geest direct op Hemelvaart was neergedaald. Dan was er geen wezenzondag. Geen vacuüm. Maar juist de breuk in de tijd, het stilstaan tussen wat is geweest en wat gaat komen, zet je op het spoor van je eigen leven.
Negen dagen krijgen wij de tijd om even met lege handen te staan. Negen dagen de tijd om open te worden voor wat gaat komen. Negen dagen om een plek te maken in ons hoofd, in ons hart, in onze ziel, om de geest van Pinksteren straks een landingsplaats te kunnen geven.
Jezus besluit zijn gebed met de woorden dat hij de naam van de Vader aan ons bekend heeft gemaakt. Die naam van de Vader - hij betekent niets anders dan “Ik zal zijn”. Hij heeft de naam van de Vader bekend gemaakt in zijn eigen doen en laten. Hij heeft getuigd van die naam, door gerechtigheid te doen, mensen récht doen. Door barmhartigheid, en mensen tot rust laten komen. Door te zijn. En zijn sleutelwoord? Het is de Liefde, elke keer weer.
Als wij dan weer om wat voor een reden dan ook, verweesd rondlopen op deze aarde, moge dan dit gebed van Jezus ons tot troost en bemoediging zijn. Mogen wij bidden voor elkaar. Tot de Geest over ons komt.
Amen