Dat kan toch helemaal niet: klaar staan voor iedereen, tijd hebben, geduld, medelijden….
Dat is toch van vroeger, toen wij ‘goede daden’ deden tot wiens eer dan ook….
Van mensen houden zonder dat ik ze in mijn macht heb, iets van ze verwachten mag? Dat is toch van vroeger, toen wij ’elkaar beminden’ tot wiens eer dan ook…
Dat kan toch helemaal niet: andermans onmacht delen, je zwakheid tonen en kracht ontvangen die als bevrijding over je komt?
Dat is toch van vroeger toen wij ’elkanders lasten droegen’ tot wiens eer dan ook…
Er was er één die zei dat het kon,
die niet anders kon en ermee begon! (tekst van Henk Jongerius).
“Laten wij elkaar liefhebben, want de liefde komt van God”, dat is in één zin samengevat wat Johannes ons vandaag wilt zeggen. En dan heeft hij het over hele concrete dingen: klaar staan voor iedereen, tijd hebben, geduld, medelijden.
Jezus was de man die zei dat het kon, die zelf niet anders kon en ermee begon:
Hij ging om met melaatsen en tollenaars, hij liet zich aanraken door onreine mensen, hij veroordeelde de overspelige vrouw niet. Hij haalde zich de woede van de priesterklasse op de nek omdat hij de mens boven de wet stelde; omdat hij geboden negeerde als de concrete situatie dat vroeg, zoals de sabbathplicht. Hij ging zelfs nog verder; de liefde die hij wilde uitdragen moest de hele wereld op zijn kop zetten, moest alle scheve verhoudingen weer recht zetten: tussen rijk en arm, tussen gezond en ziek, tussen oud en jong, tussen slaven en dienaren. Hij leefde een wereld voor waar iedereen meetelde en even veel waard was, omdat iedereen een kind van God is, omdat iedereen door God bemind wordt. Daarom waste hij zijn leerlingen de voeten; daarom wilde hij door de knieën gaan voor zijn vrienden; daarom kwam hij Jeruzalem binnen op een ezel; daarom heeft hij al die vernederingen voor zijn dood doorstaan.
Dat was ook de kracht, die hij uitstraalde naar de mensen die hij ontmoette en die kracht en liefde hebben de eerste volgelingen ook uitgestraald. Dat was, denk ik, ook het succes van die eerste christenbeweging, zoals uit de eerste lezing blijkt. Het enthousiasme moet ervan af gestraald hebben, want iedereen verstond zijn woorden. De taal van het hart heeft geen last van taalgrenzen. De communicantjes zingen morgen op het eind een ’liedje zonder woorden’. Daarin zingen ze: “wat kun je met muziek toch veel bereiken, het brengt de mensen dichter bij elkaar; ministers staan met open mond te kijken, want hen lukt dit nog niet in honderd jaar”. Wat geldt voor de taal van de muziek, geldt nog sterker voor de taal van de liefde. Als er iets is dat mensen kan verbinden, is het wel de liefde. Maar dan ook heel concreet: voor de collectant aan de deur, de zwerver in de stad, de brievenactie voor gevangenen, geduld voor tragere deelnemers in het verkeer, ruimte voor bezinning of gebed, een open gesprek met de oudere of jongere generatie in je huis, en zo zijn er talloze voorbeelden waarin dat ‘gebod van de liefde’ geen vrome praat blijft.
We hoeven geen heiligen te worden. Dat vraagt niemand van ons. Integendeel.
Johannes zegt zelfs: niet wij hebben God liefgehad, maar Hij heeft ons lief. Dus nog voordat wij ons hoeven te bewijzen. Zoals ouders van hun kinderen blijven houden, wat zij ook doen en ook al maken zij andere keuzes. Ouders houden onvoorwaardelijk van hun kind. Zou het niet geweldig zijn als wij een kerk zijn van mensen die zo met elkaar kunnen leven: met liefde en respect voor iedereen, iedereen evenveel waard en even inzetbaar. Geen onderscheid op grond van man-vrouw zijn, gewijd of ongewijd, geleerd of handvaardig. Gewoon samen op weg naar die ‘wereld omgekeerd’, naar een hemel op aarde voor iedereen. Gewoon, omdat er Eén was die zei dat het kon, die niet anders kon en ermee begon….
Amen.