Mijn ouders die ik op Koninginnedag bezocht hadden dezelfde reactie als ikzelf op het nieuws uit Apeldoorn. Ook zij hadden ervoor gekozen om nog maar even niet naar de televisie te kijken. Daar wachten we nog maar mee tot vanavond hadden zowel zij als ik gedacht. En van de week begreep ik uit de krant[1] dat voor de ouders van Karst T. hetzelfde gold. Zij, de ouders van de 38-jarige man uit Huissen die in een gemoedsgesteldheid die misschien een mengeling was van diepe frustratie, razernij en verstandsverbijstering ínreed op de mensen die naar de Koninklijke optocht stonden te kijken; ik begreep uit de krant dat zijn ouders op de vrijmarkt liepen en tegen elkaar gezegd hadden: ‘We kijken thuis wel naar het nieuws." Ook zij wilden de ellende nog even van zich weghouden. Maar toen belde om vier uur hun andere zoon: “Het lijkt erop alsof Karst degene was die de aanslag gedaan heeft.” Ja, en daar sta je dan als ouders… “Hij moet op dat moment gek zijn geweest”, zegt zijn vader. “Dit was niet de Karst die wij kennen. ik herken in deze daad niets van het jong dat hij ooit was.” Zij vonden hun zoon “attent en lief’. Vrienden en relaties had hij niet, maar met zijn ouders, broer en twee zussen had hij volgens hen innig contact. ‘We waren altijd een happy family” zegt Karst zijn vader. Twee weken terug was zijn moeder jarig. Karst had gebeld. “Het was een heel goed gesprek” zegt zijn moeder. “Het was de laatste keer dat ik zijn stem heb gehoord. En ik heb het niet gehoord. Ik heb het niet gemerkt. Heb ik iets gemist?” Díe laatste vraag maalt door haar hoofd.
Het krantenbericht ráákte mij. Het raakte mij vanwege de onverwoestbare trouw van de ouders aan hun zoon die eruit spreekt. Wat hij gedaan heeft is verschrikkelijk. ‘we zaten in het ziekenhuis bij hem en realiseerden ons dat overal in het land mensen in ziekenhuizen zaten, die allemaal hetzelfde hadden. En dat heeft onze zoon gedaan." Dat mag zo zijn. Maar Karst’ ouders verloochenen hem niet. Zij blijven trouw aan hun eigen ervaring. Hij was attent en lief. Ook dát was hij. Ook dat was hij écht
Waarom spreek ik hierover? Vanwege het evangelie. Daarin gaat het vandaag om verbondenheid, verbonden-zijn. Het beeld van de wijnstok. “Los van Mij kunnen jullie niets.” Nee, ook als mens moet je geworteld zin, precies zoals de bomen en de planten in de aarde. Wat, wie is voor ons de aarde mensen? In wat, in wie ben jij geworteld? We weten: een tak of een bloem, hoe mooi ook, afgesneden van de stam of de steel, blijft hij nog éven goed, maar dan verdort en verwelkt hij. En is het met mensen niet precies zo? We komen aan ons einde, op Bevrijdingsdag, vijfentachtig jaar oud, ’s avonds in een stoel in de huiskamer zoals Nelly Engel óf in de kracht van het leven midden op straat op een stralende, zónovergoten Koninginnedag. Het leven is eruit. Men legt je lichaam in een kist. Men mag je nog zien of niet meer. De kist blijft nog open of gaat al dicht. Je wordt weggebracht. Je stoffelijke resten worden begraven of verbrand, als een tak.
Is dat het? Is dat alles?
Nee mensen, ik denk: er is méér. En dat er meer ís, dat merk je precies door hoe mensen als de ouders van Karst T. spreken over hun zoon. Zij spreken de taal van de liefde. Hij mag gedaan hebben wat hij heeft gedaan en dat is verschrikkelijk. Met geen woord valt dat goed te praten en dat doen ze ook niet. Hoe zouden ze kunnen? Maar tegelijkertijd is er geen spoor van twijfel in hen en haperen en wankelen ze niet als ze spreken over hun zoon. Hij was attent en lief. Dát is hun ervaring. Dat is hun overtuiging en die staat voor hen zo vast als een huis. Dat blijft voor hen staan en dat neemt niemand hen af en daar komt ook niemand aan. De taal van de liefde. De liefde is het reservoir waar wij uit putten. De liefde is ónze aarde. Daarin zijn wíj geworteld. En de liefde is God. En die liefde houdt bij de dood niet op. Die liefde gaat gewoon dóór, bíjna alsof er niets gebeurd is soms.
Neem nou Nel Engel. Aan het eind van elke middag kwam ze van de Jozef Israëlskade hier naar het avondgebed. Vaste prik. En altijd blij om je te zien, altijd strálend. En op 5 mei zegt ze terwijl ik het hek van de kerk afsluit: “Ik voel me niet zo lekker. Ik ga meteen naar bed. Dus als ik er morgen niet ben, dan weet je wat er aan de hand is.” En de volgende dag hoor je: Ze is gestorven. Mensen, dat is zo onwerkelijk. En in zekere zin ís het ook niet wáár. Want Nel zit in mij. Ze blijft mij bij. En ze blijft bij mij. Ze maakt deel uit van mijn persoonlijke rijkdom van mensen die je iets gegeven hebben, mensen door wie de liefde die God is tot je is gekomen en dat gáát niet, dat gaat nóóit voorbij - zelfs niet wat Karst T. betreft. “Kinderen, wij moeten niet liefhebben met woorden en leuzen, maar met daden die waarachtig zijn” schrijft de apostel en evangelist Johannes in zijn eerste brief waaruit wij vandaag hoorden voorlezen. Nou, Karst T. heeft zijn moeder gebeld op haar verjaardag. Ze was er blij mee. Het was een fijn gesprek, het laatste dat zij met hem voerde. Ik denk: dat was een daad van waarachtigheid van Karst, dat telefoongesprek. Dus misschien mag ook híj wel voor God verschijnen met een gerust hart, óók als dat hart hem veroordeelt - en daarvoor is natuurlijk ook in zijn geval alle reden. Maar, zo schrijft Johannes, “God is groter dan ons hart en Hij weet alles.” God weet dat Karst acht mensen plus zichzelf de dood heeft ingejaagd, dat hij vele mensen ernstig heeft verwond en heel veel mensen in diepe droefheid en rouw heeft gestort. Maar God weet ook dat Karst nog zijn moeder heeft gebeld op haar verjaardag. Moge het voor haar, op deze Moederdag, nog een troost zijn. En mogen wij allen in God verbonden zijn en blijven. Amen.