Woord van welkom
Op deze zondag van de Goede Herder wordt door Jezus ons duidelijk gemaakt dat het zijn opdracht is om mensen de Vader te leren kennen. Zijn herderschap voert ons naar het mysterie van God. Het is verleidelijk om aan dit mysterie voorbij te gaan en zich slechts bezig te houden met het zichtbare, met het materiële of met de dagelijkse zorgen van de samenleving. Er is genoeg dat onze aandacht vraagt; de aanslag in Apeldoorn, de Mexicaanse griep, economische crisis. Dat zijn zaken waar we een mening en een oordeel over kunnen vormen, maatregelen kunnen nemen.
De vraag die ons hier bezig houdt, grijpt dieper en is de vraag naar de mens zelf. Wat betekent mens zijn wanneer we angstig zijn door geweld dat een feest kan verstoren, wanneer we ongerust zijn vanwege ziekte en economische tegenslagen?
De Goede Herder wil ons doen delen in de bron van het leven. Dit leven stijgt uit boven de onzekerheden van ons dagelijks bestaan. De Goede Herder roept ons op om ons opnieuw te wortelen in de liefde van de Vader zelf. Mogen wij in deze eucharistie gevoed worden door zijn aanwezigheid in Woord en Sacrament.
Homilie
Het priesterschap wordt in onze kerk omschreven als herderschap. Het is de taak van de priesters om als herders leiding te geven aan de kerkelijke gemeenschap en aan de gelovigen. Ieder instituut heeft leiders nodig: mensen die bepalen welke richting de mensen die erbij horen, uit moeten gaan en welke richting het instituut zelf moet gaan. Of het nu om een vereniging gaat, een bedrijf of om een land: er dienen mensen te zijn die de marsroute aangeven. Het leiderschap in de kerk, het herderschap heeft als basis van die leidinggevende taak een bijzondere, namelijk een sacramentele basis. Dat betekent dat zij dit niet aan zichzelf ontleent, maar aan God.
Dit is van belang omdat de kerk zelf ook niet simpelweg een instituut is dat zichzelf heeft uitgevonden, maar zij is geroepen door God. Zij is zelf sacrament om aan de opdracht gestalte te geven die Christus aan zijn leerlingen heeft gegeven. De kerk bewaart die opdracht en geeft die steeds weer door aan een nieuwe generatie en aan nieuwe mensen die geraakt worden door de boodschap van het evangelie. Die opdracht is de nabijheid van het Rijk Gods te verkondigen, of om het met andere woorden te zeggen: teken te zijn van Gods inwoning in de mensen en in heel de mensheid.
Dit geheim heeft Christus willen openbaren aan zijn leerlingen. Op de eerste plaats zegt Hij: “Wie mij ziet, ziet de Vader.” Het is eigenlijk een onmogelijke uitspraak: kunnen God en mens elkaar wel zo nabij komen dat God zichtbaar wordt en de mens zelf toch overeind blijft? Dat is precies het geheim van Christus: Mensenzoon en Gods Zoon. Het blijkt uit het leven van Jezus dat God zijn woning heeft gekozen temidden van de mensen, Gods Woord is komen wonen bij de mensen. Dat Woord heeft in Christus tot ons gesproken en heeft ons tot nieuwe mensen gemaakt, mensen in wie de Geest Gods wil wonen. Daartoe ontvangen we de sacramenten om steeds weer open gemaakt te worden voor het geheim van de nabijheid en zelfs de aanwezigheid van God in ons bestaan.
Die aanwezigheid van God is een verborgen inwoning. Deze is niet op het eerste gezicht zichtbaar. Want wie is de mens en waardoor wordt de mens gedreven? Wie naar de mens in onze wereld kijkt ziet dat er allerlei ambities zijn die de mens wil bereiken. De mens wil gelukkig zijn, maar heeft veel hulpmiddelen nodig om zich gelukkig te voelen. Ik denk dan niet zozeer aan materiële zaken, want we weten heel goed dat het een illusie is op daaruit geluk te halen. Er zijn net zo goed andere meer waardevolle elementen die de basis zijn van geluk: plezierige familierelaties en vrienden, een goede baan of werkkring of vrijwilligerswerk, voldoende ontspanning, gezondheid.
Maar wat blijft er over wanneer de mens dit verliest? Wanneer hij/zij alleen komt te staan, tegenslagen moet verwerken? De waardigheid van de mens staat dan inderdaad onder druk. De taak van de kerk is om de mens eraan te herinneren dat er onder al die zaken die mensen geluk bieden, ook nog een andere bron die veel minder kwetsbaar is en minder gevoelig voor wat er van buiten op je af komt.
Het herderschap in de kerk heeft als opdracht net als Jezus als het ware het hart van God te zijn voor de mensen in kerk en wereld, om te vertellen dat God deze wereld niet aan zijn lot overlaat, maar dat wat noodlot lijkt te zijn of dramatische gebeurtenissen, niet de loop van de geschiedenis hoeven te bepalen. Het is niet een aanslag die gaat bepalen hoe we de samenleving inrichten, maar de inzet van de mensen voor een goede en veilige samenleving. Een aanslag hoe erg ook mag ons niet van die overtuiging afbrengen.
Wat Petrus vertelt in zijn lange toespraak in de Handeling waarin hij refereert aan de kruisdood en de opstanding van Christus, is het beste voorbeeld van Gods ingrijpen in de mensengeschiedenis: de dood van Christus bepaalt niet de mensheid, maar zijn opstanding. Zoals niet de zonde en het kwaad de mensheid zullen blijven bepalen, maar vergeving en verzoening.
Door het sacramentele priesterschap wil de Kerk de gelovigen en anderen voorgaan in dit mysterie, want het is inderdaad een geheim dat hier wordt gedeeld: wie kan het immers begrijpen dat God de geschiedenis zo wendt tot een heilsgeschiedenis? Terwijl de mens zo destructief kan zijn dat een hele natie op zijn kop staat, herinnert Christus er voortdurend aan dat in de mens toch ergens verborgen Gods Geest woont. Die willen we zichtbaar maken. Ook allen die gedoopt zijn hebben die priesterlijke opdracht. Het priesterschap staat niet op zichzelf, maar is onderdeel van de sacramentele kerk, waarin allen geroepen zijn om die opdracht van de Goede Herder waar te maken.
Amen