Iedereen geroepen om goede herder te zijn (2006)

B-cyclus · Paastijd · 4e zondag van Pasen · wit

Ik zie haar nog voor mij, ofschoon ze al jaren geleden gestorven is, Lien. Vanaf haar geboorte was zij lichamelijk zwaar gehandicapt, had verwrongen handen, was bijna blind en sprak heel moeilijk, bijna niet te verstaan. Maar ze was intelligent, heel intelligent; daarom was haar handicap extra zwaar voor haar. Want Lien zag haar broers en zussen, de een na de ander, het huis uitgaan, trouwen en een gezin stichten. Zij had ook haar verlan­gens als jonge vrouw, maar ze voorzag dat zij alleen zou blijven in het leven. Dit heeft haar veel verdriet en strijd gekost; maar door de jaren heen is zij gegroeid; door lijden gelouterd en heel lief, zacht en mild geworden. Toen ze oud werd en naar een verzorgingstehuis verhuisde, werd zij daar voor veel bewoners een vertrouwenspersoon en het zonnetje in donkere uren.

Ik herinner mij een gesprek met Lien over de zusters en ver­zorgsters. “Het is zo’n verschil, wie je komt helpen”, zei ze, “ik voel het wanneer ze de kamer binnenkomen. Som­migen noemen je bij naam: Hallo Lien! zeggen ze, en je voelt de warmte en de liefde die ze meebrengen. Hun handen zijn zachter; de verzorging doet minder pijn; voor zo’n lieve zuster ben je iemand met een naam en niet ‘dat mens van kamer 21’. Lien hoort aan de stem, dat zij mag zijn die ze is, dat ze geen nummer is; dat het een zuster is die haar aanvoelt en respecteert en om haar geeft als mens en door de gehavende buitenkant heen ziet. Niemand hoeft Lien te zeggen, dat alle anderen het ook goed bedoelen. Of dat zo is, voelt zijzelf aan, haar­fijn. “Mijn schapen kennen Mij”, zegt het evangelie.

Ja, wie is de goede herder? Het kan ons niet ontgaan zijn, dat vier keer herhaald wordt in het evangelie: een goede herder geeft zijn leven voor zijn schapen. In tegenstelling tot de slechte herder, de huurling, die allereerst aan zichzelf denkt, het leven van de schapen neemt en over lijken gaat. Omdat de gedachte van ‘zijn leven geven voor de schapen’ zo centraal staat, wil ik daar wat op doordenken en me afvragen wat dat betekent voor de herder, wat dat betekent voor de schapen.

Iedere mens is uniek, heeft een eigen naam, eigen talenten, eigen idealen, een eigen geweten. Iedere mens heeft een eigen verantwoor­delijkheid voor de stappen die hij/zij zet in zijn leven. Iedere mens heeft daarom ook zijn eigen pijn en teleurstellingen in het leven, om de dingen die niet bereikt worden, om de dingen die mislukken. De goede herder weet dat; hij kent zijn schapen; hij kruipt in hun huid. Hij laat ze zelf verantwoordelijk zijn voor hun leven, voor de stappen die zij zetten richting grazige weiden, richting le­ven; hij geeft hun de ruimte om op een zijspoor te gaan, misstappen te zetten en op hun schreden terug te keren. De taak van de herder is er niet zozeer een van sturen, maar van nabij zijn. De taak van de herder is niet de dienst uitmaken, maar dienen. De herder moet vertrouwen hebben in die eigen stappen, in dat eigen geweten, in die eigen verantwoor­delijkheid, en ruimte laten voor zelf ontdekken, voor groei.

Te lang en teveel hebben wij gedacht, dat dit evangelie al­leen slaat op priesters; dat zijn de herders (werd gedacht) en gelovigen de schapen. Te lang en teveel hebben die hérders gedacht voorop te moeten gaan, te moeten sturen met wetten en regels, met geboden en verboden. Maar dit getuigt van geen vertrouwen in de eigen antenne, in het eigen geweten, in de eigen verantwoordelijkheid van mensen, die hun zijn toevertrouwd. Het getuigt veeleer van angst om ruimte te geven. Dát wantrouwen en díe angst doen onrecht aan mensen, en blokkeren creativiteit en inzet; ze blok­keren de werking van Gods Geest.

Natuurlijk mag/moet er een leiding zijn van herders in Gods kerk. Maar die moet dan niet bestaan in wetten opleggen, in beslissen vóór mensen, maar in samen oplopen met mensen, in samen zoeken met hen. De richtlijnen die de kerkleiding geeft dienen veeleer om mensen te helpen een af­weging te maken voor een eigen gewetensvolle koersuitzet­ting en beslis­sing. Het eigen geweten is en blijft ten allen tijde de belangrijkste en on­vervreemdbare factor voor mijn menselijk handelen. Mijn geweten is van mij! Ik mag het niet buiten werking stellen. Op de stem van mijn geweten mag en moet ik koer­sen. Anderen mogen mij helpen om de juiste afweging te maken, maar mogen mij niet dwingen. Anderen, wie ze ook zijn, mogen dienstbaar zijn, maar niet de dienst uitmaken.

In een parochiegemeenschap zijn wij allemaal geroepen om pastor te zijn voor de ander naast ons. Geroepen om met mensen naast ons op weg te gaan, dienstbaar te zijn, te helpen een antwoord te zoeken op hun vragen. Mensen komen bij ons, niet zozeer om een verlossend antwoord te krijgen op hun vragen, maar veeleer om een luisterend oor op hun zoektocht. Als zij op zo’n moment serieus genomen worden door ons, vinden zij respect en erkenning als mens, en daarin een steun in de rug om hun eigen weg te kunnen vervolgen.

Aandachtig luisteren naar anderen, in hun huid kruipen, is wat nodig is om mensen op verhaal te laten komen en te doen leven. Mensen voelen feilloos aan of zij tellen als mens. “Het is zo’n verschil wie je komt helpen”, zei Lien, …… “ja, goede herders of huurlingen.”

Zoeken in Preken Online