4e zondag van Pasen – jaar B

B-cyclus · Paastijd · 4e zondag van Pasen · wit

Vierde Paaszondag: Roepingenzondag: De Goede Herder (Jo. , 11-18)

Tielt, 29 april 2012

Op dit weekend, waar onze speciale aandacht en gebed gevraagd worden voor de roepingen, wil ik op de eerste plaats heel eerlijk mijn diepe waardering uitspreken voor de vele religieuzen, die zich van ’s morgens tot ’s avonds, meestal 7 dagen per week, ingezet hebben voor hun school, hun zieken- of bejaardentehuis, hun instelling voor weeskinderen, gehandicapten, enz… Ze hebben bijzonder hard gewerkt en zich daarbij heel veel ontzegd.

Maar toch zou ik het vandaag vooral willen hebben over de priesters en de diakens. De evangelietekst over de Goede Herder, die we zopas beluisterd hebben, doet me denken aan de homilie van Kardinaal Danneels tijdens de uitvaartdienst van Koning Boudewijn in augustus 1993. De kardinaal begon zijn homilie met de woorden: “Er zijn koningen die meer zijn dan koning: zij zijn de herders van hun volk. Zij doen meer dan louter regeren: zij hebben hun volk zo lief dat zij er hun eigen leven voor veil hebben.”

De meeste priesters zijn altijd op de eerste plaats de herders geweest van hun volk, maar in sommige tijden waren zij ook een beetje koning: zij hadden macht en prestige, zij beheerden veel instellingen, zij hadden het voor het zeggen.

Die tijd is thans voorbij. Misschien best ook! Want het biedt de priesters de kans om hun herderlijke taak zo zuiver mogelijk te vervullen.

Herders zijn meestal eenvoudige mensen.

Zij hebben veel tijd om te mijmeren en na te denken bij hun kudde in de rustige natuur. Hun eenvoud is dan ook geen synoniem van simpel van geest. Integendeel! Hun eenvoud is veeleer een vorm van wijsheid, die altijd de vrucht is van bezinning.

Zo moeten priesters en diakens “bezonnen” mensen zijn. Daarmee bedoel ik hoegenaamd niet: mensen die alles weten, die op alle vragen een pasklaar antwoord hebben. Wie bezonnen is moet, samen met anderen, op zoek gaan naar een eerlijk antwoord op de levensvragen, zich documenteren over het nieuwe, maar evenzeer voortbouwen op de kennis en de levenswijsheid die anderen voor hen hebben opgedaan. Hij moet de moed hebben, waar nodig, nieuwe wegen te bewandelen.

Dat alles mag je van een priester of diaken verwachten.

Maar priesters en diakens hoeven niet superintelligent te zijn. De meeste zijn dat ook niet. Zij kennen en weten niet alles. Misschien liefst niet. Zij hebben niet alle talenten. Je hoeft ze dus niet te overvragen. Het kan toch niet dat elke priester of diaken even goed kan omgaan met jongeren als met volwassenen of ouderen, even goed met ongeletterden als met hooggeschoolden, even goed met rijken als met armen. Als je dat vaststelt, veroordeel ze daarom niet. Niet elke priester of diaken heeft talenten om leiding te geven of beleid te voeren inzake pastoraal, beheer van goederen of gebouwen of instellingen. Schrijf ze daarom niet af als onbenullig. Niet elke priester heeft de gave van het woord en niet elkeen is muzikant of zanger. Neem het geen enkele priester kwalijk dat hij niet kan preken of dat hij geen nachtegaal is. Dat kan en dat hoeft ook niet!

Maar bid voor wijze en bezonnen priesters.

Een goede herder heeft aandacht voor al zijn schapen.

Zo moet elke priester of diaken een “rechtschapen” man zijn in de Bijbelse betekenis van het woord, d.w.z. iemand die zijn eigen plaats kent en aan elkeen de juiste plaats en orde, voldoende tijd en aandacht geeft.

Hij moet zich niet laten catalogeren bij de conservatieven of de vooruitstrevenden ,als de man van deze of gene stand, als de man van de jongeren of louter thuis in de derde leeftijd, als specialist in dit of dat…

Wel mag je van hem verwachten dat hij poogt aandacht te hebben voor elkeen, in het bijzonder voor de minderbedeelden, de zieken, de soms vereenzaamde ouden van dagen, de mensen met verdriet of problemen, de marginalen, de verloren of verlopen schapen van de kudde…, naar het voorbeeld van de Heer Jezus.

Om zulke priesters en diakens moeten we veel bidden.

Een goede herder biedt zijn schapen een stuk geborgenheid en veiligheid.

In 1994 werd uit het Nationaal Museum in Oslo een beroemd

schilderij gestolen, namelijk “De Schreeuw” van Eduard Münch, een

schilderij van 1893. Dank zij de beelden van de

bewakingscamera’s werd het spoedig teruggevonden. Best ook!

Want dat schilderij is a.h.w. het zwijgende symbool van de angst van

de westerse mens, die zich als persoon sterk bedreigd voelt.

Wellicht is die angst thans groter dan vroeger, niet alleen door de

huidige financiële en economische crisis en door de tragische

schandalen in alle sectoren van de maatschappij, maar ook omdat

vele mensen de geborgenheid van een gezin, van een duurzame

vriendschaps- en liefdesrelatie missen, omdat ze een thuishaven

ontberen waar ze, in welke omstandigheden ook, op kracht en tot

rust kunnen komen.

Misschien is er op onze dagen zoveel angst vooral omdat mensen zo

zelfgenoegzaam zijn en de eenvoud missen om meer op God te

vertrouwen dan op hun eigen broos menselijk kunnen, om de Heer

Jezus te beschouwen als hun kompas en hun voedsel op hun weg naar

geluk, om te geloven dat Hij ons begrijpt, dat Hij ons nooit afwijst, dat

Hij ons nooit in de steek laat en steeds bereid is ons nieuwe kansen te

geven. In dat gelovig vertrouwen, gevoed door gebed, moeten

priesters en diakens voorbeelden en gidsen zijn.

Laten we vandaag bidden dat er in ons midden steeds geestelijke

herders en wegwijzers zouden zijn om Jezus’ boodschap van geluk,

vrede en geborgenheid voor te leven en te verkondigen. Onze wereld

heeft die broodnodig.

Anders wordt misschien bij ons waar wat de H. Pastoor van Ars zo raak zei: “Laat een gemeenschap 10 of 20 jaar zonder priester en men zal er de beesten aanbidden.”

Misschien aanbidden vele mensen bij ons nu reeds de beesten of althans gouden kalveren.

G. Buyse, pastoor-deken em. Tielt

Zoeken in Preken Online