4e zondag van Pasen – jaar B

B-cyclus · Paastijd · 4e zondag van Pasen · wit

GODELIEVEPAROCHIE ROESELARE – 21 april 2024

VIERDE PAASZONDAG-B - ROEPINGENZONDAG

Lezingen: Hnd 4, 8-12 – 1 Joh 3, 1-2 – Joh 10, 11-18

Inleiding op de lezingen

Het is roepingenzondag vandaag, wereldwijd in de Kerk. We focussen straks in de homilie vooral op het evangelie, waarin Jezus zichzelf vandaag ‘De goede herder’ noemt. ‘Ik ben de goede herder’, zegt Hij. Het is één van de zeven ‘Ik ben’-woorden uit het Johannesevangelie. Het is alsof wij dan bij elk van die woorden iedere keer op-nieuw Gods eigennaam uit de Bijbel horen, zoals die voor het eerst opklonk uit de vlammen van de brandende braamstruik in de woestijn van Midjan, vóór de uittocht uit Egypte. En we weten: alles wat in de Schrift over God gezegd wordt, is altijd ook bedoeld als opdracht, als’ “programma’ en als ‘agenda-punt’ voor de mensen (‘Ik ben het brood – ik ben de deur… enzovoort) en dus ook voor ons, Kerkmensen van vandaag. Elk van die zeven ‘Ik ben’-woorden moeten wij steeds weer op-nieuw leren te verbuigen en te vervoegen in alle wijzen en in alle tijden. Roeping is een kwestie van permanent leren dus, en houdt een bestendige opdracht in tot herscholing. Hoogstnoodzakelijk voor priester én leek, om jaar na jaar, generatie na generatie adequaat te kunnen inspelen op steeds nieuwe situaties en praktische omstandigheden. Dat je je daar durft aan te wagen – als individu en als gelovige gemeenschap – dat is wat we ‘roepingsbesef’ noemen… We gaan luisteren naar de lezingen die het leesrooster voor vandaag voorschrijft.

Homilie

Gode-lieve mensen, ‘Ik ben de goede herder’, zegt Jezus vandaag in het evangelie. ‘Ik ken de mijnen en de mijnen kennen Mij.’ Het gaat dan natuurlijk ook in de eerste plaats over God. God Die een relatie zoekt tot ons, als tot een zoon, als tot een dochter. En het gaat over het feit dat elke mens, hoe verdwaald en verloren ook, is in de ogen van God ongelooflijk waardevol is en uniek. Onvervangbaar, oneindig eerbiedwaardig, onvergelijkelijk schoon. Wij mogen in het leven staan als beminde mensen. Geen plaats dus voor een minderwaardigheids-gevoel, zo van: ‘Ik kan niks, ik tel niet mee.’ Geen plaats voor uitsluiting. Want je wordt door Hem bemind, onvoorwaardelijk. Hij kent ons, zoals Johannes in zijn brief, in de tweede lezing, schrijft: ‘Wij worden kinderen van God genoemd en we zijn het ook.’ Het is een zin om diep in ons innerlijk, in de zachtste plek van ons geheugen te laten zinken. Hij is als een beschermende aanwezigheid om ons heen. Aan alle kanten klinkt Zijn zorg dat niemand, geen mens verloren loopt, dat ik niet verloren loop. Ik hoor vandaag tot in het merg van mijn innerlijk, van mijn ziel, dat de Goede Herder mij kent zoals ik werkelijk ben, in heel mijn kleinmenselijk gedoe, maar vooral ook in het Grote Mysterie dat in mij leeft en dat Hij daar gesticht en gevestigd heeft. God nodigt ons uit om op die manier ook naar elkaar te kijken, naar élke mens. Dat is pastoraal. En dus is dat dé opdracht van de Kerk. In zijn Geest met de ogen van Jezus naar Gods kinderen kijken. Iedere mens is medemens, is door God bemind. Als Jezus zegt: ‘Ik ben de goede Herder’, dan gaat het tegelijk ook over de Kerk, het gaat over elke gedoopte, het gaat over ons. En dus over onze roeping. Dit Woord van Jezus geeft ons een kijk op wat pastoraal kan zijn, moet zijn in 2024. En dan hoor ik in dat Woord dat pastoraal, dat Kerk méér is dan organisatie alleen, én zeker meer inhoudt dan nog maar eens de zoveelste re-organisatie, met het koortsachtig zoeken naar invulling van allerlei open gekomen plaatsen en sollicitaties die maar niet ingevuld geraken. Dat hoort er ook bij natuurlijk – en alle respect voor wie daar mee bezig is – moet zijn. Maar het behoort niet tot de essentie van het herderschap. We mogen de Kerk niet bekijken zoals managers dat doen. In de wereld is dat nochtans de trend. Managers die de techniek hanteren om mensen maximaal te doen renderen. Zij boeken resultaten in duidelijke cijfers en grafieken. Dat kan en mag in de Kerk niet en nooit het geval zijn. Het wezen zelf van de Kerk van Christus is hier in vraag en in het geding. Lijnrecht tegenover de manager staat de herder. Hij is bezeten door menselijk geluk. Hij bindt zich aan mensen met een band waar iets van onvoorwaardelijke liefde in zit. Herder zijn is geen vak, het is een toewijding, en soms is het een beetje heldhaftigheid, een kwestie van moed én offer, van je leven geven zonder berekening of uitzicht op rendement en winst. Ik mocht enkele weken geleden een bezinningsvoormiddag geven voor de Zusters van Bijstand in Kortrijk. Ze moesten noodgedwongen weg uit hun vertrouwde kloostergebouwen, ze waren nog maar met zes overgebleven, en allemaal oud en ziek en versleten. En er was hen – na veel onderhandelen en ‘masseren’ uiteindelijk een plaats toegewezen in drie verschillende rusthuizen of Woon- en Zorgcentra, drie keer twee – maar niet meer samen met zes – dat kon nu eenmaal niet – en dat moesten zij begrijpen. ’s Middags aan tafel vertelde een zuster mij hoe zij de laatste maanden na het middageten en de ‘noenetuk’ elke dag anderhalf en dikwijls langer een demente medezuster opzoekt op haar kamertje. Die kan niks meer, alleen soms wat met de ogen bewegen en even knikken met het moede hoofd. Maar ze straalt als ik bij haar binnenkom. Ik doe niet veel anders dan bij haar zitten en soms haar hand wat vasthouden in mijn hand. We bidden samen, zei ze – we bidden zonder woorden. Het was ontroerend mooi en doodeenvoudig zoals zij het mij vertelde. En ik dacht: zoiets moet het zijn: ‘Ik ben de goede herder’… En – zo zei die oude zuster ineens nog, na een hele tijd stilzwijgen: ‘We vormen dus toch nog gemeenschap met ons zessen…’ Als we zo in de Kerk staan en blijven staan, breekbaar en als metgezel en bondgenoot van de meest breekbare medemens, en als we zo gemeenschap blijven vormen – tegen het advies en de berekeningen van de managers in - dàn worden we echt een heilige en dus veilige Kerk. Dan worden we Kerk van de gekruisigde en de Verrezen Heer en van de goede Herder. Barmhartig en diaconaal, op mensen bedacht. Veilig geborgen bij de goede Herder. Dat is de roeping van de Kerk. Dat is onze roeping. ‘Ik geloof niet in de God waar jij mij af en toe over spreekt’, zei ooit een clochard in Parijs tegen Abbé Pierre. ‘Maar als die God van jou is wat jij nu reeds zoveel jaren voor mij doet, dan kan en wil ik wel graag geloven.’ Over de roeping om hoe dan ook Kerk te blijven maken met elkaar, las ik onlangs een mooi gedicht… Soms komen mensen samen en ontstaat er iets wonderlijks. En alle andere mensen wijzen dan en fluisteren:

Kijk, iets wonderlijks!

En het wonderlijks gaat zijn gang, doet zingen en wordt omarmd, omwarmd, en wordt nog wonderlijker, een vuur dat zichzelf aanwakkert. Soms komen mensen samen en ontstaat er iets wonderlijks. Je begrijp niet hoe het werkt. Maar het werkt! Het werkt!!

()

Laat ons dus maar blijven zoeken om ook hier op de Godelieveparochie telkens weer iets van dat wonderlijke te creëren. Maar laten we het altijd samen doen.
Want alleen maakt moe, maakt klein en maakt bang. Alleen isoleert, verdort en verzuurt. Als we het alleen willen of moeten doen, dan sterft de hoop zienderogen in ons hart en in onze handen. Laat ons maar blijven naar verbindingen zoeken. Mensen omarmen en omwarmen met vuur dat niet verteert. Want het werkt! Het werkt!!! En ook al begrijpen we niet hoè het werkt: we weten uit jarenlange ervaring ondertussen wel dat enkel samen werkt… Mag ik mag dan als slot van deze preek samen met jullie allen hier op de Godelieveparochie nog even symbolisch het glas heffen op de Kerk – die van gisteren, ja, maar ook die van vandaag en van morgen? Hier gaan we dan: Leve de gemeenschap waar mensen zich thuis voelen waar ze kunnen schuilen, even bij elkaar en even bij God, een plek waar je gekend bent door God en medemens. Leve de gemeenschap die zich druk maakt over onrecht en armoede overal in de wereld, die zorg heeft voor weduwe, weduwnaar en wees die ongeacht huidskleur en geaardheid mensen aanziet, waardeert en accepteert zoals ze zijn . Leve de gemeenschap waar je mág geloven en niet wordt gedwongen, waar het geloofsgoed van de vaderen als waardevol en echt wordt beschouwd maar waar ook het geloof van de moeders doorklinkt in de harten van de kinderen,         waar ruimte is voor anders-gelovigen, voor twijfelaars en zoekenden. Waar mensen elkaar bevragen, uitnodigen en geïnteresseerd luisteren naar elkaar en naar hun ervaringen met God Leve de gemeenschap waar je op je goede kanten aangesproken wordt waar mensen elkaar bemoedigen in plaats van af te breken waar samen belangrijker is dan alleen waar je gewoon tegen elkaar kunt zeggen: menslief, ik hou van jou! Leve de gemeenschap waar de rollen telkens weer worden omgedraaid waar de kleinen het hoogste woord voeren waar de minsten in aanzien zijn, waar de macht gedeeld en ingezet wordt om gelijkwaardigheid en gelijkheid van mensen te bevorderen. Leve de gemeenschap waar God onder de mensen zichtbaar, hoorbaar, voelbaar en ervaarbaar is. Lang leve de gemeenschap! (naar een tekst van FELIX VAN MEERBERGEN – deken van Diest) Gode-lieve mensen, voor die Kerk wil ik graag nog enkele jaren blijven werken en blijven vechten als het kan en als het mag. Doe je mee? Als ’t God belieft natuurlijk. Want van Hem is de toekomst, kome wat komt. Amen – zo moge het zijn…

geert dedecker

Voorbeden

Ons diepste geheim, God, is onze oorsprong en onze geborgenheid in U. Gij hebt ons gemaakt van hart tot hart, bereid om elkaar met kleine goedheid aan te raken. Houd ons dan ook bij elkaar. Rust ons uit met Uw kracht en blijf herscheppend in ons midden aanwezig. Laat ons bidden.

Refr. ‘God van leven en licht,

** maak alles nieuw. Alleluia.’**

Zoals een moeder haar kind draagt, zoals een vader opkomt voor zijn zoon, zo zijt Gij voor ons een trouwe God. Ook als ons hart ons aanklaagt is Uw hart altijd groter dan ons mensenhart. Wees barmhartig, Heer en neem ons onvermogen voor lief. Kijk als een Goede Herder genadig om naar allen die gebroken zijn en niet meer verder kunnen. Laat ons bidden.

Refr. ‘God van leven en licht,

** maak alles nieuw. Alleluia.’**

Gij zijt een God van armen en kleinen, een God van kwetsbare mensen. Zo hebt Gij U voorgoed aan ons verbonden en U wilt niet dat één van ons verloren gaat. Zegen dan de vriendschap die mensen samenbindt, de trouw van allen die elkaar niet in de steek laten. Zegen de verbondenheid hier in deze gemeenschap die zondag na zondag samenkomt in Uw Naam. Maak ons sterk om veel en vér te kunnen dragen. Roep ons vandaag nog bij onze diepste naam, om herder voor elkaar te zijn en zorg te dragen. Laat ons bidden.

Refr. ‘God van leven en licht,

** maak alles nieuw. Alleluia.’**

Zoeken in Preken Online