Homilie op de Tweede Paaszondag (Beloken Pasen) (Jaar B): Groeien in geloof zoals Thomas (Jo. 20, 19-31)
15 april 2012
De groep van Jezus’ apostelen waren zeer verschillende mannen. Petrus b.v. was een onstuimige en impulsieve vissersbonk. Johannes was Jezus’ lieveling omdat hij zo minzaam was. Andreas kennen we niet goed behalve als de broer van Petrus: eerder de klusjesman, enz… Ze konden ook niet alle 12 de eerste viool spelen of kampioen zijn in sympathie. Een troost voor ons!
Slechts 2 apostelnamen worden nu nog als scheldnamen gebruikt. Op de eerste plaats Judas, de verrader. Daarom wordt die naam nooit aan een kind gegeven. Kinderen krijgen thans bij het doopsel wel vaak een naam die verwijst naar een bekende sportman, een populaire zangeres of een vedette uit een T.V.-feuilleton. Maar niemand haalt het in zijn hoofd zijn zoontje Judas te noemen. Ik ben er zeker van, er zit hier in de kerk geen enkele man of jongen die Judas heet.
Er zitten hier wellicht meerdere mensen met de naam Thomas of Tom. Nochtans wordt ook die naam vaak als scheldwoord gebruikt en wel omwille van hetgeen we over hem gehoord hebben in het evangelie van vandaag. “Ongelovige Thomas” is in ons taalgebruik spreekwoordelijk geworden.
Waarom dan krijgt niemand bij zijn geboorte of doopsel de naam Judas, maar velen wel de naam Thomas of Tom?
Omdat Thomas de naam “ongelovige” niet verdient. Men zou beter spreken van de “gelovige” Thomas, want hij groeide van ongeloof naar geloof. Hij kan best model staan voor elk van ons.
Geloven is immers niet gemakkelijk en ook niet vanzelfsprekend. Dat was het ook niet voor Thomas. Goede Vrijdag had hem uit zijn evenwicht gebracht. Hij had Jezus’ lijden en sterven meegemaakt en hij was helemaal geschokt in zijn verwachtingen en in zijn idealen.. Als er dan berichten kwamen dat Jezus verrezen was en leefde, wou hij zich geen tweede maal laten “vangen”. Hij wilde een tweede ontgoocheling vermijden. Daarom wou hij nu eerst zien: “eerst zien en dan geloven!”
Kunnen wij ons in die Thomasfiguur niet gemakkelijk herkennen? Zeker als we zelf schokkende ervaringen hebben meegemaakt, zoals in de laatste tijd, of als we ontgoocheld zijn in mensen en in het leven! Onder de christenen zijn er thans veel Thomasfiguren.
Er zijn er veel bij de jongeren. Op school, op het werk, in het stempellokaal en op straat ervaren zij zoveel dat helemaal niet verenigbaar is met de blijde boodschap van Jezus. Zij hadden gehoopt op een wereld van liefde en solidariteit, zoals wij het hoorden in de eerste lezing over de eerste christenen. Maar bijna dagelijks worden ze geconfronteerd met hardheid, geweld, honger, ellende, corruptie en onrecht.
Ook onder de volwassenen zijn er meerdere Thomas-figuren. Ze hadden gedroomd van een heerlijke nieuwe wereld van goedheid en gerechtigheid. Ze hebben zich ingezet voor hun gezin, voor Kerk en maatschappij. Ze ondervinden onbegrip en tegenkantingen, zelfs bij hun eigen groter wordende kinderen of ze worden slachtoffer van afgunst en roddel.
Christengelovigen zijn niet gevrijwaard tegen onzekerheid en ontgoocheling.
De kunst is te doen wat Thomas deed: niet met gesloten ogen verzinken in die modderpoel, maar verder op weg gaan met een ontvankelijk hart, met open en zoekende ogen. Misschien moeten we weer leren echt zien.
Niet zozeer met onze ogen! Ons gezichtsveld is zo zwak en beperkt. Op straat kijken vele mensen naar de grond en concentreren zich op de stoep. Daar is soms ook reden voor. Maar echt verruimend en verpozend is het niet. Vele mensen zijn ook zo bijziend dat wat ze in de verte zien slechts een schemer is.
Ook met ons verstand zien we zo weinig. Dagelijks ervaren we hoe beperkt het is. De meeste mensen zijn ook zo enggeestig en blijven rondcirkelen als visjes in een bokaal. Hun geest is zo kortzichtig, mist elke gezonde zin voor humor en maakt van de minste molshoop een berg.
Misschien moeten we leren geloven wat de vos in dat diepzinnig sprookje van Saint-Exupéry aan het prinsje zei: “Dit is mijn geheim. Het is heel simpel: je ziet pas goed met het hart. Het essentiële blijft onzichtbaar voor het oog.”
Leer weer kijken met je hart, bij voorkeur met een ontvankelijk hart, dat gelovig zoekt de Heer te ontmoeten. Die ontmoeting met de Heer bewerkte in Thomas een totale ommekeer. Hij kwam onder de indruk van de littekens die Jezus toonde. Hij besefte plots de grenzeloze liefde van de man die ze droeg, waardoor ze plots een schittering kregen die hem vanuit zijn ongeloof tot geloof in de verrezen Heer bracht. Aan zoveel liefde kan niets of niemand weerstaan.
Een dame vertelde me dat ze in India Mother Teresa ontmoet had en een bezoek gebracht had aan de zaal waar de kinderen verpleegd werden die in hun slaap ’s nachts op straat door de ratten gebeten waren. De verschijning van dat stokoud vrouwtje Mother Teresa en het zien van de mensen die de rattenbeten van die kinderen verzorgden, maakte op allen een onvergetelijke indruk. We relativeerden, zo zei die dame, onze eigen problemen, we schonken hun alles wat bij de hand hadden en voor de rest van de dag werd er niets meer gezegd.
Hoeft het ons dan te verwonderen dat de sceptische Thomas, bij het zien van de littekens van de verrezen Heer, gelovig uitriep: “Mijn Heer en mijn God”. Grenzeloze liefde doet mensen geloven.
Noem je zoontje maar gerust Thomas of Tom. Als hij iets meekrijgt van zijn patroonheilige, wordt hij geen ongelovige, meer een eerlijk zoekende gelovige.
Geef ons maar meer Thomassen! We hebben ze hard nodig.
G. Buyse, pastoor-deken em. Tielt