2e zondag van Pasen (Beloken Pasen) – jaar B

B-cyclus · Paastijd · 2e zondag van Pasen · wit

De eerste christengemeenten: tussen ideaal en werkelijkheid…

“Ze wijdden zich trouw aan het onderwijs dat de apostelen gaven, en aan de onderlinge gemeenschap, het breken van het brood en het gebed. Allen die het geloof hadden aangenomen, bleven bijeen en bezaten alles gemeenschappelijk. Ze verkochten have en goed en verdeelden dat onder allen naar ieders behoeften. Dagelijks gingen ze trouw en eensgezind naar de tempel, braken bij iemand aan huis het brood, gebruikten samen hun maaltijden in blijdschap en eenvoud van hart, loofden God en stonden in de gunst bij heel het volk. De Heer breidde hun kring dagelijks uit; steeds meer mensen werden gered.” (Hand. 2, 42-47)

“De grote groep gelovigen was één van hart en ziel en er was niemand die iets van zijn bezittingen zijn eigendom noemde; integendeel, alles stond ter beschikking van de gemeenschap. Er was immers niemand onder hen die gebrek leed, want allen die grond of huizen bezaten verkochten hun bezit, gingen met de opbrengst naar de apostelen, en legden die aan hun voeten. Daarvan werd uitgedeeld aan een ieder, al naar gelang hij nodig had.” (Hand. 4, 32-35)

Vanuit deze twee citaten uit het begin van de ‘Handelingen der apostelen’ menen we vanouds de perfecte beschrijving te kennen van het leven en samenleven van de kleine groepjes joden en niet-joden, die rond de boodschap van de vermoorde Man uit Nazareth ontstaan zijn vanaf de jaren 30-35 na Christus, en die zich als een ondergronds netwerk zeer snel over de ganse toenmalige wereld hebben verspreid. De gemeenschap zoals Lukas die beschrijft in deze citaten, is de geschiedenis ingegaan als hét model van wat een kerkgemeenschap zou kunnen en moeten zijn. Telkens opnieuw werden deze teksten ter hulp geroepen om aan mensen duidelijk te maken wat het ideaal kon zijn van een christelijke gemeente waarin broeder- en zusterschap concreet en radicaal vorm kregen. Ook bijna alle stichters van religieuze orden en congregaties hebben zich door deze schriftverzen laten inspireren bij hun zoeken naar nieuwe vormen van gemeenschapsleven in de geest van Jezus van Nazareth.

Tussen droom en werkelijkheid…

Zo’n ideaalbeeld van hoe het in het begin was, en zoals het dus ‘in begin-sel’, ‘principieel’ altijd weer zou moeten zijn, werkt meestal op een dubbele wijze op de toehoorders in:

Het werkt inderdààd inspirerend en stimulerend – temeer omdat het naast de kwalitatieve verdieping van het gemeenschapsleven ook een snelle kwantitatieve toename van participanten en sympathisanten in het vooruitzicht stelt.

Het dreigt echter al even gauw verlammend en deprimerend te werken, omdat het zo vaak heel ver lijkt te staan van de ‘banale’ manier van zijn en doen in het kerkgebeuren dat we vandaag meemaken en ‘mee willen maken’.

Elke schrijver uit de Bijbel is een realist – Lukas is dat dus ook. Hij probeert met zijn geschriften aan de kerkmensen en gemeenschappen van zijn tijd inspiratie door te geven, zonder dat dit verlammend moet werken. Dus schildert hij in deze taferelen wel een ideaalbeeld, maar hij vertelt er direct bij dat het in een aantal gemeenten op het einde van de eerste eeuw bijlange niet zo makkelijk lukte om dat ideaal ook in de praktijk om te zetten. En toch – zo suggereert hij nadrukkelijk – heeft men daar en toen ondanks alles het ideaal nooit opgegeven; men heeft het niet losgelaten en nooit cynisch weggehoond of belachelijk gemaakt…

De realiteit is weerbarstig: een banale geldkwestie verstoort al snel de mooie droom…

De eerste christenen geloofden waarschijnlijk rotsvast dat de laatste dagen van de wereld waren aangebroken. De Mensenzoon zou snel terugkomen, en dan zou de voltooiing van Israëls hoop een feit zijn. Vanuit deze verwachting hebben de eerste leerlingen van Jezus zich aaneengesloten tot een hechte geloofsgemeenschap waarin men zich eensgezind en in volstrekte samenhorigheid verantwoordelijk voelde voor elkaar. Om dit te kunnen waarmaken had men een soort ‘centrale kas’ opgericht waarin ieder het zijne bijdroeg, en waaruit ieder ook bij wijlen terug kon nemen wat hij of zij nodig had. Het is niet onmogelijk dat men er van uit ging dat dit slechts een tijdelijke regeling betrof – tot aan de wederkomst van de Heer.

Maar… het leven ging door, en Jezus liet op zich wachten. Niet iedereen kon het opbrengen of vond het nodig verder op dezelfde enthousiaste manier zijn bezit in het midden van de groep te brengen. Stilaan werd duidelijk dat sommigen de schijn van onderlinge solidariteit bleven ophouden, terwijl ze in feite hun eigengereide weg gingen en zelfs gretig in de gemeenschappelijke pot begonnen te graaien.

In een exemplarisch beeldverhaal laat Handelingen 5,1-11 zien waar zulke schijnheilige hypocrisie en brutale groepssabotage toe leiden. Aan de naam van twee gemeenteleden, Ananias en Saffira, wordt het verhaal opgehangen over de opkomst van de eerste reactionairen binnen de christengemeente – en meteen blijkt hoe dodelijk hun manier van doen voor die gemeente was.

Reeds de eerste Kerk dreigde dus kapot te gaan aan de ‘graaicultuur’ en ieder-voor-zich-mentaliteit van sommige leden. Die kleinburgerlijk-reactionaire houding tegenover de ‘Geest’ van het evangelie wordt in het verhaal van Ananias en Saffira openbaar aangeklaagd en meteen in Godsnaam kordaat afgestraft. Dit is letterlijk ‘dood-zonde’! De levengevende beweging van Jezus en van de Pinkstergeest loopt dood in dit soort mensen en hun egoïsme. Er is ineens geen toekomst meer, geen perspectief. Dit lijkt het einde van de prille droom die nochtans zo mooi begonnen was…

Iedereen mag er bij – maar hoe ga je om met zoveel diversiteit..?

Nog een voorbeeld. Vanaf Handelingen 6 worden een aantal oorzaken genoemd van de oplopende spanningen tussen de Grieks en de Hebreeuws sprekende leden van de Jezusbeweging in Jeruzalem.

Er is de schaalvergroting door toename van het aantal leerlingen, zodat men elkaar niet meer persoonlijk kent en dus ook niet meer kan aanspreken op het consequent beleven van het ideaal.

Er zijn nogal wat culturele verschillen tussen de Griekse joden uit de hellenistische stadscultuur en de Palestijnen die stammen uit de plattelandscultuur van herders en boeren.

Er zijn religieuze tegenstellingen. Hoe interpreteer je bijvoorbeeld de traditie? De ‘Grieken’ stellen zich veel vrijer en vrijzinniger op tegenover de traditionele joodse wetten en gewoonten dan hun Hebreeuwse collega’s…

Er dreigt sociaal-economische discriminatie. De Grieks sprekenden vonden bijvoorbeeld dat zij werden benadeeld in het toepassen van de ‘sociale voorzieningen’ voor de weduwen… (Hand. 6, 1)

Naar aanleiding van deze spanningen wordt tenslotte in Jeruzalem de wederzijdse zorg voor de noodlijdenden georganiseerd tot een soort ‘hulpdienst’ waarvoor men zeven mannen vrijstelt – de latere ‘diakens’. Een eerste verruiming van het ‘ambt’ dus, en het begin van de ‘diaconie’ binnen de Kerk.

Wat moeten we met zo’n ideaalbeeld van de eerste Kerk?

Het getuigenis van Lukas over de eerste christengemeenten in Handelingen 2 en 4 lijkt meer op een wensdroom, een schets van een nog onbestaande toekomst, dan op een historisch betrouwbaar bericht. Zou zoiets ooit écht in praktijk gebracht zijn, al was het maar door twee of drie mensen? Heeft zo’n messiaanse gemeente ooit bestaan, of bestaat zij vandaag ergens, al was het maar beginnenderwijs? Is er tussen mensen een samenhang denkbaar en een verbindende kracht, die ook maar enigszins lijkt op wat hier beschreven staat?

Natuurlijk is dit een ideaalbeeld. Een utopische droom bij klaarlichte dag over de ‘onmogelijke mogelijkheden’. Deze begin(sel)verhalen beelden een toekomstvisioen uit dat (kerk)mensen, hoe klein en onmachtig ze meestal maar waren, toch in het hart bleven meedragen en voorvoelden als hun bestemming en dat zij, zelfs in hun moeilijkste dagen en uren, beleefden als de zin van hun bestaan.

Vanzelfsprekend is dit nooit helemaal en overal werkelijkheid geworden. Maar het is levensbelangrijk dat het ooit gehoord is en ter harte genomen door mensen. Dat het uitgeprobeerd is telkens opnieuw, door christenen en gemeenschappen van alle tijden. Lukas moèst het opschrijven, opdat wij het tot op vandaag zouden kunnen lezen, en er ons kunnen aan spiegelen. Hoe helderder het visioen ons immers voor ogen staat, hoe meer volhardend wij ons kunnen wijden aan analyse en actie, aan het concrete (kerke)werk op het terrein vandaag.

Lukas is echter een idealist met werkelijkheidszin, een dromer met de beide voeten op de (kerk)grond. Door te laten zien dat de eerste Jezus-volgelingen zich reeds van meet af aan moesten zien staande te houden in dat spanningsveld tussen het hooggestemde ideaal en de vaak erg ontluisterende realiteit, kon hij zijn eigen mensen en ons, de lezers van zijn ‘Handelingen’ er toe aanzetten om ondanks alles voort te doen, om een ‘en toch’- geloof te praktiseren en onverwijld stappen te zetten op de weg die Jezus heeft gewezen – zij het meestal al hinkstapspringend en op de wijze van de ‘processie van Echternach’…

Blijven dromen – maar met beide voeten op de grond…

Als lezers van vandaag mogen wij ons dus niet blind staren op dat ideaal, en ons ook niet verschuilen achter onze zogenaamd zoveel moeilijkere en complexere realiteit. We moeten leren te zien hoeveel moeite het blijkbaar ook in het begin reeds kostte om dat ideaal concreet te maken, het in een werkbare vorm te gieten en het zo consequent mogelijk te beleven. En waar dan – soms, even – de vreugde oplichtte om het kleine beetje (samen)leven dat gelukt was en dat groter bleek te zijn dan de moeite die het allemaal kostte, dààr werd de aantrekkingskracht van het ideaal voelbaar voor buitenstaanders; dààr werd de grauwe werkelijkheid van het bestaan voor sommigen wat minder uitzichtloos; dààr werd de realiteit wat minder weerbarstig. Dank zij zo’n ‘geluksmomenten’ kon de beweging zich uitbreiden en uitdiepen tot een sterke stroming die heel de toenmalige wereld diepgaand en blijvend heeft getekend.

Dromen over het gave begin of over de ideale toekomst van de Kerk kunnen een vlucht uit de werkelijkheid zijn. Dat hoeft echter niet. Ze kunnen ons ook een instrument in handen geven om de actuele situatie(s) te doorlichten en onder kritiek te stellen, wat dan weer aanleiding kan worden tot hervorming en verbetering van wat bestaat. Het kan perspectieven openen en onze creatieve fantasie prikkelen – in de heel andere omstandigheden van onze tijd. Het kan ook helpen om nuchterder om te gaan met het reilen en zeilen in onze hedendaagse geloofsgemeenschappen. We leren het heil wat minder groots te zien, maar het juist te ontdekken op de momenten waar ondanks het menselijk tekort ‘leven’ toch sterker blijkt dan ‘dood’. Dan komt er niet een ideaal begin te staan tegenover een lange geschiedenis van verval tot op vandaag – maar gaat het van meet af aan om een worsteling om mens en medemens te zijn met ups en downs, een gevecht dat duren zal zolang mensen trachten te geloven en te ‘kerken’…

geert dedecker

Zoeken in Preken Online