Doop van de Heer- B 14 januari 2024
Evangelie: Marcus 1, 7-11
Wat zegt Mgr. Romero ons op deze zondag?
Mgr. Romero geeft aan deze preek de titel: “Het doopsel, openbaring van de messiaanse reddende realiteit”. Hij kondigt aan dat hij het zal hebben over het doopsel van Jezus en ook over ons eigen doopsel. De drie punten van zijn homilie zijn*: 1. Het doopsel is een sacramenteel teken. 2. Dat teken, het doopsel, laat Jezus de messiaanse realiteit ontdekken die al vanouds in Hem bestond. 3. Dat teken, het doopsel, schenkt aan ons de participatie in die messiaanse realiteit die Christus in Zijn eigen doopsel ontdekt.*
In deel één drukt de Aartsbisschop uit dat de betekenis van het doopsel, hoe massaal het destijds ook toegediend werd, toch nooit echt goed begrepen werd. “Dit messiaanse geschenk, hoe weinigen begrijpen het! En zo is het gekomen dat we wel een volk van gedoopten hebben, maar zonder het bewustzijn van de zeer ernstige verplichting en van deze zeer hoge waardigheid die God ons gaf op die dag, toen we als nieuw schepsel geboren werden in de doopvont."
Het is meer dan duidelijk dat het zo vanzelfsprekend, gemakkelijk, evident en massaal dopen van kinderen, helemaal niet heeft geleid tot een Kerk van actieve volwassen gedoopten. Velen die als kind werden gedoopt weten eigenlijk niet zoveel af van de evangelische verantwoordelijkheid, en hebben niet het minste besef van de reddende, heil en bevrijding brengende messiaanse opdracht van Christus die met dat doopsel verbonden is. Waar is het dan fout gelopen?
In het tweede deel van zijn preek zegt Mgr. Romero: “Daarom, beste broeders en zusters, gaat het in het doopsel om deze Christus die ons een messiaanse werkelijkheid presenteert – een realiteit die we concreet kunnen maken in de drie categorieën van de gezalfde die ik eerder noemde: profeet, priester en koning. Dat is Christus. Dat is de messiaanse werkelijkheid van Christus. Hij is de ware priester*, de enige priester ook. Wij allen, bisschoppen en priesters, zijn slechts kleine epifanieën, schuchtere manifestaties van die ene priester die de wereld aan God toewijdt. En* verder is Hij ook de profeet*. Een profeet is iemand die spreekt in de naam van een ander: ‘Mijn leer is niet van mij, maar van Hem die mij gezonden heeft’. En wij, predikend op onze kansels, met onze beperkingen, met onze tekortkomingen, zijn slechts kleine echo’s van de grote Profeet die Christus onze Heer is. Onze zorg is het om trouwe echo’s te zijn van die stem van Christus, die als enige moet spreken tot de mensen en tot het geweten. En* ten slotte is Christus ook koning*. Wanneer Pontius Pilatus Hem vraagt – let wel, het gaat dan om de grootste burgerlijke macht ter wereld, het Romeinse Rijk dat in Pontius Pilatus vertegenwoordigd is: ‘Bent u koning?’, dan is Christus niet bang om te antwoorden: ‘Ja, ik ben koning, daarvoor ben ik geboren; maar mijn koninkrijk is het koninkrijk van de waarheid, niet dat van leugens, niet dat van intriges, niet dat van onderdrukking, niet dat van verontwaardiging, niet dat van haat, niet dat van laster; mijn koninkrijk is dat van de waarheid. En daarom behoort iedereen die de waarheid liefheeft tot mijn koninkrijk.’ En* het is daarom dat Christus, koning, profeet en priester, een middel en een instrument uitgevonden heeft om ons deze drievoudige waardigheid te geven.”
“Wij allen, bisschoppen en priesters, zijn slechts kleine epifanieën, schuchtere manifestaties van die ene priester die de wereld aan God toewijdt”. Mgr. Romero ziet dat het voor de ‘gewijde ambtsdragers’ nodig is om meer nederig te zijn. Pausen, bisschoppen en priesters zijn er niet in de plaats van Jezus, de Gezalfde, maar zij moeten de aanwezigheid van die ‘ene Priester’ wel manifesteren, Hem laten doorschijnen in al hun doen en laten, in hun spreken en hun zwijgen. Ambtsdragers moeten er op een zelfkritische manier steeds weer voor uitkijken dat ze in hun optreden de ‘toewijding van de wereld aan God’ niet verhullen of die achter de coulissen wegduwen. Het gaat immers nooit en op geen enkele manier om hun eigen mening en hun verworven positie.
Zelf heb ik de priesterlijke dimensie van het doopengagement altijd graag verstaan als de onvoorwaardelijke opdracht om dienstbaar te zijn, op de eerste plaats aan kleine mensen, aan de armen. Misschien is het jammer dat in de Kerk en in de liturgie het - toch zo duidelijke en welsprekende - teken van de voetwassing alleen maar op Witte Donderdag aanwezig wordt gesteld. Jezus heeft ons ‘… op die avond vóór Zijn lijden en brutale dood’ twee nieuwe tekens van Zijn aanwezigheid gegeven: de voetwassing en ‘het breken van het Brood’. Het eerste van die twee krijgt bij Johannes zelfs meer aandacht tijdens dat laatste avondmaal dan het tweede. Daarmee is gezegd: de priesterlijke opdracht is die van de dienstbaarheid, zoals Jezus het voorgedaan en geleerd heeft. De toewijding van de wereld aan God gebeurt op de eerste plaats in het volgehouden dienstwerk aan ‘weduwen, wezen en vreemdelingen’. ‘In het hart en in de leer van de Meester leeft de voorkeursoptie voor de armen en het partij kiezen voor de slachtoffers, want daar zullen de gemarginaliseerden, de weerlozen, de gevangenen, de uitgeslotenen en de migranten speciale liefde vinden (Mt 25,35-36).’ Misschien moeten we op zijn minst dit leren van de wijsheid van de bomen: voordat ze zich richten naar de hemel zorgen ze altijd eerst voor stevige wortels in de grond. Zonder het dienstwerk aan kwetsbare en gekwetste mensen kunnen we onze armen niet ten hemel richten. Zonder die prioriteit wordt waarschijnlijk ook de viering van de eucharistie (wat ook een belangrijke priesterlijke taak is) eigenlijk onverstaanbaar. En let wel: in feite worden àlle gedoopten gezalfd tot ‘priesters’…
“En wij, predikend op onze kansels, met onze beperkingen, met onze tekortkomingen, zijn slechts kleine echo’s van de grote Profeet die Christus onze Heer is.” Hier horen we opnieuw dezelfde oproep tot nederigheid, maar toch ook weer met een duidelijke opdracht erbij: echo zijn van de grote profeet Jezus. “… Onze zorg is het om trouwe echo’s te zijn van die stem van Christus, die als enige moet spreken tot de mensen en tot het geweten.“ Wij zijn niet dé profeten, maar in onze profetische stem en in ons profetisch handelen moet nu juist de Jezus-Profeet aan het woord komen. Hij zal dan de mensen wel aanspreken, niet zomaar oppervlakkig, maar in hun geweten. Natuurlijk is dat niet alleen een opdracht voor priesters en predikanten, maar voor elke christen. In het doopsel werden we gezalfd voor een duidelijke profetische missie in Zijn Naam.
We weten natuurlijk maar al te goed dat God de schreeuw van onderdrukte, uitgebuite mensen en volkeren hoort en ziet, en dat Hij oproept tot bevrijding. Maar zij die vandaag de macht en de middelen bezitten om een einde te maken aan de uitbuiting, aan de oorlog, en aan alle vormen van uitsluiting, hebben geen oor naar Gods stem. Als wij, de profeten-in-Godsnaam, stom blijven, als wij niet openlijk en luidop spreken zowel over de kleine oefeningen in Gods Rijk die hier en nu al bezig zijn te gebeuren, alsook over de grote wandaden in onze wereld; als wij – profeten – niet spreken tot de mensen en tot het geweten, dan zal Zijn stem niet gehoord worden. Als gedoopten, gezalfd tot kleine profeten die een echo moeten laten horen van de Profeet Jezus zelf, hebben we een cruciale opdracht in onze wereld vandaag.
Ten slotte is er de derde opdracht die ons met het doopsel is meegegeven: “… mijn koninkrijk is het koninkrijk van de waarheid, niet dat van leugens, niet dat van intriges, niet dat van onderdrukking, niet dat van verontwaardiging, niet dat van haat, niet dat van laster”. In het doopsel worden we gezalfd om echo te zijn van Jezus’ koningschap, van Gods Rijk. Mgr. Romero herinnert er ons aan hoe Jezus gezegd heeft: ‘Mijn koninkrijk is dat van de waarheid. En daarom behoort iedereen die de waarheid liefheeft tot Mijn koninkrijk”. Leven op een ‘koninklijke’ manier, naar het model van Jezus, dat is leven in de waarheid. Dat is werken aan een rechtvaardige economie en een rechtvaardige handel, dat is opkomen voor vrede, dat is bevorderen van barmhartigheid en liefdevolle verbondenheid tussen mensen. Dat alles is een dagdagelijkse opdracht voor ons, als gedoopte christenen.
Gedoopt zijn heeft niet zozeer te maken met het feit dat je nog ergens een fotootje bewaard hebt van een doopritus of dat je ingeschreven staat in een doopregister. We zijn pas écht gedoopt wanneer we die drievoudige opdracht vervullen naar het model van het leven van Jezus: priester zijn, profeet zijn en koning zijn. Daartoe werden we gedoopt. Op die weg is Zijn Geest in ons en met ons begaan. Wie die opdracht niet au sérieux neemt is eigenlijk al lang ontdoopt, staat in feite al lang buiten de Kerk.
De Aartsbisschop betittelt zijn preek als*: “Het doopsel, openbaring van de messiaanse reddende realiteit”.* Bij gelegenheid van het jaarlijks kerkelijk Feest van het Doopsel van Jezus koos hij voor een soort doopcatechese om zijn homilie vorm en inhoud te geven. Zoals in Jezus’ doop die ‘Messiaanse heils-realiteit’ openbaar werd, zo nemen alle gedoopten als logische consequentie van hun doopsel het engagement op zich om de messiaanse heilsopdracht waar te maken. De drie dimensies van het doopsel die Mgr. Romero in deze preek aangeeft, kunnen ons (opnieuw) op weg zetten.
Suggestie van vragen voor bezinning en actie, persoonlijk en in onze gemeenschappen:
Het christelijk doopsel houdt een permanente opdracht in om manifestatie te zijn van de heilbrengende aanwezigheid van Christus in de geschiedenis.
Waar liggen voor mij / voor ons nieuwe uitdagingen om ‘epifanie’ te zijn, openbaring en aanwezig-stelling van de Christus-Priester die zichzelf ten volle uitdrukte in het teken van de voetwassing?
Waar liggen voor mij / voor ons nieuwe uitdagingen om ‘echo’ te zijn van de Christus-Profeet die mensen wil raken tot in hun geweten?
Waar liggen voor mij / voor ons nieuwe uitdagingen om ervaringen van de Christus die Koning is (ervaringen die de waarden van Gods Rijk zichtbaar maken en tegenwoordig stellen voor de wereld) mee op te bouwen en te verstevigen?
Ludo Van de Velde
Ludo Van de Velde (1949), afkomstig uit Oelegem, leefde en werkte sinds 1977 in Centraal- Amerika. Hij was gedurende 9 jaren fidei donumpriester in Guatemala, El Salvador en Nicaragua. Hij is gehuwd en vader van twee dochters. Wonend in El Salvador was hij gedurende 25 jaren eerst ngo-coöperant en nadien regiocoördinator van Volens. Dank zij de diepe inspiratie van Mgr. Romero en de roep van arme mensen in kerkelijke basisgemeenschappen aan de rand van San Salvador, kon hij, samen met zijn vrouw Tere, de laatste 10 jaren met hen weer verder optrekken. Zo werd hij opnieuw wie hij altijd geweest was: priester in dienst van de armen en in dienst van het Evangelie. Sinds eind februari 2021 wonen ze in Brugge, dicht bij hun (klein-) kinderen, op zoek naar nieuwe uitdagingen.
Wekelijkse reflectie onder het licht van Romero - nr. 140. Doop van de Heer-B – 14 januari 2024.
De Kerk is niet gebonden aan een sociaal systeem.
“Hij (Christus) wil het authentieke messianisme definiëren, en dat brengt mee dat we in Hem altijd ook de kritiek zullen vinden op alle politieke systemen. Daarom is het lachwekkend als ze zeggen dat de Kerk een socialistisch systeem promoot. Want stel dat onze democratie morgen inderdaad verandert in socialisme, dan zal de Kerk nog altijd de rechter zijn die de onrechtvaardige houdingen en handelingen van het socialisme zal bekritiseren, net zoals ze vandaag, in de huidige democratie, datgene aanmoedigt wat er goed in is. De Kerk verlicht altijd de werkelijkheid van het huidige moment, als een licht van buitenaf dat er op schijnt. Christus wil de Messias zijn Die de weg van de geschiedenis verlicht. De mensen zijn vrij om het regime te kiezen dat ze willen, maar ze zijn niet vrij om hun eigen zin te doen en hun eigen grillen bot te vieren. Ze zullen, in het politieke of sociale systeem dat ze kiezen, altijd weer beoordeeld moeten worden vanuit de rechtvaardigheid van God, want God is de rechter van alle sociale systemen. En het Evangelie kan, net als de Kerk, door geen enkele sociale of politieke beweging worden gemonopoliseerd of geclaimd. Geen enkele sociale of politieke organisatie kan zichzelf de pretentie aanmeten van te zeggen: ‘…wij identificeren ons met de Kerk, en de weg die wij aanwijzen is dé weg die we moeten volgen’. Uiteraard is de christen vrij in zijn concrete keuzes. En, alstublieft, laat geen enkele politieke organisatie, of die nu officieel is of populair, zich het misbruik toe-eigenen om een basisgemeenschap of een christelijke groepering te willen leiden, enkel en alleen omwille van haar politieke optie. Respecteer in jullie evangelisatiewerk en in jullie bezinning als christelijke groepering de vrijheid van elke christen. Als iemand bij een andere fractie wil horen, respecteer dan zijn of haar keuze. Als hij of zij niet bij een andere groep wil behoren, respecteer dan ook die keuze. Laat elke mens groeien in zijn geloof, laat hem toe om zich voor te bereiden om rekenschap af te leggen aan God over hoe hij in de wereld gewerkt heeft om van die wereld een betere wereld te maken, want hoe dan ook - de Heer zal ons vragen om rekenschap af te leggen!”
Tijdens de eerste drie eeuwen van de Kerk groeiden de christelijke gemeenschappen op in een vijandige omgeving. Hoewel we in verschillende teksten van het Nieuwe Testament pogingen zien om de verantwoordelijkheid van het Romeinse Rijk voor de executie van Jezus te verzachten en om niet zo openlijk met het heersende en uitbuitende systeem in confrontatie te gaan, werden die eerste eeuwen toch al snel een tijd van wrede vervolging. Christenen werden beschouwd als ‘atheïsten’, en die verdienden zondermeer de dood. Ondanks deze tragedie groeiden de gemeenschappen aan, en verspreidden ze zich steeds meer. Keizer Constantijn vond dan tenslotte dat hij meer profijt kon hebben van deze nieuwe religie door er een officiële staatsgodsdienst van te maken, waarbij de keizer zelf een grote rol zou spelen in de belangrijke beslissingen van de Kerk. Tegelijkertijd kon de hogere hiërarchie van de Kerk dan mee profiteren van de rijkdom en de macht van het Keizerrijk. Het betekende het begin van een enorme golf van missionaire expansie (?) onder de bescherming van het Imperium. Hetzelfde gebeurde onder de nieuwe westerse keizer- en koninkrijken die later ontstonden. De Kerk werd de bevoorrechte religieuze bondgenoot van de Staat. Zij bood de rechtvaardiging aan van de kolonisatie op alle continenten, en legde zonder pardon de riten van de christelijke religie op aan de plaatselijke bestaande religieuze systemen die als ‘duivels’ werden beschouwd en die daarom met wortel en al vernietigd moesten worden.
Het duurde vele eeuwen voordat er nieuwe sterke stromingen ontstonden in de Kerken, die zich distantieerden van de op dat moment dominante politiek en economie. Bovendien was en is dat bewust afstand nemen een heel langzaam – haast druppelsgewijs – proces, vooruitgaand en soms weer achteruitgaand. In Latijns-Amerika is het vooral sinds de Conferentie van Medellín (1968) dat een belangrijk deel van de Kerk zich bewust begon te worden van het feit dat "… de Kerk altijd, als een licht van buitenaf dat er op schijnt, de werkelijkheid van het huidige moment verlicht”. Na de moord op Padre Rutilio Grande en zijn twee metgezellen (in maart 1977) besloot Monseigneur Romero dat hij niet langer aanwezig zou zijn bij openbare staatsactiviteiten, noch wilde hij dat regeringsfunctionarissen aanwezig zouden zijn bij de liturgische gebeurtenissen van de Kerk. ‘Genoeg was genoeg’, volgens hem. Tijdens zijn drie jaren als Aartsbisschop wijdde hij veel energie aan “het belichten van de duistere realiteit van het Salvadoraanse volk”, dat te lijden had onder uitbuiting en onderdrukking, elke keer wanneer het eisen stelde die nochtans gerechtvaardigd waren.
Vandaag de dag is het aannemen en oppakken van deze kritische houding nog steeds een grote uitdaging in de Kerken. Eén ding is het licht dat vanuit de pauselijke documenten - van Paus Franciscus bijvoorbeeld – op de werkelijkheid valt, een ander ding is de daadwerkelijke toepassing en concretisering van dit licht van het Evangelie in de realiteit van elk land en elke plaatselijke kerkgemeenschap. We stellen vast dat er bisschoppen (en priesters) zijn die liever willen blijven zwijgen over wat er in hun eigen land gebeurt.
Anderen hebben gekozen voor meer charismatische soorten van pastoraat in de stijl van de evangelische pinksterkerken. In de eerste twintig jaar van de 21e eeuw hebben we weinig profetische stemmen zoals aartsbisschop Romero kunnen beluisteren. Natuurlijk kan de prijs voor deze consequent-kritische houding hoog zijn. Zowel in het El Salvador van Mgr. Romero als in het Nicaragua van vandaag, staan de regimes de Kerk niet toe om licht dat op het Evangelie gebaseerd is te laten schijnen op de realiteit. Ook vandaag de dag aarzelen bepaalde heersende machten niet om de profetische stem van de Kerk tot zwijgen te brengen door een echte vervolging op te leggen. En in Europa wordt de profetische stem van de Kerk zelden gehoord in verband met de politieke en sociale ontwikkelingen die zich afspelen in de respectievelijke landen, op hun continent en in de wereld. Is er dan niets mis, misschien..?
En dan nemen we nog een tweede gedachte op uit de preek van deze zondag van Mgr. Romero: “… En het Evangelie kan, net als de Kerk, niet worden gemonopoliseerd of geclaimd door welke sociale of politieke beweging dan ook. Geen enkele sociale of politieke organisatie kan zichzelf de pretentie aanmeten van te zeggen: ‘… wij identificeren ons met de Kerk, en de weg die wij aanwijzen is dé weg die we moeten volgen’. Aartsbisschop Romero zag hoe leden van (politiek-militaire) volksorganisaties het werk van de Kerk probeerden te beïnvloeden. Maar volgens hem zou geen enkel politiek orgaan de Kerk mogen manipuleren om zijn eigen specifieke belangen te dienen. Geen enkele regering zou de leden van de Kerk mogen dwingen zich te buigen naar en zich te conformeren aan haar eigen wil, noch zou zij de sociale actie van de Kerk mogen verbieden, noch de profetische stem het zwijgen mogen opleggen. In Nicaragua wordt de actie van de Kerk vandaag de dag steeds onmogelijker gemaakt: er is de sluiting van de congregatie van de jezuïeten, van de franciscanen, van de zusters van Moeder Teresa; er is de interventie en inbeslagname van universiteiten (UCA) en scholen; er is de blokkering van bankrekeningen; er is de gevangenneming en uitzetting van priesters, of een verbod op toegang tot het land; er is de sluiting van kerkelijke radio- en tv-stations, en twee bisschoppen die in de gevangenis verdwijnen… Het is belangrijk dat de Kerk in elk land en op elk continent de nodige afstand neemt van de regimes en regeringen die aan de macht zijn, en dat ze zichzelf versterkt zodat ze zich niet door de politieke en economische machten en krachten laat kooien.
Als derde punt staan we nog even stil bij dit citaat: “… Moge elke mens groeien in zijn geloof, moge hij zich voorbereiden om rekenschap af te leggen aan God over hoe hij in de wereld gewerkt heeft om van de wereld een betere wereld te maken, want hoe dan ook - de Heer zal ons vragen om rekenschap af te leggen!“ Monseigneur Romero doet hier een oproep aan elk lid van elke Kerk om zijn / haar verantwoordelijkheid op te nemen om “… van deze wereld een betere wereld te maken”. Wanneer hij deelneemt aan sociale en politieke organisaties heeft hij de opdracht om zo in geloof te groeien dat hij ‘werkt’ voor het Koninkrijk Gods, dat hij bijdraagt aan ‘een nieuwe wereld’. Dit zal de beslissende factor zijn in zijn geloof. En hier worden we opnieuw geconfronteerd met de uitdaging om bij de zwaksten aanwezig te zijn, bij de meest kwetsbaren, de gewonden, de zieken, de uitgeslotenen, zij die het kruis van de geschiedenis dragen. Dit moet hier en nu gebeuren, heel dicht bij ons, daar waar we wonen, in deze, onze stad, en ook op nationaal en internationaal niveau.
Als het zo is dat we jarenlang zwijgend hebben toegekeken, dan hebben we uiteraard grote moeite om op vandaag onze verantwoordelijkheid te nemen. Een duidelijk voorbeeld is het nu 75 jaar oude conflict tussen Israël en Palestina. Ook wij als Kerken hebben onze profetische stem niet voldoende verheven om het Palestijnse volk te steunen tegen de voortdurende invasie, kolonisatie, reductie, omsingeling… waaronder zij al zoveel jaren lijden. Wij keken toe hoe Israël de grenzen manipuleerde en veranderde, en wij zwegen. Onze regeringen bleven wapens verkopen aan Israël, en wij zwegen. Israël respecteert geen enkele VN-resolutie, en wij blijven altijd maar zwijgen. Vandaag zitten we midden in de totale vernietiging van Palestina en zijn volk, maar de stemmen van de bisschoppen tegenover onze regeringen blijven zwak. Dit illustreert dat lange tijd zwijgen tegenover onrecht in al zijn vormen (en knielen voor wie de macht meent te bezitten) het moeilijk maakt om nu onze stem te verheffen. Van onderaf in de Kerk hebben we echter de verantwoordelijkheid om onze stem te laten horen, om concrete acties te ondernemen in solidariteit met ‘de gekruisigden’, en om nieuwe ruimtes te creëren voor het bouwen van de nieuwe wereld. We hoeven niet bang te zijn.
Tere en Ludo Van de Velde
Wie Spaans begrijpt kan ook nog deze reflecties beluisteren bij dezelfde preek van Mgr. Romero:
177 Antes de mi seguridad personal
176 Venido de un cantón:
https://www.facebook.com/watch?v=709636110357796
Overdenking voor zondag 14 januari 2024. Voor deze overdenking hebben wij een citaat genomen uit de homilie van Monseigneur Romero tijdens de eucharistieviering op het Feest van de Doop van de Heer-B, 14 januari 1979. Homilías, Monseñor Oscar A Romero, Tomo IV, Ciclo B, UCA editores, San Salvador, p. 171.