Homilie op het Feest van het Doopsel van Christus: “Het geknakte riet niet breken!”
(Jes. 42, 1-4.6-7; Mc. 1, 7-11)
Tielt, 11 januari 2015
Groot moet de verwondering van Johannes de Doper geweest toen hij zijn neef Jezus in de rij zag staan van de mensen die zich door hem willen laten dopen, d.w.z. in de rij van de zondaars die zich willen bekeren, die een nieuw leven willen beginnen. Van meetaf aan wou Jezus solidair zijn met de mensen die er niet zoveel van terecht brengen, met zondige mensen die het toch zo graag anders willen doen. Die solidariteit met de zwakke mens van goede wil zou Jezus zijn leven lang tonen en verkondigen.
Om een heel andere reden zijn ook wij, priesters, soms verwonderd als ouders ons vragen om hun kindje te laten dopen. Te meer omdat het aantal jonge mensen die voor de kerk trouwen, in onze streek tot een tiende herleid is ten opzicht van 25 jaar geleden. Ook het aantal kerkelijke uitvaartdiensten is op vele plaatsen gehalveerd. Maar dat een kindje niet gedoopt wordt is nog altijd eerder uitzonderlijk. Zelfs de meeste ouders die noch burgerlijk, noch kerkelijk wensen te trouwen, wensen dat hun kind gedoopt wordt. Waarom?
Sommige ouders, gelukkig maar, willen met dat doopsel heel duidelijk kleur bekennen. Als diepgelovige mensen willen ze dat hun kind opgenomen wordt in de kerkgemeenschap. Ze willen het toevertrouwen aan Gods zorg en het opvoeden in Jezus’ geest. Ze zijn ook bereid hun kind in de beleving van dat geloof voor te gaan. Ze zijn overtuigd dat ze op die manier de juiste normen en waarden en voldoende kansen meegeven opdat het een gelukkig mens zou worden. Je zou kunnen zeggen: die komen binnen langs de hoofdingang van de kerk.
Ofschoon ze zelf weinig kerkelijk zijn, laten de meeste ouders in onze streken hun kindje dopen. Ze doen het omdat ze zo het wonder van de geboorte willen vieren. Voor dat wonder zijn ze gevoelig: ze kochten het kind niet, ze kregen het. Daarvoor willen ze God danken. Ze willen meteen ook beloven dat ze hun kind willen liefhebben, dat ze er alles voor zullen doen om het gelukkig te maken. Dat alles willen ze in het doopsel vieren. Dat is mooi, maar Jezus en de Kerk staan op het achterplan; die komen er maar weinig aan te pas. Je zou kunnen zeggen: die komen binnen langs een zijdeur van de kerk.
En dan heb diegenen die binnenkomen langs een achterpoortje. Misschien zijn ze zelf compleet onkerkelijk of zelfs antikerkelijk. Maar de grootouders zetten hen onder zware druk. Stel je voor: een kleinkind dat niet gedoopt is, kan geen eerste communie doen, niet gevormd worden, enz…! Als hun kleinkind niet gedoopt wordt, voelen die grootouders zich mislukt, gekwetst, doodongelukkig zelfs. En de jonge ouders laten dan maar hun kindje dopen om hun ouders dat verdriet niet aan te doen.
Moet of mag de Kerk daarin meespelen. Sommigen vinden dat we best die zij- en achterdeur sluiten en enkel het doopsel toedienen aan kerkelijke ouders die langs de voordeur de kerk binnenkomen.
Wat geldt voor het doopsel, kan als regel ook gesteld worden voor de andere sacramenten, vinden zij.
Moeten wij al die randkerkelijken of onkerkelijken of zelfs antikerkelijken, die enkel nog de kerk binnenkomen voor “les rites de passage”: doopsel, vormsel huwelijk, uitvaartdiensten, uit de kerk borstelen? Moeten wij de sacramenten reserveren voor die mensen die inzake geloof en Kerk duidelijk kleur bekennen? Mogen de zij- en achterdeuren van de kerk nog enkel nooduitgangen zijn en niet langer ingangen voor de velen die nog onderweg zijn en die wellicht nooit tot een echte geloofsbeleving zullen komen? Dat menen velen die vinden dat de drempel voor de sacramenten te laag is..
Die visie is verleidelijk, maar weinig evangelisch. Of moeten wij blij zijn dat echtgescheidenen, die burgerlijk hertrouwden, door de Kerk met een afkeurend oog bekeken werden en dat aan hen de communie geweigerd werd. Ook iemand die zelfmoord pleegde, mocht vroeger niet in de kerk begraven worden. Wie ben ik om daarover te oordelen. En wie ben ik om te oordelen of een kind zijn eerste communie mag doen of gevormd mag worden? Sommigen onder ons kennen nog wel verhalen over de harde en onverzoenlijke houding van sommige priesters, een houding die vele mensen voorgoed van de Kerk heeft vervreemd. Gelukkig hebben we thans een paus die op de eerste plaats barmhartig wil zijn. Dat bleek toch duidelijk op de synode te Rome.
“Het geknakte riet niet breken, de kwijnende vlaspit niet doven”: dat is het wat de profeet Jesaja ons zei in de eerste lezing. Jesaja dacht daarbij aan payrusriet, dat bij bosjes groeit in de landen van de Middellandse Zee. En weet je wat er zo erg is met dat soort riet? Eenmaal geknakt, krijg je het nooit meer heel. De kneuzing blijft en je kunt hooguit nog wat eraan prutsen met stokjes en spalkjes.
Nooit iemand afschrijven, steeds nieuwe kansen geven, blijvend uitnodigen, altijd weer proberen. De zwakke rietstengel niet breken. Dat is de boodschap vandaag.
Had ik maar een geknakte rietstengel voor elkeen in de kerk, dan zou ik je laten proberen om die weer recht te krijgen. Het zou je niet lukken.
Dat is toch erg, vind ik toch. Jij ook wellicht!
Gabriël Buyse, pastoor-deken em. Tielt