Jezus is ongeveer dertig jaar wanneer hij met zijn ideeën over God en zijn idealen over de samenleving de straat op gaat. Tot die tijd leeft Hij een teruggetrokken bestaan: een bezinningsperiode waarin Hij zich er steeds duidelijker van bewust geworden is dat God Hem als zijn boodschapper heeft gekozen. Tot aan zijn dertigste groeit het besef van zijn levensroeping.
Intussen treedt er een zekere Johannes op, een rare vogel, die leeft aan de rand van de woestijn. De priesters en wetgeleerden moeten er niks van hebben. Hij leert dat mensen er niet zijn met het onderhouden van de wet, en roept hen op anders te gaan leven. Bovendien neemt die Johannes geen blad voor de mond. Hij heeft het zelfs gewaagd Herodes te bekritiseren.
Johannes preekt gerechtigheid, en de zogenaamde brave burgerij klaagt hij aan. Omdat ze anderen met groot gemak laten vallen, de armen uitzuigen, en zichzelf veilig stellen. Wie daaraan niet meer wil meedoen, en beter wil leven, moet zich door hem laten dopen: een doopsel van bekering.
Wanneer Jezus in de openbaarheid treedt, is zijn eerste gang niet naar de tempel, de priesters en de schriftgeleerden, de gevestigde macht, maar Hij gaat naar Johannes, en laat zich als zovelen door hem dopen.
Dat is natuurlijk niet voor niets. Die doop door Johannes betekent dat Hij zich aansluit bij hen die kritische vragen durven stellen aan zichzelf en hun omgeving. Jezus sluit zich al meteen aan bij hen die de vinger durven leggen op oneerlijkheden in de menselijke verhoudingen. In zo’n levensstijl laat Hij zich onderdompelen.
Over de wijze waarop Hij vanuit deze grondhouding naar mensen gaat en met hen omgaat, profeteert Jesaja al: ‘Hij zal niet roepen, geen grote mond opzetten, niet hoog van de toren blazen. Hij zal het geknakte riet niet breken; de smeulende pit dooft Hij niet uit'.
Hij, die door de stem uit de hemel ‘Gods eigen Zoon’ genoemd wordt, wil geen dwingeland zijn, wil mensen niet overschreeuwen of bang maken en laten doen wat Hem goeddunkt. Hij verleent geen hulp om er zelf beter van te worden. Hij gaat niet naar zwakke mensen toe om te voelen hoe sterk Hij zelf is. Want dat gebeurt nogal eens: mensen behulpzaam zijn, maar dan zo dat zij zich nog afhankelijker voelen, en jij zelf de flinke jongen bent die alles wel eens zal regelen. Helpen om jezelf op de borst te kunnen slaan.
Mensen die bijna niks meer kunnen, het idee geven dat ze helemaal niks meer kunnen, dat is - denk ik - het geknakte riet echt breken. Of iemand die al een hoop ellende heeft meegemaakt, ook nog eens het idee geven dat het allemaal eigen schuld is. Dat is de smeulende pit echt helemaal doven.
Allen die gedoopt zijn in Jezus’ naam, dienen echter mensen te eerbiedigen, schulden te helpen dragen, en anderen te bevrijden van al wat klein, bang en ziek maakt.
Mensen kunnen elkaar maken en breken als riet. Ze kunnen elkaar aanvuren of uitdoven. Bij zijn doop laat Jezus zien waartoe wij, gedoopten in en door zijn Geest, geroepen zijn.