Hoeveel boeken zijn er al niet volgeschreven over het mysterie van de H.Drie-Eenheid? En hoeveel wijzer zijn we er van geworden? De grootste wijsheid is misschien net als de grote Augustinus te erkennen dat dit niet te doorgronden is. Noch in het Eerste noch in het Tweede testament wordt uitgelegd wat we zouden kunnen begrijpen over het mysterie dat we vandaag vieren. Een mooi bewijs dat dit geen bijbels gegeven is, maar een theologische denkconstructie; we moeten daar als gewone gelovigen niet al te veel ons hoofd over breken. We lopen zelfs het gevaar in al ons denken de vragen en de noden van concrete mensen vandaag niet te horen en dat zou ongehoord zijn. Als het geen bijbels gegeven is, dan krijg je dus liturgie waar een evangelie moet bijgesleept worden. De keuze van de liturgisten viel op een fragment uit het einde van het evangelie volgens Matteüs. Na lezing begrijpen we ook onmiddellijk waarom: Jezus vraagt te dopen in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest. Laten nu zowat alle bijbelgeleerden het er over eens zijn dat dit woorden zijn die Jezus in de mond gelegd zijn door de school van Matteüs en dus geen woorden zijn die Jezus zelf uitgesproken heeft. Zelfs als dit zo is, dan nog zal men nadenken of hetgeen men Jezus laat zeggen wel in de geest van Zijn Boodschap ligt. Als we er van uitgaan dat dit effectief gebeurd is, dan mogen we dit ook als Blijde Boodschap beschouwen.
Keren we terug naar het evangelie zelf. De leerlingen keren terug naar het heidense Galilea zoals Jezus gevraagd had. Daar, in Galilea, is hun avontuur met die Jezus begonnen. Daar heeft Hij hen aangesproken op zo’n wijze dat het gans hun leven veranderd heeft. Nu blijkt dat Jezus’ verhaal toch niet zo’n groot succesverhaal is als ze gehoopt hadden, keren ze terug, niet alleen uit ontmoediging, maar ook omdat Jezus dat gevraagd had; ze zijn Jezus dus toch niet vergeten! Op die berg ontmoeten ze Jezus. De berg: de plaats waar God mensen wegwijzers heeft om als vrij mens te kunnen leven. Hij gaf er Mozes zijn tien wegwijzers, Jezus hield er zijn programmarede. Daar, op de berg, wordt godsgeschiedenis geschreven. Er zijn er enkelen die twijfelen. Leerlingen die Jezus van zo dichtbij gekend hebben, twijfelen. Geen schande, maar een mooi voorbeeld van hoe menselijk onze geschriften zijn. En dan geeft Jezus hen de opdracht alle volkeren tot geloof te brengen. Hij vraagt niet zomaar even te vertellen, Hij vraagt te dopen. mag ik daar in lezen: mensen onder te dompelen, te doordringen van het Goede Nieuws. Zoals een spons doordrongen is van water en er om vraagt uitgeknepen te worden, zo moeten christenen doordrongen zijn van de Blijde Boodschap. Wat is die Blijde Boodschap? Dat er een God is die de mens liefheeft. Hoe weten we dat? Door profeten, maar ook en zeker door die Ene, die zo intens met Hem verbonden leefde, dat wij Hem Zoon van God durven noemen: Jezus Christus, de Verrezene. Hoe kunnen wij, eenvoudige mensen, dat Blijde Nieuws verkondigen? Wel, Jezus schenkt ons Zijn Geest die als het mag van ons, zal spreken en werken door ons. Daar heb je de H.Drie-Eenheid. De puzzel lijkt rond en echt lijkt allemaal zeer eenvoudig, maar dat is het niet. In ons pogen mensen te doordringen van Gods liefde voor hen, botsen we vaak op mensen die doordrongen zijn van het materiële. Als je dan afkomt met een volgens oud verhaal over een onzichtbare God die klein en weerloos in de wereld wil staan, dan krijg je soms enkel een glimlachje. En toch is dat onze uitdaging! Vorige week vierden we nog dat wij als gelovigen de heilige Geest ontvangen hebben! Merken mensen aan ons dat wij begeesterd zijn of hebben we het vuur van ons geloof op een waakvlammetje gezet omdat er minder kerkgangers zijn, omdat we steeds met minder zijn? Het gevaar bestaat, maar dan zouden we ons te veel hebben laten inpakken door het materiële. Als wij in zak en as zitten omwille van het aantal kerkgangers en het dalend aantal mensen die zichzelf nog gelovig vinden, lijken we wel iemand die niet meer tevreden is met zijn eigen gezinswagen omdat de buren er een grotere hebben. In het laatste geval zal men zich ofwel te pletter werken om er ook zo een te kunnen kopen, of men zal leren tevreden te zijn met wat men wel heeft. We moeten in onze Kerk niet te veel focussen op getallen en op mensen die er niet zijn, samen met de mensen die er wel zijn, worden wij uitgedaagd zo’n gemeenschap te vormen dat wij uitstralingskracht krijgen voor de samenleving, dat we zout zijn voor mensen die de smaak in het leven verloren hebben, licht voor mensen die ronddwalen in de duisternis. We mogen fier zijn op ons geloof, wat anderen daar ook mogen van denken. Ik zeg vaak aan mijn leerlingen dat ze niet weten wat ze missen. Ze kijken mij dan op een heel rare manier aan, precies met een tikkeltje medelijden omdat ik dat geloof. En toch geloof ik het. En ik geloof nog meer: ik sta er niet alleen voor: " Ik ben met jullie, alle dagen, tot aan de voltooiing van deze wereld. " Wie krijgt zo’n garantie? Allen God kan ons die geven, zelfs over de grenzen van de dood. Ga dus en verkondig, zonder gefrustreerd te worden, maar altijd weer ruimte latend voor de Geest door wie Jezus en de Vaderin ons willen werken.