Nog niet zolang geleden zei iemand tegen me: ik geloof niet in de hemel! En het argument was: er kan toch nergens een plek zijn die groot genoeg is om al die gestorven mensen van alle tijden te herbergen. Dat bestaat toch niet. Nu kun je daar tegenin brengen: mensen die in hun geest verder leven, die nemen geen ruimte in, geen enkele, die zijn ook niet op een bepaalde plek. Maar het probleem is wel dat we ons dat niet kunnen voorstellen. Dat is evenzeer het geval als we praten over God. Er wordt vaak gezegd: God is in de hemel.
Maar je zou het beter andersom kunnen zeggen: de hemel is in God. De hemel is geen bepaalde plek en ook God is niet op een bepaalde plek. We bidden vaak genoeg: Onze Vader die in de hemel zijt, dan kijken we meestal naar boven: alsof er ergens in de ruimte, in het heelal een plek is waar God woont. God is niet ergens daar boven, ook niet ergens hier beneden. Je kunt eigenlijk nog het beste zeggen: God is overal en nergens. Er is nergens een plek waar we God in persoon kunnen ontmoeten, en tegelijk, als we ervoor openstaan, kunnen we hem overal tegenkomen, boven ons, ook in dat onmetelijke mysterieuze heelal, naast ons in de schoonheid van de schepping en het mysterie mens, en in onszelf, in het mysterie van ons diepste wezen. God is overal en nergens: mensen zonder geloof komen hem nooit tegen, en ze zeggen dan al gauw: God bestaat niet.
Maar mensen met geloof, en je zou geloof hier een soort bijzondere bril kunnen noemen, die kunnen Hem overal waarnemen, boven zich als de hoogverheven schepper, naast zich als zichtbaar en tastbaar geworden goedheid en liefde, in zich als zijn diepste levenskracht.
Je komt ook wel eens mensen tegen die zeggen: Ik geloof niet in God. Ik heb zoveel narigheid meegemaakt. Als er een goede God zou zijn, waar toch altijd over gepreekt wordt, dan zou Hij wel gezorgd hebben dat dit alles mij niet overkomen zou zijn. En hier is niet zo gemakkelijk een bevredigend antwoord op te geven. Enerzijds kun je zeggen dat het niet juist is om God aansprakelijk te stellen voor alles wat je niet bevalt. En het is ook niet juist als je alleen in God zou geloven als alles goed gaat en dat je niet meer zou geloven als het je slecht gaat.
Dan is het een grote vraag of er van te voren wel een echt geloof was. Anderzijds is het natuurlijk best een beetje te begrijpen. God wordt in onze christelijke traditie keer op keer een goede en liefdevolle vader genoemd, maar je blijft dan toch met de vraag zitten: waarom laat Hij dan zoveel ellende toe? En niemand heeft het antwoord op die vraag. Maar ook hier geldt, denk ik: God is overal en nergens: Wie geen echt geloof heeft zal Hem nergens vinden, maar voor een ware gelovige is Hij overal te vinden, niet alleen in goede dagen maar ook in kwade dagen.
Een echte gelovige ziet God boven zich, als Schepper en Vader, een God naar wie je altijd in vertrouwen kunt opzien, ook al kun je zijn wegen echt niet altijd begrijpen. Een echte gelovige ziet God in Jezus Christus, die bijzondere mens in wie Hij naast ons is komen staan, hij ziet God overal waar mensen goed doen aan elkaar, hij ziet God in de gevers van goedheid én de ontvangers van goedheid.
Een echte gelovige ziet God in zijn heilige Geest, waardoor Hij in ieder van ons aanwezig is, inspirerend, motiverend, stuwend en ondersteunend. Voor een ware gelovige is het niet zo moeilijk God te zien tegelijk als Vader, Zoon en heilige Geest. Mogen ook wij zulke gelovige mensen zijn.
Feest van de Heilige Drie-eenheid (2000)
B-cyclus · Tijd door het jaar · Triniteit · wit